Organisatie

  • Rechtbank Amsterdam
  • 2011
Resultaten 1 - 6 van totaal 6 resultaten
  1. Language Dutch 51 reads Court of Amsterdam Verdachte wordt veroordeeld voor mensenhandel van iemand die de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt. ECLI:NL:RBAMS:2011:BU3396 Instantie Rechtbank Amsterdam Datum uitspraak 23-09-2011 Datum publicatie 04 ...

    Verdachte wordt veroordeeld voor mensenhandel van iemand die de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt.

    Jurisprudentie

    • Strafrecht
    • Rechtbank Amsterdam
    • Strafrecht
    • Mensenhandel
    • Minderjarige
    • Nederlands
  2. Language Dutch 69 reads Court of Amsterdam Beroep van de vreemdelingen tegen afwijzing tot toekenning van verstrekkingen in het kader van de Rva 2005. De rechtbank oordeelt dat COA noch in het bestreden besluit noch in het verweerschrift is ingegaan op he ...

    Beroep van de vreemdelingen tegen afwijzing tot toekenning van verstrekkingen in het kader van de Rva 2005. De rechtbank oordeelt dat COA noch in het bestreden besluit noch in het verweerschrift is ingegaan op hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd met betrekking tot artikel 3 EVRM in samenhang met de zaak M.S.S (30696/09).COA heeft zich op het standpunt gesteld dat de enkele omstandigheid dat vreemdeling geen onderdak of eten heeft, niet in strijd is met artikel 3 EVRM. Hierbij verwijst COA naar uitspraken van de Afdeling en naar het arrest N. tegen VK (26565/05). De rechtbank constateert dat al deze uitspraken, met uitzondering van één uitspraak, vóór het arrest M.S.S dateren.In de uitspraak van 15 april 2011 heeft de Afdeling geen oordeel gegeven over voormeld arrest van het EHRM. Hierbij merkt de rechtbank op dat eiseres wel degelijk al bij haar aanvraag om opvang een beroep heeft gedaan op artikel 3 EVRM, waardoor het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en 3:46 Awb.Met betrekking tot artikel 8 EVRM is de rechtbank van oordeel dat de vreemdelingen behoren tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 EVRM recht hebben op bescherming. De rechtbank verwijst daarbij naar het door eiseres overgelegde psychologische rapport van PsyQ van 2010/2011, waaruit blijkt dat de vreemdeling is gediagnosticeerd met Post Traumatische Stress Stoornis. Volgens het rapport is voor de vreemdeling van belang om samen met haar dochter een vaste woonplek te hebben en een vaste werk/dagstructuur.De rechtbank is van oordeel dat de Nederlandse Staat heeft ingegrepen in het familie-en gezinsleven van vreemdelingen door het kind te plaatsen in een tijdelijke noodopvang. Als dochter en moeder gescheiden worden en het kind in een pleeggezin opgevangen wordt, is dit niet in het belang van zowel de moeder als kind. Beroep gegrond. (JV 2012/104) (Zie UPdate 2012, nr. 5, met opmerking)

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Amsterdam
    • Opvang
    • Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva)
    • Belang van het kind
    • Artikel 3 EVRM
    • Artikel 8 EVRM
    • Nederlands
  3. Language Dutch 72 reads Court of Amsterdam Op 10 juli 2011 is eiseres op grond van artikel 3 Vw op de luchthaven Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van eiseres is op dezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artike ...

    Op 10 juli 2011 is eiseres op grond van artikel 3 Vw op de luchthaven Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van eiseres is op dezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 lid 1 en 2 Vw toegepast.De rechtsgronden aanvullend overweegt de rechtbank dat in dit geval de Terugkeerrichtlijn van toepassing is. Uit artikel 15 lid 1 aanhef en onder b Terugkeerrichtlijn vloeit voort dat alvorens tot oplegging van de maatregelen kan worden overgegaan, onderzocht dient te worden of een minder dwingende maatregel dan detentie doeltreffend kan worden toegepast om de verwijdering van een illegaal verblijvende vreemdeling te verzekeren.De ABRvS heeft in haar uitspraak van 29 juni 2011 (LJN: BR0158) overwogen dat de uitspraak van de ABRvS van 28 oktober 2004 (LJN: AR5859) niet tot de conclusie leidt dat een lichter middel kan worden toegepast, zonder dat daarmee het grensbewakingsbelang wordt prijsgegeven. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter uit de omstandigheid dat verweerder met het toepassen van het lichter middel het grensbewakingsbelang prijsgeeft niet zonder meer worden afgeleid dat een lichter middel niet doeltreffend kan worden toegepast. De vraag of een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast moet immers worden beantwoord in het licht van de doelstelling van de Terugkeerrichtlijn.Uit punt 2 van de considerans van de Terugkeerrichtlijn blijkt dat deze doelstelling is het ontwikkelen van een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid, zodat mensen op een humane manier, met volledige eerbiediging van hun grondrechten en waardigheid, teruggezonden worden. Niet valt in te zien dat deze doelstelling in dit geval niet met het opleggen van een lichter middel, zoals een meldplicht had kunnen worden bereikt. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiseres direct bij haar inreis om asiel heeft gevraagd. Gelet daarop kan naar het oordeel van de rb niet staande worden gehouden dat eiseres de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. Beroep gegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Amsterdam
    • Asielprocedure
    • Vreemdelingendetentie/vreemdelingenbewaring
    • Nederlands
  4. Language Dutch 87 reads Court of Amsterdam Beroep van de vreemdeling tegen afgewezen vbt-asiel. Volgens de rechtbank heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat zij enkel vanwege het behoren tot een bepaalde sociale groep, namelijk die van minder op ...

    Beroep van de vreemdeling tegen afgewezen vbt-asiel. Volgens de rechtbank heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat zij enkel vanwege het behoren tot een bepaalde sociale groep, namelijk die van minder opgeleide, arme en jonge Mongoolse vrouwen, gegronde vrees heeft voor vervolging.Ten aanzien van deze groep kan niet worden gesproken van een discriminatoire vervolging waartegen het Vluchtelingenverdrag beoogt te beschermen. Er is immers niet gesteld en evenmin gebleken dat de mensenhandelaren die de vreemdeling stelt te vrezen deel uitmaken van de autoriteiten van het land van herkomst, laat staan dat ze namens die autoriteiten zouden optreden.Ook is niet gesteld of gebleken dat er sprake is van een situatie waarin het handelen van de mensenhandelaren bewust is getolereerd door die autoriteiten of dat die autoriteiten weigeren de vreemdeling daartegen te beschermen.Verder oordeelt de rechtbank dat de Minister op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling tegen eventuele represailles van de kant van de mensenhandelaren de bescherming had kunnen inroepen van de autoriteiten. Dat de door de vreemdeling overgelegde informatie weliswaar blijkt dat het overheidsapparaat niet vlekkeloos werkt en dat sprake is van corruptie bij de overheid, volgt niet dat het bij voorbaat kansloos is om de bescherming van de autoriteiten in te roepen.Tot slot oordeelt dat het causaal verband tussen de aangevoerde klemmende redenen van humanitaire aard en het uiteindelijke vertrek uit het land van herkomst ontbreekt, waardoor het beroep op de c-grond van artikel 29, eerste lid Vw 2000 faalt. Beroep ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Mongolië
    • Rechtbank Amsterdam
    • Asielprocedure
    • Bescherming autoriteiten
    • Nederlands
  5. 93 reads Court of Amsterdam Language Dutch Eiseres is vanuit Italië naar Nederland gereisd. Nadat zij op 28 juli 2009 aangifte had gedaan van mensenhandel is op 6 augustus 2009 het Dublinbesluit van 29 april 2009 ingetrokken. Niet in geschil is dat eisere ...

    Eiseres is vanuit Italië naar Nederland gereisd. Nadat zij op 28 juli 2009 aangifte had gedaan van mensenhandel is op 6 augustus 2009 het Dublinbesluit van 29 april 2009 ingetrokken. Niet in geschil is dat eiseres in Italië een andere dan haar eigen naam en een onjuiste geboortedatum heeft opgegeven. Ook staat vast dat eiseres na indiening van haar asielaanvraag in Nederland aanvankelijk heeft verzwegen en ontkend dat zij in Italië heeft verbleven. De rechtbank oordeelt dat verweerder het voorgaande in redelijkheid aan eiseres kon tegenwerpen.Aangaande het beroep van eiseres op art. 15c DRi oordeelt de rechtbank dat niet in geschil is dat ten tijde van het bestreden besluit sprake was van een situatie als bedoeld in art. 3.105d Vb, waarin de inhoud van de verleende bescherming uit art. 15c DRi ten tijde van het bestreden besluit was opgenomen. Verweerder heeft de aanvraag niet zonder meer zonder nader onderzoek naar de door eiseres gestelde herkomst kunnen afdoen.De enkele overweging dat identiteit onlosmakelijk is verbonden met nationaliteit is daartoe onvoldoende, nu twijfel aan de identiteit en /of nationaliteit niet noodzakelijkerwijs met zich meebrengt dat de herkomst van de vreemdeling ongeloofwaardig is. Overigens heeft verweerder ter zitting verklaard niet expliciet aan de door eiseres gestelde nationaliteit te twijfelen.Verweerder heeft op geen enkele wijze, zoals te doen gebruikelijk, door het stellen van herkomstvragen, onderzocht of de gestelde herkomst van eiseres al dan niet geloofwaardig is. Van de situatie dat eiseres iedere mogelijkheid aan verweerder heeft ontnomen om nader onderzoek te doen naar haar herkomst – waarvan sprake was in ABRvS 26 augustus 2009 (9200905228) – is geen sprake. Ook anderszins heeft verweerder niet gemotiveerd waarom gedwongen terugkeer naar Somalië – gelet op de uitzonderlijke geweldssituatie in Mogadishu - geen schending van art. 3 EVRM oplevert. Beroep gegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Somalië
    • Rechtbank Amsterdam
    • Minderjarigen / Kinderhandel
    • Identiteit en nationaliteit
    • Minderjarige
    • Asielprocedure
    • Geloofwaardigheid
    • Nederlands
  6. Language Dutch 68 reads Court of Amsterdam Beroep vreemdeling tegen de afwijzing van de aanvraag om bijstand voor woonkosten op grond van de WWB. Eiseres heeft vanaf 10 augustus 2010 rechtmatig verblijf als bedoeld in art. 8, aanhef en onder f, Vw. Op 26 ...

    Beroep vreemdeling tegen de afwijzing van de aanvraag om bijstand voor woonkosten op grond van de WWB. Eiseres heeft vanaf 10 augustus 2010 rechtmatig verblijf als bedoeld in art. 8, aanhef en onder f, Vw.Op 26 september 2010 heeft eiseres bijstand aangevraagd voor woonkosten vanaf 26 juli 2010. Desgevraagd heeft eiseres bij brief van 18 oktober 2010 meegedeeld dat zij tot 30 september 2010 geen woonkosten had en dat deze vanaf die datum € 300,- per maand bedragen. Deze aanvraag is door verweerder afgewezen. Daartegen is namens eiseres bezwaar gemaakt.Blijkens het verslag van de hoorzitting beperkt het bezwaar zich tot de periode van 26 juli 2010 tot 10 augustus 2010. Of de aanspraak op bijstand voor woonkosten ook bestaat vanaf 10 augustus dient in dit geding buiten beschouwing te blijven. De rechtbank stelt vast dat door eiseres uitdrukkelijk is erkend dat gedurende de in dit geding relevante periode feitelijk geen sprake was van woonkosten. Reeds op die grond kan de door verweerder gehandhaafde weigering om bijstand te verlenen voor die kosten de rechterlijke toetsing doorstaan. De gestelde kwetsbare positie van eiseres (en haar kinderen) leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit strijdt met art. 8 EVRM. Beroep vreemdeling ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Sociaal zekerheidsrecht
    • Rechtbank Amsterdam
    • Artikel 8 EVRM
    • Wet Werk en Bijstand (WWB)
    • Nederlands