• Verblijfsrecht
  • 2011

Door MHW geduid als zeer belangrijk

Resultaten 1 - 7 van totaal 7 resultaten
  1. Language Dutch 81 reads FairWork CoMensha (Dutch Coordination Center for Humantrafficking) E-Quality 'Mensenhandel. Een genderscan op de B9-regeling' is een genderscan uitgevoerd door E-Quality, CoMensha en FairWork (www.fairwork.nu). Uit het ra ...

    'Mensenhandel. Een genderscan op de B9-regeling' is een genderscan uitgevoerd door E-Quality, CoMensha en FairWork (www.fairwork.nu). Uit het rapport blijkt dat er onvoldoende aandacht is voor de verschillen tussen mannen en vrouwen bij de opvang en hulpverlening, de bescherming bij aangifte en het informeren van slachtoffers. 

    Publicaties

    • Rapporten
    • FairWork
    • CoMensha
    • E-Quality
    • B8/3
    • Aangifte
    • Mannelijke slachtoffers
    • B8/3
    • Opvang
    • Nederlands
  2. 75 reads Court of Noord-Nederland Language Dutch Op 26 februari 2007 heeft eiseres aangifte gedaan van mensenhandel. Bij besluit van 19 april 2007 is aan eiseres een verblijfsvergunning verleend onder de beperking zoals genoemd in hoofdstuk B9 Vc. Deze wa ...

    Op 26 februari 2007 heeft eiseres aangifte gedaan van mensenhandel. Bij besluit van 19 april 2007 is aan eiseres een verblijfsvergunning verleend onder de beperking zoals genoemd in hoofdstuk B9 Vc. Deze was geldig van 26 februari 2007 tot 26 februari 2008. Op 12 februari 2008 heeft het OM bericht dat het opsporingsonderzoek naar aanleiding van de door eiseres gedane aangifte niet heeft geleid tot vaststellen van een verdachte en dat het onderzoek wordt gesloten.Verweerder heeft de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking voortgezet verblijf als bedoeld in art. 3.52 Vb niet ingewilligd en het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard. In geschil is of verweerder dit op de juiste gronden heeft gedaan.De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiseres, nu is komen vast te staan dat zij het slachtoffer is van mensenhandel, het bepaalde in hoofdstuk B9/9.4 Vc – waarin het gaat om verlenging van de verblijfsvergunning onder een beperking - van overeenkomstige toepassing is. Ook nu de vreemdeling een aanvraag heeft ingediend op grond van art.3.52 Vb , kan van een slachtoffer van mensenhandel in beginsel niet worden verwacht dat hij in het land van herkomst een paspoort aanvraagt. Uit het ambtsbericht inzake Guinee blijkt dat een nationaal paspoort alleen in Conakry kan worden aangevraagd en niet bij de diplomatieke vertegenwoordiging in Nederland.De rechtbank oordeelt dat verweerder in redelijkheid niet het paspoortvereiste heeft kunnen tegenwerpen. Ook heeft verweerder ten onrechte niet het beleid zoals neergelegd in hoofdstuk B16/4.5 Vc – waarin is neergelegd dat een slachtoffer van mensenhandel in aanmerking kan komen voor een vergunning op grond van art.3.52 Vb, indien naar het oordeel van de minister wegens bijzondere individuele omstandigheden van de vreemdeling niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat - bij de beoordeling van de aanvraag betrokken. Beroep gegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Guinee
    • Rechtbank Noord-Nederland
    • Voortgezet verblijf
    • Paspoortvereiste
    • Voortgezet verblijf
    • Paspoortvereiste
    • Nederlands
  3. Language Dutch 52 reads Court of Noord-Nederland Beroep vreemdelinge tegen de afwijzing van een aanvraag tot afgifte van een W2-document. Eiseres vindt het onredelijk dat verweerder blijft vasthouden aan het feit dat zij in het verleden geen asielaanvraag ...

    Beroep vreemdelinge tegen de afwijzing van een aanvraag tot afgifte van een W2-document. Eiseres vindt het onredelijk dat verweerder blijft vasthouden aan het feit dat zij in het verleden geen asielaanvraag heeft ingediend en wijst er op dat zij slachtoffer is van mensenhandel. Zij heeft daarvan aangifte gedaan en aangevoerd dat dit rechtmatig verblijf met zich meebrengt. Het is daardoor niet meer mogelijk om asiel aan te vragen. Daarnaast is eiseres het niet eens met het argument van verweerder dat van een vreemdeling die in afwachting is van een reguliere vergunning verwacht mag worden te beschikken over een geldig verblijfsdocument, omdat juist slachtoffers van mensenhandel daar vaak niet over beschikken.De Rechtbank overweegt dat de Wijziging Vreemdelingencirculaire 2007/44 expliciet de mogelijkheid open laat om aan “andere vreemdelingen”, dus ook zonodig vreemdelingen die illegaal in Nederland verblijven, een W2-document af te geven indien er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, waarbij met name gedacht moet worden aan het feit dat betrokkene al is vrijgesteld van het paspoortvereiste. Deze als voorbeeld genoemde bijzondere omstandigheid is naar het oordeel van de rechtbank echter geen limitatieve opsomming, gezien de vermelding “waarbij met name gedacht moet worden aan”.De rechtbank oordeelt dat de enkele stelling van verweerder, dat de door eiseres aangevoerde zeer bijzondere omstandigheden worden meegenomen bij de beoordeling van het bezwaarschrift gericht tegen de afwijzing van een reguliere aanvraag, dan ook onvoldoende. De onderhavige procedure biedt immers de mogelijkheid om juist een W2-document af te geven, indien er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden.De verweerder heeft niet, althans onvoldoende, gemotiveerd waarom er in het onderhavige geval – onverlet de vraag of eiseres rechtmatig verblijf heeft- geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan zij alsnog in aanmerking zou kunnen komen voor afgifte van een W2-document. Beroep van vreemdelinge is gegrond. (JV 2011/228)

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Noord-Nederland
    • Verblijfsrecht
    • W2-document
    • Nederlands
  4. 62 reads Court of Noord-Nederland Language Dutch De rechtbank stelt eerst vast dat niet in geding is dat eiseres slachtoffer is van mensenhandel. Hetgeen eiseres in dit verband heeft meegemaakt, staat evenmin ter discussie. De rechtbank stelt voorts vast ...

    De rechtbank stelt eerst vast dat niet in geding is dat eiseres slachtoffer is van mensenhandel. Hetgeen eiseres in dit verband heeft meegemaakt, staat evenmin ter discussie. De rechtbank stelt voorts vast dat niet in geschil is dat eiseres op grond van het beleid zoals genoemd in hoofdstuk B 16/4.5 Vc 2000 onder a en b niet in aanmerking komt voor voortgezet verblijf. In geschil is de vraag of van eiseres wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat zij Nederland verlaat. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat NAPTIP voor eiseres een oplossing op maat kan bieden, nu haar familie zelf actief betrokken was bij het verhandelen en eiseres om die reden niet terug kan of wil naar haar familie.Hoewel uit het thematisch ambtsbericht inzake Nigeria van november 2008 kan worden afgeleid dat NAPTIP een oplossing op maat kan bieden, in die zin dat ze slachtoffers van mensenhandel tijdelijk aan onderdak en een baantje helpen en dat NAPTIP geen slachtoffers van mensenhandel op straat zet zonder dat ze ergens naar toe kunnen, volgt uit het ambtsbericht ook dat het verblijf in een shelter slechts tijdelijk is en dat hervestiging in de praktijk onmogelijk is indien betrokkene in de nieuwe woonplaats geen netwerk heeft van familieleden of personen met dezelfde regionale en etnische afkomst.Uit het ambtsbericht blijkt verder dat slechts een zeer klein percentage van alle vrouwen die slachtoffer zijn geworden van mensenhandel, die in Europa in de prostitutie hebben gewerkt en die vrijwillig of gedwongen zijn teruggekeerd naar Nigeria in een van de NAPTIPshelters terechtkomt en zij een groot risico opnieuw gerekruteerd te worden voor de prostitutie in Europa. Gelet op het voorgaande en gelet op de omstandigheid dat eiseres geen sociaal netwerk heeft, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zijn standpunt dat van eiseres gevergd kan worden dat zij Nederland verlaat, onvoldoende heeft gemotiveerd.In dit verband acht de rechtbank van belang dat verweerder ter zitting geen antwoord heeft kunnen geven op de vraag welke ervaringen er zijn sinds het uitkomen van het ambtsbericht van november 2008 met slachtoffers van mensenhandel die zijn teruggekeerd naar Nigeria en of NAPTIP in die gevallen inderdaad de oplossing op maat heeft geboden. Beroep gegrond.NB: in deze zaak is ook een vovo toegewezen (AWB 10/4708). NB: Hoger beroep minister gegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nigeria
    • Rechtbank Noord-Nederland
    • Voortgezet verblijf
    • Voortgezet verblijf
    • Nederlands
  5. 9 Rechtbank Den Haag Taal Nederlands Eiser heeft geen feiten aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat de autoriteiten van Sierra Leone niet bereid zijn een reisdocument te verstrekken indien eiser volledige en juiste informatie verstrekt, en he ...

    Eiser heeft geen feiten aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat de autoriteiten van Sierra Leone niet bereid zijn een reisdocument te verstrekken indien eiser volledige en juiste informatie verstrekt, en het door de Nederlandse en Sierra Leoonse autoriteiten te verrichten onderzoek niet frustreert.Tussen partijen is niet in geschil, zodat ook de rechtbank daarvan uitgaat, dat verweerder eiser onder de door de autoriteiten van Sierra Leone te België gestelde eisen kan presenteren bij die autoriteiten en dat naar aanleiding daarvan een verklaring kan worden afgegeven waarmee eiser een reisdocument kan verkrijgen.De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat voormelde gang van zaken niet binnen redelijke termijn kan leiden tot een reisdocument. In dit verband acht de rb voor de redelijke termijn ook relevant dat eiser niet vanaf zijn inbewaringstelling actief en volledig heeft meegewerkt teneinde de bewaring zo kort mogelijk te laten voortduren. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat een redelijk vooruitzicht voor eiser op verwijdering naar Sierra Leone ontbreekt.Voorts ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Gelet op het feit dat eiser eerst sinds 24 augustus 2011 meewerkt heeft verweerder eraan voldaan al het redelijkerwijs mogelijke te doen door meerdere malen vertrekgesprekken met eiser te voeren en regelmatig, laatstelijk op 15 augustus 2011, bij de Sierra Leoonse autoriteiten te vragen naar de stand van zaken met betrekking tot het plannen van een presentatiedatum.In de omstandigheid dat er nog geen presentatiedatum bekend is, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder de mogelijkheid had om de presentatie eerder plaats te laten vinden en dat verweerder dit desondanks heeft nagelaten. Beroep ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Sierra Leone
    • Rechtbank Den Haag
    • Paspoortvereiste
    • Vreemdelingendetentie/vreemdelingenbewaring
    • Paspoortvereiste
    • Nederlands
  6. Language Dutch 80 reads Court of Noord-Nederland Uit de verklaringen van eiseres valt niet af te leiden dat het voor eiseres niet mogelijk was om gedurende de reis naar Nederland de reisagent te vragen naar de gebruikte reispapieren. Op basis van de verkl ...

    Uit de verklaringen van eiseres valt niet af te leiden dat het voor eiseres niet mogelijk was om gedurende de reis naar Nederland de reisagent te vragen naar de gebruikte reispapieren. Op basis van de verklaringen van eiseres kan niet worden geconcludeerd dat sprake was van (een situatie van) dwang. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onder deze omstandigheden in redelijkheid het ontbreken van reispapieren aan eiseres toegerekend.Volgens rechtspraak van het EHRM (St. Kitts, nr. 146/1996/767/964 op 2 mei 1997, en Bensaid 44599/98 op 6 februari 2001, en N. t. VK 26565/05 op 27 mei 2008) kan uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten vreemdeling, onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land, waarnaar wordt uitgezet, leiden tot schending van art. 3 EVRM.De rechtbank overweegt dat uit de door eiseres overgelegde medische gegevens niet volgt dat de klachten die eiseres heeft, een ziekte betreffen die zich in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium bevindt (uitspraak Afdeling 8 november 2005 zaak nr. 200507278/1/).Uit de rechtspraak van EHRM kan niet worden afgeleid dat bij de beoordeling van de medische toestand mede speculaties over mogelijke toekomstige belemmeringen van de toegang tot de noodzakelijke zorg moeten worden betrokken. Verweerder heeft derhalve op goede gronden geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om in het onderhavige geval onderzoek door het BMA te laten verrichten.Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat geen vbt-regulier met als doel ‘verblijf als amv’ wordt verleend, omdat eiseres een mogelijk onderzoek naar de opvangmogelijkheden in haar land van herkomst frustreert. Nu is geoordeeld dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat eiseres vage en summiere verklaringen heeft afgelegd over haar moeder, over haar familie en over de vriend en zijn gezin, is de rb van oordeel dat verweerder terecht niet ambtshalve een verblijfsvergunning op grond van het minderjarigenbeleid aan eiseres heeft verleend. Beroep ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Noord-Nederland
    • Minderjarigen / Kinderhandel
    • Paspoortvereiste
    • Alleenstaande Minderjarige Asielzoeker (AMA)
    • Asielprocedure
    • Ongedocumenteerden
    • Paspoortvereiste
    • Nederlands
  7. Language Dutch 48 reads Court of Rotterdam Beroep van vreemdeling tegen het besluit van 1 juli 2011. Niet in geschil is dat vreemdeling niet langer in aanmerking komt voor vbt-regulier als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 onder beperking 'vervolging men ...

    Beroep van vreemdeling tegen het besluit van 1 juli 2011. Niet in geschil is dat vreemdeling niet langer in aanmerking komt voor vbt-regulier als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 onder beperking 'vervolging mensenhandel' en deze verblijfsvergunning terecht met ingang van 18 maart 2010 is ingetrokken. Noch is in geschil dat vreemdeling op grond van de artikelen 3.50 en 3.51 Vb 2000 niet in aanmerking komt voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning. Slechts de toepassing van art. 3.52 Vb 2000 is aan de orde.De hierin gegeven bevoegdheid biedt de minister grote mate van beleids- en beoordelingsvrijheid, waardoor de rechtbank slechts marginaal kan toetsen. De rechtbank overweegt dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hetgeen vreemdeling heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden ex art. 3.52 Vb 2000. Het feit dat vreemdeling één jaar en twee maanden van de vier jaar en vier maanden dat hij in Nederland is, rechtmatig in Nederland is, vormt volgens de rechtbank geen klemmende reden op grond waarvan de minister voortgezet verblijf had moeten toestaan.De rechtbank overweegt verder dat, nog daargelaten dat uit ministers beleid volgt dat medische en psychische omstandigheden op zichzelf onvoldoende zijn om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning voortgezet verblijf, vreemdeling deze medische en psychische omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt. Tot slot overweegt de rechtbank dat een beroep op art. 8 EVRM niet kan slagen omdat vreemdeling niet heeft aangetoond dat er sprake is van gezinsleven. Beroep vreemdeling ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Rotterdam
    • Voortgezet verblijf
    • Klemmende redenen van humanitaire aard
    • Artikel 8 EVRM
    • Voortgezet verblijf
    • Nederlands