• Verblijfsrecht
  • Asielprocedure
  • 2013

Door MHW geduid als zeer belangrijk

Resultaten 1 - 5 van totaal 5 resultaten
  1. Language Dutch 46 reads States Council (Dutch) Zowel staatssecretaris als de vreemdeling gaan in beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris heeft zowel de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel als een verblijfsvergunning regulier ...

    Zowel staatssecretaris als de vreemdeling gaan in beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris heeft zowel de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel als een verblijfsvergunning regulier afgewezen. De staatssecretaris oordeelde dat haar asielrelaas een positieve overtuigingskracht mist. De Raad van State gaat hierin mee. Met betrekking tot de verblijfsvergunning regulier oordeelt de Raad van State:'Het betoog van de vreemdeling dat de staatssecretaris ten onrechte heeft geweigerd haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'vervolging van mensenhandel' te verlenen, kan niet worden gevolgd. Nu de vreemdeling geen aangifte heeft gedaan, voldoet zij reeds daarom niet aan de in paragraaf B9/2 van de Vc 2000 gestelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor verlening van deze verblijfsvergunning.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Verblijfsrecht
    • Positieve overtuigingskracht
    • Aangifte
    • B8/3
    • Psychologisch onderzoek
    • Asielprocedure
    • Medische omstandigheden
    • Nederlands
  2. 94 reads Court of Oost-Brabant Language Dutch Beroep gegrond. Naar oordeel van de voorzieningenrechter heeft de staatssecretaris het risico dat de vreemdeling als slachtoffer van mensenhandel loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM bij terug ...

    Beroep gegrond. Naar oordeel van de voorzieningenrechter heeft de staatssecretaris het risico dat de vreemdeling als slachtoffer van mensenhandel loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM bij terugkeer naar Guinee, niet bij de besluitvorming betrokken. In zoverre is het bestreden besluit dan ook onvoldoende gemotiveerd.Voor zover verzoekster voorts heeft betoogd dat zij thans behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep en daarom thans in aanmerking zou komen voor de aangevraagde verblijfsvergunning overweegt de voorzieningenrechter dat het beleid zoals opgenomen in C7/12.4.3 Vc 2000 niet onredelijk is dat dit beleid daarom tot uitgangspunt wordt genomen. De voorzieningenrechter stelt, onder verwijzing naar paragraaf C7/12.4.3 Vc 2000, vast dat in het landgebonden asielbeleid betreffende Guinee alleenstaande vrouwen niet zijn aangewezen als kwetsbare minderheidsgroep.De voorzieningenrechter ziet, mede gezien de beschikbare landeninformatie van Guinee, geen reden om te oordelen dat de vreemdeling in weerwil van het landgebonden asielbeleid zou moeten worden gerekend tot een kwetsbare minderheidsgroep.De voorzieningenrechter oordeelt voorts dat, nu de vreemdeling ten tijde van het bestreden besluit geen aangifte had gedaan of op andere wijze medewerking had verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek in dit verband, zij niet voldoet aan de in paragraaf B8.3 van de Vc 2000 neergelegde voorwaarden.Niet aannemelijk is dat de vreemdeling onvoldoende gelegenheid heeft gehad tot het doen van aangifte, te meer nu ook de gemachtigde van verzoekster aangifte van het gestelde misdrijf had kunnen doen. De voorzieningenrechter oordeelt dat het beroep op artikel 4 EVRM niet kan slagen. Het beleid uit paragraaf B8.3 Vc 2000 voorziet reeds in bescherming van mogelijke slachtoffers van mensenhandel in Nederland en de staatssecretaris dit reeds voldoende gemotiveerd bij de besluitvorming heeft betrokken.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Guinee
    • Rechtbank Oost-Brabant
    • B8/3
    • Artikel 4 EVRM
    • Asielprocedure
    • Artikel 3 EVRM
    • Nederlands
  3. 115 reads Court of Oost-Brabant Language Dutch Beroep ongegrond. De vreemdeling voert aan dat zij in Nederland huishoudelijke werkzaamheden heeft verricht voor mevrouw 1. In het huis is na mishandelingen een kind overleden. De vreemdeling stelt niet terug ...

    Beroep ongegrond. De vreemdeling voert aan dat zij in Nederland huishoudelijke werkzaamheden heeft verricht voor mevrouw 1. In het huis is na mishandelingen een kind overleden. De vreemdeling stelt niet terug te kunnen keren naar India, nu mevrouw 1 aldaar vele contacten heeft.De rechtbank overweegt dat de algemene veiligheids- en mensenrechtensituatie in India niet zodanig is dat iedere asielzoeker afkomstig uit India zonder meer als vluchteling dient te worden aangemerkt. Voort is niet gebleken dat de vreemdeling afkomstig is uit een land waarin zich de in art. 29 onder b Vw bedoelde uitzonderlijke situatie voordoet.De rechtbank overweegt voorts dat de verklaringen van de vreemdeling over de te verwachten problemen in India te onduidelijk en summier zijn. De gestelde invloedrijkheid van de familie van mevrouw 1 is niet geconcretiseerd. Nu de door de vreemdeling gestelde uitbuitingssituatie zich in Nederland heeft voorgedaan, kan het beroep op art. 4 EVRM de vreemdeling niet baten.Daarnaast heeft de ongewenstverklaring van de vreemdeling tot gevolg dat zij ingevolge art. 67 lid 3 Vw geen rechtmatig verblijf kan hebben en dat een toetsing van de aanspraak op een verblijfsvergunning in het kader van paragraaf B9 Vc eerst aan de orde is als het besluit tot ongewenstverklaring wordt vernietigd of ingetrokken. De staatssecretaris hoefde bij de besluitvorming daarom geen kennis te nemen van de stukken in de strafzaak van mevrouw 1.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • India
    • Rechtbank Oost-Brabant
    • B8/3
    • Ongewenstverklaring
    • Artikel 4 EVRM
    • Asielprocedure
    • Artikel 3 EVRM
    • Geloofwaardigheid
    • Nederlands
  4. Language Dutch 105 reads Court of Noord-Nederland Beroep ongegrond. Het relaas van de vrouw is er op gebaseerd dat zij als serveerster in een restaurant in de problemen is gekomen toen bepaalde personen ruzie kregen met de baas van het restaurant. Onder d ...

    Beroep ongegrond. Het relaas van de vrouw is er op gebaseerd dat zij als serveerster in een restaurant in de problemen is gekomen toen bepaalde personen ruzie kregen met de baas van het restaurant. Onder druk van een rechercheur zou zij een valse verklaring over het gebeuren bij de politie hebben afgelegd. Hierna zou zij bedreigd zijn door een van de betrokken partijen. Ook vreest zij voor de politie.De staatssecretaris acht haar toerekenbaar ongedocumenteerd. De rechtbank is met de staatssecretaris van oordeel dat het relaas positieve overtuigingskracht mist. De staatssecretaris heeft uit openbare bronnen kunnen vernemen dat de oorspronkelijke verklaring over de toedracht van de ruzie niet klopt. Ook is door de staatssecretaris ter zitting nog een artikel overgelegd met dezelfde strekking. Het moeten afleggen van een valse verklaring wordt dan ook niet aannemelijk geacht, waardoor ook de bedreiging ongeloofwaardig wordt.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Noord-Nederland
    • Paspoortvereiste
    • Asielprocedure
    • Identiteit en nationaliteit
    • Identiteitsdocument
    • Nederlands
  5. Taal Nederlands 8 Rechtbank Gelderland Beroep ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling van de militairen staat. Gelet op het voorgaande heeft de staatssec ...

    Beroep ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling van de militairen staat. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris de vreemdeling terecht niet in aanmerking gebracht voor een vergunning o.g.v. Art.29 lid 1 sub a en b Vw.Wat betreft het traumatabeleid is de rechtbank van oordeel dat nu de vreemdeling na de dood van zijn vader nog jaren in Kinshasa heeft gewoond en ook na het verblijf in het militaire kamp nog in Kinshasa is verbleven en hij voorts niet heeft aangetoond dat hij zich na de traumatische gebeurtenissen niet staande heeft weten te houden, de staatssecretaris in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit de vreemdeling niet in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 lid 1 onder c Vw. Een causaal verband tussen de gebeurtenissen en het vertrek uit het land van herkomst zijn niet aannemelijk gemaakt.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Gelderland
    • B8/3
    • B8/3
    • Traumatabeleid
    • Asielprocedure
    • Klemmende redenen van humanitaire aard
    • Nederlands