Trefwoord

Organisatie

  • Verblijfsrecht
  • Rechtbank Den Haag

Door MHW geduid als zeer belangrijk

Pagina's

Resultaten 1 - 10 van totaal 12 resultaten
  1. Taal Nederlands Rechtbank Den Haag Eiseres is slachtoffer van mensenhandel en heeft een B8 verblijfsvergunning gehad. Aanvraag voor een verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden (voortgezet verblijf) is afgewezen. Eiseres voer ...

    Eiseres is slachtoffer van mensenhandel en heeft een B8 verblijfsvergunning gehad. Aanvraag voor een verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden (voortgezet verblijf) is afgewezen. Eiseres voert onder andere aan dat zij op basis van de IND-werkinstructie gehoord had moeten worden. Verweerder stelt dat het een interne werkinstructie uit 2009 is die in de praktijk niet meer wordt gevolgd. De rechtbank oordeelt:' Nu verweerder betwist dat vermelde werkinstructie uit 2009 nog gehanteerd wordt in de beslispraktijk en eiseres, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder, anders dan betoogd, nog immer toepassing geeft aan deze werkinstructie, volgt de rechtbank eiseres niet in het betoog dat verweerder niet van horen had kunnen afzien op grond van de werkinstructie.' Verder oordeelt de rechtbank:'De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de opgenomen overwegingen, de aangevoerde factoren, ook in onderlinge samenhang bezien, voldoende heeft beoordeeld. Verweerder kan aldus gevolgd worden in zijn standpunt dat van risico’s op represailles niet gebleken is, nu gesteld noch gebleken is dat eiseres ooit nog door de mensenhandelaren is benaderd dan wel bedreigd, dat zij met behulp van derden in staat moet worden geacht te herintegreren in Gambia en dat de medische omstandigheden en overige factoren, op zichzelf, noch in onderlinge samenhang bezien, zijn aan te merken als bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan eiseres blijvend op Nederland zou zijn aangewezen. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd, heeft verweerder onvoldoende kunnen achten voor een ander standpunt. De beroepsgrond slaagt niet.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Den Haag
    • Voortgezet verblijf
    • Nader gehoor
    • Voortgezet verblijf
    • Hoorplicht
    • IND-werkinstructie
    • Nederlands
  2. 5 Rechtbank Den Haag Taal Nederlands Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen ...

    Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot vier weken na de uitspraak in de bodemzaak. De voorzieningenrechter overweegt onder andere:'Door in dit geval zonder enig medisch advies te concluderen dat voor toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 geen grond is, heeft verweerder het bestreden besluit voorbereid en genomen zonder de vereiste zorgvuldigheid. Het mag wel zo zijn dat het hier gaat om een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel en dat, zoals verweerder ter zitting heeft betoogd, het zwaartepunt dan ligt bij de beantwoording van de vraag of verzoekster in aanmerking komt voor een dergelijke verblijfsvergunning, maar dit ontslaat verweerder niet van de plicht zorgvuldig na te gaan of er reden is om ambtshalve artikel 64 van de Vw 2000 toe te passen.' En:'Tot slot zal de voorzieningenrechter nog ingaan op het betoog van verzoekster dat haar op grond van het bepaalde in onderdeel B8/3 van de Vc 2000 bedenktijd geboden had moeten worden. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat een lezing van onderdeel B8/3 van de Vc 2000 met zich brengt dat de daarin vermelde criteria met betrekking tot voor welke vreemdelingen bedenktijd open staat, niet op de situatie van verzoekster van toepassing zijn. De voorzieningenrechter vindt deze motivering onvoldoende duidelijk. Niet in geschil dat is immers dat verzoekster het slachtoffer is geworden van mensenhandel. Het beleid vermeldt hierover (als tweede criterium) dat bedenktijd openstaat voor vreemdelingen die nog niet in Nederland werkzaam zijn geweest in een situatie die strafbaar is gesteld in artikel 273f Wetboek van Strafrecht, maar wel mogelijk slachtoffer zijn van mensenhandel. Het lijkt erop dat dit op verzoekster van toepassing is. Verweerder heeft de gelegenheid om in afwachting van de behandeling van de bodemzaak het bestreden besluit op dit punt nader te motiveren.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Albanië
    • Rechtbank Den Haag
    • Bedenktijd
    • Artikel 3 EVRM
    • Bedenktijd
    • Represailles
    • Traumatabeleid
    • Artikel 3 EVRM
    • Sociale groep
    • Nederlands
  3. 9 Rechtbank Den Haag Taal Nederlands 'Evenmin volgt de voorzieningenrechter verzoeker in zijn stelling dat hij op grond van zijn aangifte van mensenhandel rechtmatig verblijf heeft verkregen. Immers, gedurende zijn ongewenstverklaring k ...

    'Evenmin volgt de voorzieningenrechter verzoeker in zijn stelling dat hij op grond van zijn aangifte van mensenhandel rechtmatig verblijf heeft verkregen. Immers, gedurende zijn ongewenstverklaring kon verzoeker geen rechtmatig verblijf hebben op grond van artikel 67, derde lid, Vw. Op grond van artikel 66a, zevende lid, Vw staat een inreisverbod niet in de weg aan het rechtmatig verblijf op grond van een (eerste) aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Deze bepaling heeft echter geen betrekking op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier op grond van een aangifte van mensenhandel.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nederland
    • Rechtbank Den Haag
    • B8/3
    • Verblijfsvergunning
    • Mensenhandel
    • Ongewenstverklaring
    • Rechtmatig verblijf
    • Nederlands
  4. Taal Nederlands 7 Rechtbank Den Haag Verweerder heeft de aanvraag tot verblijfsverguning asiel van verzoekster van Sierra Leoonse nationaliteit afgewezen omdat zij een vluchtelingenstatus in Italië heeft.  Verzoekster heeft aangevoerd dat he ...

    Verweerder heeft de aanvraag tot verblijfsverguning asiel van verzoekster van Sierra Leoonse nationaliteit afgewezen omdat zij een vluchtelingenstatus in Italië heeft. Verzoekster heeft aangevoerd dat het enkele feit dat zij als vluchteling in Italië erkend is, niet betekent dat zij een zodanige band heeft met Italië dat het voor haar redelijk is naar Italië terug te keren. Verzoekster heeft verder aangevoerd dat bij overdracht aan Italië een situatie in strijd met artikel 3 EVRM zal ontstaan vanwege de opvangomstandigheden in dat land. Verzoekster heeft in beroep gesteld dat zij naar een aantal stukken en rapporten heeft verwezen waaruit onder meer blijkt dat het opvangsysteem in Italië ernstig tekortschiet. Volgens verzoekster kan verweerder dan ook niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan. Daarbij heeft zij erop gewezen dat ze zwanger is, hetgeen haar bijzonder kwetsbaar maakt. Bovendien wordt toegang tot de medische basiszorg erg bemoeilijkt doordat verzoekster geen vaste woon- of verblijfplaats in Italië heeft. Verzoekster heeft hierbij verwezen naar het rapport van de Schweizerische Flüchtlingshilfe van 1 oktober 2013. Verder blijkt uit het rapport van Hammarberg van 7 september 2011 dat verzoekster ook tot een kwetsbare groep behoort, nu zij zwanger en slachtoffer van gedwongen prostitutie is.Verzoekster heeft met wat zij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat zij in Italië zal worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.De rechtbank vernietigt het besluit omdat verweerder zijn besluit onvoldoende heeft gemotiveerd, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen in stand blijven.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Den Haag
    • Asiel
    • Asielprocedure
    • Artikel 3 EVRM
    • Vertrouwensbeginsel
    • Nederlands
  5. 9 Rechtbank Den Haag Taal Nederlands In deze zaak gaat het om een familie die volgens de staatssecretaris niet in beeld was van de Rijksoverheid. De opvang van deze familie was echter door de overheid zelf beëindigd. Na de beëindiging van de ...

    In deze zaak gaat het om een familie die volgens de staatssecretaris niet in beeld was van de Rijksoverheid. De opvang van deze familie was echter door de overheid zelf beëindigd. Na de beëindiging van de opvang is de familie nog onder toezicht gebleven van de gemeente. Het mag gezinnen volgens de rechter niet tegen worden geworpen dat zij niet in beeld waren bij de Rijksoverheid wanneer zij niet zelf hebben gekozen voor een leven in de illegaliteit. Omdat de familie al deze tijd bekend is gebleven bij de gemeente heeft het nooit 'bewust' gekozen voor een leven in de illegaliteit.''De wijze waarop verweerder uitvoering geeft aan het in de Regeling opgenomen beleid, leidt er naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte toe dat vreemdelingen die zich niet actief hebben onttrokken aan het toezicht of niet bewust de illegaliteit hebben gekozen, niet onder de werking van het beleid vallen, ook niet indien zij steeds onder toezicht zijn gebleven van de (zij het gemeentelijke) overheid.'' 

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nederland
    • Rechtbank Den Haag
    • Kinderpardon
    • Overgangsregeling
    • Toezicht
    • Kinderpardon
    • Illegaliteit
    • Nederlands
  6. 9 Rechtbank Den Haag Taal Nederlands Beroepen van eiseressen zijn ongegrond verklaard.  'Nu de beklagprocedure van eiseres 1 er niet toe heeft geleid dat de daadwerkelijke vervolging van de verdachte alsnog ter hand is genomen, heeft ve ...

    Beroepen van eiseressen zijn ongegrond verklaard. 'Nu de beklagprocedure van eiseres 1 er niet toe heeft geleid dat de daadwerkelijke vervolging van de verdachte alsnog ter hand is genomen, heeft verweerder terecht overwogen dat de termijn van de beklagprocedure gericht tegen de beslissing van de officier van justitie de verdachte niet te vervolgen niet meetelt voor de berekening van de driejarentermijn van het beleid zoals dat ten tijde van belang was neergelegd in hoofdstuk B16/4.5, onder b, van de Vc 2000. Dat eiseres 1 gedurende de beklagprocedure wel aan de voorwaarden van het toen geldende B9-beleid voldeed, doet aan het vorenstaande niet af.''Voorts heeft de Afdeling in deze uitspraak geoordeeld dat uit het algemeen ambtsbericht niet kan worden afgeleid dat een vreemdeling bij opvang in een stad in een deelstaat waar vrouwenbesnijdenis niet is verboden een reëel risico loopt op besnijdenis. Nu eiseressen afkomstig zijn uit Benin City, waar blijkens pagina 47 van het algemeen ambtsbericht van 2012 opvangvoorzieningen voorhanden zijn, en welke stad gelegen is in een staat waar besnijdenis wél strafbaar is gesteld, te weten Edo-State, ziet de rechtbank geen reden te veronderstellen dat eiseressen zich niet aan het eventuele risico van besnijdenis kunnen onttrekken.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nigeria
    • Rechtbank Den Haag
    • Voortgezet verblijf
    • Vrouwenbesnijdenis/Vrouwelijke genitale verminking
    • Besnijdenis
    • Beklagprocedure
    • Bijzondere individuele omstandigheden
    • Voortgezet verblijf
    • Nederlands
  7. 10 Rechtbank Den Haag Taal Nederlands Eiseressen stellen zich primair op het standpunt dat de Kinderregeling (Kinderpardon) een niet gerechtvaardigd onderscheid bevat tussen asielkinderen en kinderen wiens ouders geen asielaanvraag hebben in ...

    Eiseressen stellen zich primair op het standpunt dat de Kinderregeling (Kinderpardon) een niet gerechtvaardigd onderscheid bevat tussen asielkinderen en kinderen wiens ouders geen asielaanvraag hebben ingediend. De rechtbank overweegt:'De stelling van eiseres 2 dat, voor zover er in het algemeen al een gerechtvaardigd onderscheid bestaat, dit in haar specifieke geval niet opgaat vanwege de B9 vergunning die zij heeft gehad waarbij artikel 3 van het EVRM ook een rol speelt bij de het verzoek om voortgezet verblijf , volgt de rechtbank niet. Vooropgesteld moet worden dat het voor eiseres 2 vrij stond na afloop van de geldigheid van haar B9 vergunning asiel aan te vragen. Eiseres 2 heeft hier om haar moverende redenen niet voor gekozen maar een reguliere aanvraag om voortgezet verblijf ingediend. Dat in deze procedure de aangevoerde asielgerelateerde omstandigheden zijn getoetst en niet tot een vergunning hebben geleid, maakt niet dat deze aanvraag gelijk moet worden gesteld met een asielaanvraag. Evenmin maakt het gegeven dat voor de Nederlandse staat ook een bijzondere verantwoordelijkheid voor slachtoffers van mensenhandel bestaat, niet dat deze op één lijn moet worden gesteld met de bijzondere verantwoordelijkheid die de Nederlandse staat heeft voor asielzoekers en hun minderjarige kinderen zoals hiervoor ook is weergegeven. De B9-procedures verschillen daarnaast ook qua karakter en duur wezenlijk van asielprocedures. Dat bij B9-procedures eveneens sprake kan zijn van subjectieve vrees voor terugkeer naar het land van herkomst, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om het gemaakte onderscheid niet gerechtvaardigd te achten. Hierbij acht de rechtbank mede van belang dat de vreemdeling die in het bezit is van een B9-vergunning hier te lande rechtmatig verblijf heeft en aldus gedurende die periode beschermd is tegen gedwongen terugkeer. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de Regeling ook op dit punt niet in strijd is met de (inter)nationale discriminatieverboden zoals door eiseressen aangehaald.'Het beroep op de hoorplicht slaagt, beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden in stand gelaten.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nigeria
    • Rechtbank Den Haag
    • Artikel 8 EVRM
    • Kinderpardon
    • Kinderpardon
    • Artikel 8 EVRM
    • Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK)
    • Nederlands
  8. Taal Nederlands 16 Rechtbank Den Haag Gerechtvaardigd onderscheid tussen vreemdelingen met een asielverblijfsvergunning en vreemdelingen met een reguliere verblijfsvergunning met betrekking tot het kinderpardon. De staatssecretaris heeft de ...

    Gerechtvaardigd onderscheid tussen vreemdelingen met een asielverblijfsvergunning en vreemdelingen met een reguliere verblijfsvergunning met betrekking tot het kinderpardon.De staatssecretaris heeft de aanvragen afgewezen omdat niet is voldaan aan de voorwaarde uit de Kinderregeling dat ten behoeven van vreemdeling 1 een asielaanvraag moet zijn ingediend. De moeder van vreemdeling 1 is eerder in het bezit geweest van een reguliere verblijfsvergunning onder de beperking vervolging van mensenhandel. De vreemdelingen hebben aangevoerd dat het onderscheid in de Kinderregeling tussen vreemdelingen met een asielachtergrond en aanvragers met een reguliere achtergrond onrechtmatig is en in strijd met internationale verdragen.Uit het arrest Butt t. Noorwegen van het EHRM (47017/09) van 4 december 2012 en de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013 in zaak nr 201207970/1 maakt de rechtbank op dat door ouders gemaakte keuzes mogen worden toegerekend. Indien aan het kind een verblijfsvergunning op grond van de Kinderregeling zou worden verleend, zouden de ouders ook een verblijfsvergunning krijgen. Er is een risico dat ouders de positie van hun kinderen misbruiken om een verblijfrecht te verkrijgen.Voorts heeft de staatssecretaris naar het oordeel van de rechtbank zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwezig is voor het gemaakte onderscheid. De staatssecretaris heeft daarbij kunnen wijzen op het verschil in verantwoordelijkheid van de overheid voor asielzoekers en voor andere vreemdelingen, dat de positie van vreemdelingen tijdens de asielprocedure verschilt van de positie van andere vreemdelingen en ook gewicht kunnen toekennen aan de omstandigheid dat asielprocedures lang en slepend kunnen zijn. Er is geen sprake van strijd met artikel 14 EVRM. De staatssecretaris heeft zich ook op het standpunt mogen stellen dat geen sprake is van het recht op eerbiediging van het privéleven, alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden zijn kenbaar betrokken.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Den Haag
    • Artikel 8 EVRM
    • Kinderpardon
    • Artikel 8 EVRM
    • Kinderpardon
    • Nederlands
  9. 13 Rechtbank Den Haag Taal Nederlands Beroep gegrond. De vreemdeling vreest bij terugkeer naar Nigeria onder meer voor mensenhandelaren en de besnijdenis van haar dochter. Volgens de staatssecretaris kan zij hiertegen de bescherming van de a ...

    Beroep gegrond. De vreemdeling vreest bij terugkeer naar Nigeria onder meer voor mensenhandelaren en de besnijdenis van haar dochter. Volgens de staatssecretaris kan zij hiertegen de bescherming van de autoriteiten in Nigeria inroepen. Volgens de vreemdeling heeft de staatssecretaris ten onrechte overwogen dat NAPTIP haar en de kinderen bescherming en opvang kan bieden. Ook blijkt nergens dat NAPTIP tegen besnijdenis bescherming kan bieden.De rechtbank is van oordeel dat NAPTIP bescherming kan bieden tegen represailles van mensenhandelaren. Het standpunt van de staatssecretaris dat evenmin een reële vrees voor besnijdenis van de minderjarige kinderen aannemelijk is gemaakt, wordt niet gevolgd. Hiertoe acht de voorzieningenrechter van belang dat uit het ambtsbericht van oktober 2012 weliswaar blijkt dat besnijdenis strafbaar is gesteld in verscheidene deelstaten, maar dat uit datzelfde ambtsbericht tevens blijkt dat er in de praktijk zelden controles worden uitgevoerd, en dat er niet of nauwelijks rechtsvervolging plaats vindt.Over het algemeen is de politie niet in staat om bescherming te bieden aan vrouwen en meisjes die dreigen slachtoffer te worden van genitale verminking, aldus het ambtsbericht. Deze gang van zaken wordt bevestigd in een brief van Defence for Children. Het standpunt van verweerder dat het NAPTIP ook tegen een eventuele dreigende genitale verminking van de dochtertjes van verzoekster bescherming kan bieden, is onvoldoende onderbouwd.Hiertoe wijst de voorzieningenrechter erop dat uit het ambtsbericht noch uit andere door de staatssecretaris bij de besluitvorming betrokken informatie blijkt dat het NAPTIP naast opvang en bescherming van slachtoffers van mensenhandel, tevens bescherming kan bieden tegen het risico op besnijdenis in Nigeria. Daarnaast is het besluit in strijd met artikel 3:2 Awb omdat er geen medisch deskundigenadvies van het BMA aan het besluit ten grond ligt en omdat de belangen van het kind niet zijn meegewogen.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nigeria
    • Rechtbank Den Haag
    • Artikel 3 EVRM
    • Besnijdenis
    • Asielprocedure
    • Belang van het kind
    • Nederlands
  10. 9 Rechtbank Den Haag Taal Nederlands Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden die genoemd zijn in B9/4.6 Vc. Eiseres beschikt niet over een geldig paspoort, en zij heeft evenmin aangetoond dat de U ...

    Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden die genoemd zijn in B9/4.6 Vc. Eiseres beschikt niet over een geldig paspoort, en zij heeft evenmin aangetoond dat de Ugandese autoriteiten haar geen paspoort willen verstrekken. Over het paspoortvereiste overweegt de rechtbank het volgende.De reden waarom eiseres geen paspoort kan aanvragen, is medisch. Eiseres heeft een verklaring van een arts overgelegd, waaruit blijkt dat zij niet in staat kan worden geacht om een paspoort aan te vragen bij de ambassade van Uganda. Dit is niet in geschil. Dat de reden van de medische problematiek enkel asielgerelateerd zou zijn, zoals verweerder hier kennelijk uit afleidt, volgt de rechtbank echter niet. Daarom kan met betrekking tot het paspoortvereiste niet worden volstaan met verwijzen naar de mogelijkheid van een asielaanvraag.Ten overvloede wordt hierbij opgemerkt dat eiseres bovendien, ondanks het ontbreken van een geldig paspoort, eerder in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning op grond van de B9-regeling. Het tegenwerpen van het paspoort-vereiste in het kader van de onderhavige aanvraag is naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende gemotiveerd.Verweerder heeft erop gewezen dat de medische omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd, beoordeeld dienen te worden bij een aanvraag medische behandeling. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat het geheel van omstandigheden bij de beoordeling betrokken dient te worden. Immers, deze omstandigheden houden met elkaar en met de mensenhandel verband en kunnen niet in diverse onderdelen cq. verblijfsdoelen gesplitst en beoordeeld worden. Hoewel een aantal aspecten, zoals (een deel van) de problemen in Uganda, asielgerelateerd zijn, is het naar het oordeel van de rechtbank niet onmogelijk om deze in dit geval, als één van de onderdelen, mee te laten wegen bij de onderhavige aanvraag.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Uganda
    • Rechtbank Den Haag
    • Voortgezet verblijf
    • Paspoortvereiste
    • Medische omstandigheden
    • Paspoortvereiste
    • Nederlands

Pagina's