• Rechtbank Rotterdam
  • 2011
Resultaten 1 - 4 van totaal 4 resultaten
  1. Language Dutch 45 reads Court of Rotterdam Verdachte wordt vrijgesproken van mensenhandel door middel van de loverboymethode. ECLI:NL:RBROT:2011:BP0951 Instantie Rechtbank Rotterdam Datum uitspraak 17-01-2011 Datum publicatie 17-01-2011 Zaaknummer 10/7501 ...

    Verdachte wordt vrijgesproken van mensenhandel door middel van de loverboymethode.

    Jurisprudentie

    • Strafrecht
    • Rechtbank Rotterdam
    • Strafrecht
    • Mensenhandel
    • Loverboy
    • Nederlands
  2. Language Dutch 55 reads Court of Rotterdam Verdachte wordt vrijgesproken van mensenhandel door gebruikmaking van de zogenaamde loverboymethode. ECLI:NL:RBROT:2011:BP0946 Instantie Rechtbank Rotterdam Datum uitspraak 17-01-2011 Datum publicatie 17-01-2011 ...

    Verdachte wordt vrijgesproken van mensenhandel door gebruikmaking van de zogenaamde loverboymethode.

    Jurisprudentie

    • Strafrecht
    • Rechtbank Rotterdam
    • Strafrecht
    • Mensenhandel
    • Loverboy
    • Nederlands
  3. Language Dutch 48 reads Court of Rotterdam Beroep van vreemdeling tegen het besluit van 1 juli 2011. Niet in geschil is dat vreemdeling niet langer in aanmerking komt voor vbt-regulier als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 onder beperking 'vervolging men ...

    Beroep van vreemdeling tegen het besluit van 1 juli 2011. Niet in geschil is dat vreemdeling niet langer in aanmerking komt voor vbt-regulier als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 onder beperking 'vervolging mensenhandel' en deze verblijfsvergunning terecht met ingang van 18 maart 2010 is ingetrokken. Noch is in geschil dat vreemdeling op grond van de artikelen 3.50 en 3.51 Vb 2000 niet in aanmerking komt voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning. Slechts de toepassing van art. 3.52 Vb 2000 is aan de orde.De hierin gegeven bevoegdheid biedt de minister grote mate van beleids- en beoordelingsvrijheid, waardoor de rechtbank slechts marginaal kan toetsen. De rechtbank overweegt dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hetgeen vreemdeling heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden ex art. 3.52 Vb 2000. Het feit dat vreemdeling één jaar en twee maanden van de vier jaar en vier maanden dat hij in Nederland is, rechtmatig in Nederland is, vormt volgens de rechtbank geen klemmende reden op grond waarvan de minister voortgezet verblijf had moeten toestaan.De rechtbank overweegt verder dat, nog daargelaten dat uit ministers beleid volgt dat medische en psychische omstandigheden op zichzelf onvoldoende zijn om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning voortgezet verblijf, vreemdeling deze medische en psychische omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt. Tot slot overweegt de rechtbank dat een beroep op art. 8 EVRM niet kan slagen omdat vreemdeling niet heeft aangetoond dat er sprake is van gezinsleven. Beroep vreemdeling ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Rotterdam
    • Voortgezet verblijf
    • Klemmende redenen van humanitaire aard
    • Artikel 8 EVRM
    • Voortgezet verblijf
    • Nederlands
  4. 74 reads Court of Rotterdam Language Dutch Beroep van eiser van Sierra Leonese afkomst tegen de maatregel van bewaring. Het betoog van eiser dat hij onrechtmatig is staandegehouden slaagt niet. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 5 maar ...

    Beroep van eiser van Sierra Leonese afkomst tegen de maatregel van bewaring. Het betoog van eiser dat hij onrechtmatig is staandegehouden slaagt niet. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2010 (LJN BL7419) oordeelt de rechtbank de informatie verkregen uit het politieonderzoek in december 2010 ten tijde van de staandehouding van eiser voldoende was voor een, naar objectieve maatstaven gemeten, redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de staandehouding van eiser rechtmatig was.Eiser stelt dat de gronden voor de maatregel deze niet kunnen dragen. Verweerder stelt dat er aanwijzingen zijn om te vermoeden dat eiser zich aan de uitzetting zal onttrekken, hetgeen volgens verweerder blijkt uit de omstandigheden dat eiser: (a) geen identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 Vb bezit, (b) geen vaste woon-of verblijfplaats heeft, (c) zich niet heeft aangemeld bij de korpschef, (d) eerder niet rechtmatig in Nederland verbleef en (e) onvoldoende middelen van bestaan heeft. De omstandigheden als hiervoor genoemd onder (c) en (d) zijn niet bestreden door eiser.Dit is voor de rechtbank voldoende om te oordelen dat voldaan is aan art. 15 lid 1(b) Tri. Met betrekking tot het feit dat eiser minderjarig is, oordeelt de rechtbank dat niet is gebleken dat er buiten de jeugdinrichting waar hij momenteel verblijft voor hem opvang beschikbaar is die hem de benodigde zorg en bescherming kan bieden en waar de kans op onttrekkingsgevaar minimaal is. Gelet hierop kan niet gezegd worden dat verweerder in strijd met art. 17 lid 1 Tri of paragraaf A6/1.5 Vc heeft gehandeld. Beroep ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Sierra Leone
    • Rechtbank Rotterdam
    • Minderjarigen / Kinderhandel
    • Minderjarige
    • Vreemdelingendetentie/vreemdelingenbewaring
    • Nederlands