• Artikel 8 EVRM
  • 2011
Resultaten 1 - 4 van totaal 4 resultaten
  1. Language Dutch 48 reads Court of Rotterdam Beroep van vreemdeling tegen het besluit van 1 juli 2011. Niet in geschil is dat vreemdeling niet langer in aanmerking komt voor vbt-regulier als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 onder beperking 'vervolging men ...

    Beroep van vreemdeling tegen het besluit van 1 juli 2011. Niet in geschil is dat vreemdeling niet langer in aanmerking komt voor vbt-regulier als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 onder beperking 'vervolging mensenhandel' en deze verblijfsvergunning terecht met ingang van 18 maart 2010 is ingetrokken. Noch is in geschil dat vreemdeling op grond van de artikelen 3.50 en 3.51 Vb 2000 niet in aanmerking komt voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning. Slechts de toepassing van art. 3.52 Vb 2000 is aan de orde.De hierin gegeven bevoegdheid biedt de minister grote mate van beleids- en beoordelingsvrijheid, waardoor de rechtbank slechts marginaal kan toetsen. De rechtbank overweegt dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hetgeen vreemdeling heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden ex art. 3.52 Vb 2000. Het feit dat vreemdeling één jaar en twee maanden van de vier jaar en vier maanden dat hij in Nederland is, rechtmatig in Nederland is, vormt volgens de rechtbank geen klemmende reden op grond waarvan de minister voortgezet verblijf had moeten toestaan.De rechtbank overweegt verder dat, nog daargelaten dat uit ministers beleid volgt dat medische en psychische omstandigheden op zichzelf onvoldoende zijn om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning voortgezet verblijf, vreemdeling deze medische en psychische omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt. Tot slot overweegt de rechtbank dat een beroep op art. 8 EVRM niet kan slagen omdat vreemdeling niet heeft aangetoond dat er sprake is van gezinsleven. Beroep vreemdeling ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Rotterdam
    • Voortgezet verblijf
    • Artikel 8 EVRM
    • Voortgezet verblijf
    • Klemmende redenen van humanitaire aard
    • Nederlands
  2. Language Dutch 60 reads Court of Noord-Nederland Beroep vreemdeling tegen intrekking (AWB 10/846) en afwijzing (AWB 11/370) van de aanvraag van een uitkering ingevolge de Wwb. En beroep tegen het besluit van verweerder dat eiseres niet in aanmerking komt ...

    Beroep vreemdeling tegen intrekking (AWB 10/846) en afwijzing (AWB 11/370) van de aanvraag van een uitkering ingevolge de Wwb. En beroep tegen het besluit van verweerder dat eiseres niet in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang o.g.v. de Wmo (AWB 11/545).Verweerder heeft het recht van eiseres op een bijstandsuitkering met ingang van 1 juli 2010 ingetrokken. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de feitelijke grondslag van het bestreden besluit onjuist is. De uitkering van eiseres had met ingang van 25 november 2010 ingetrokken moeten worden. Reeds om die reden is het beroep (10/846) gegrond.De rechtbank concludeert uit de uitspraak van de CRvB van 19 april 2010 dat ook in dit geval niet de Wwb maar de Wmo het primaire wettelijk kader is om de hulpvraag van eiseres te beoordelen. Het vorenstaande leidt er in de procedure met nummer 10/846 toe dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen waarin de datum van intrekking van de bijstandsuitkering wordt herzien. Het beroep in de procedure met nr. 11/370 wordt ongegrond verklaard.De rechtbank is voorts van oordeel dat het zoontje van eiseres, gelet op zijn leeftijd, tot de categorie van kwetsbare personen behoort die gezien art. 8 EVRM i.h.b. recht hebben op bescherming van hun privé- en gezinsleven. Als hij dakloos zou worden zou dat naar het oordeel van de rb tot gevolg hebben dat de normale ontwikkelen van zijn privé- en gezinsleven onmogelijk wordt gemaakt en is er sprake van een zodanige aantasting van de “very essence” van art. 8 EVRM dat er een positieve verplichting op de Staat rust om te voorzien in een voor eiseres en haar zoontje – gezien zijn leeftijd is hij immers onbetwist afhankelijk van zijn moeder – adequate opvang. Dat eiseres en haar zoontje thans geen rechtmatig verblijf hebben doet aan het vorenstaande niet af.Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van adequate opvang voor eiseres en haar zoontje in de VBL. Dat een dergelijke maatregel aan eiseres zal worden opgelegd is naar het oordeel van de rb echter onvoldoende vast komen te staan, de enkele mondelinge toezegging van de regievoerder van de DT&V aan verweerder dat dat zal gebeuren zodra eiseres in de VBL geplaatst wordt acht de rechtbank onvoldoende. Dientengevolge is ook onvoldoende duidelijk of eiseres in de VBL dan wel een gezinslocatie geplaatst kan worden, zodat de rechtbank aan de vraag of opvang daar adequaat is en kan gelden als een vovo niet toekomt.Beroep(11/545) is gegrond. Verweerder dient een besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Vovo getroffen zodat eiseres en haar zoontje toegelaten worden tot de maatschappelijk opvang vanaf 6 december 2011 tot zes weken na de datum waarop verweerder een besluit op bezwaar aan eiseres zal hebben bekendgemaakt. N.B. vovo in hoger beroep toegewezen (14 maart 2012 – 12/983 WWB+VV).

    Jurisprudentie

    • Sociaal zekerheidsrecht
    • Rechtbank Noord-Nederland
    • Artikel 8 EVRM
    • Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
    • Wet Werk en Bijstand (WWB)
    • Nederlands
  3. Language Dutch 69 reads Court of Amsterdam Beroep van de vreemdelingen tegen afwijzing tot toekenning van verstrekkingen in het kader van de Rva 2005. De rechtbank oordeelt dat COA noch in het bestreden besluit noch in het verweerschrift is ingegaan op he ...

    Beroep van de vreemdelingen tegen afwijzing tot toekenning van verstrekkingen in het kader van de Rva 2005. De rechtbank oordeelt dat COA noch in het bestreden besluit noch in het verweerschrift is ingegaan op hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd met betrekking tot artikel 3 EVRM in samenhang met de zaak M.S.S (30696/09).COA heeft zich op het standpunt gesteld dat de enkele omstandigheid dat vreemdeling geen onderdak of eten heeft, niet in strijd is met artikel 3 EVRM. Hierbij verwijst COA naar uitspraken van de Afdeling en naar het arrest N. tegen VK (26565/05). De rechtbank constateert dat al deze uitspraken, met uitzondering van één uitspraak, vóór het arrest M.S.S dateren.In de uitspraak van 15 april 2011 heeft de Afdeling geen oordeel gegeven over voormeld arrest van het EHRM. Hierbij merkt de rechtbank op dat eiseres wel degelijk al bij haar aanvraag om opvang een beroep heeft gedaan op artikel 3 EVRM, waardoor het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en 3:46 Awb.Met betrekking tot artikel 8 EVRM is de rechtbank van oordeel dat de vreemdelingen behoren tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 EVRM recht hebben op bescherming. De rechtbank verwijst daarbij naar het door eiseres overgelegde psychologische rapport van PsyQ van 2010/2011, waaruit blijkt dat de vreemdeling is gediagnosticeerd met Post Traumatische Stress Stoornis. Volgens het rapport is voor de vreemdeling van belang om samen met haar dochter een vaste woonplek te hebben en een vaste werk/dagstructuur.De rechtbank is van oordeel dat de Nederlandse Staat heeft ingegrepen in het familie-en gezinsleven van vreemdelingen door het kind te plaatsen in een tijdelijke noodopvang. Als dochter en moeder gescheiden worden en het kind in een pleeggezin opgevangen wordt, is dit niet in het belang van zowel de moeder als kind. Beroep gegrond. (JV 2012/104) (Zie UPdate 2012, nr. 5, met opmerking)

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Amsterdam
    • Belang van het kind
    • Artikel 3 EVRM
    • Artikel 8 EVRM
    • Opvang
    • Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva)
    • Nederlands
  4. Language Dutch 68 reads Court of Amsterdam Beroep vreemdeling tegen de afwijzing van de aanvraag om bijstand voor woonkosten op grond van de WWB. Eiseres heeft vanaf 10 augustus 2010 rechtmatig verblijf als bedoeld in art. 8, aanhef en onder f, Vw. Op 26 ...

    Beroep vreemdeling tegen de afwijzing van de aanvraag om bijstand voor woonkosten op grond van de WWB. Eiseres heeft vanaf 10 augustus 2010 rechtmatig verblijf als bedoeld in art. 8, aanhef en onder f, Vw.Op 26 september 2010 heeft eiseres bijstand aangevraagd voor woonkosten vanaf 26 juli 2010. Desgevraagd heeft eiseres bij brief van 18 oktober 2010 meegedeeld dat zij tot 30 september 2010 geen woonkosten had en dat deze vanaf die datum € 300,- per maand bedragen. Deze aanvraag is door verweerder afgewezen. Daartegen is namens eiseres bezwaar gemaakt.Blijkens het verslag van de hoorzitting beperkt het bezwaar zich tot de periode van 26 juli 2010 tot 10 augustus 2010. Of de aanspraak op bijstand voor woonkosten ook bestaat vanaf 10 augustus dient in dit geding buiten beschouwing te blijven. De rechtbank stelt vast dat door eiseres uitdrukkelijk is erkend dat gedurende de in dit geding relevante periode feitelijk geen sprake was van woonkosten. Reeds op die grond kan de door verweerder gehandhaafde weigering om bijstand te verlenen voor die kosten de rechterlijke toetsing doorstaan. De gestelde kwetsbare positie van eiseres (en haar kinderen) leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit strijdt met art. 8 EVRM. Beroep vreemdeling ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Sociaal zekerheidsrecht
    • Rechtbank Amsterdam
    • Artikel 8 EVRM
    • Wet Werk en Bijstand (WWB)
    • Nederlands