Organisatie

  • Verblijfsrecht
  • Rechtbank Noord-Nederland

Door MHW geduid als zeer belangrijk

Resultaten 1 - 9 van totaal 9 resultaten
  1. Language Dutch 62 reads Court of Noord-Nederland Verweerder heeft de aan eisers, twee echtelieden en hun dochter, verleende verblijfsvergunningen ingetrokken en heeft de aanvragen van eisers om wijziging van de beperking van de vergunning in voortgezet ve ...

    Verweerder heeft de aan eisers, twee echtelieden en hun dochter, verleende verblijfsvergunningen ingetrokken en heeft de aanvragen van eisers om wijziging van de beperking van de vergunning in voortgezet verblijf en om verlenging van de geldigheidsduur van hun verblijfsvergunningen afgewezen.Nadat eisers waren uitgeprocedeerd in hun eerste asielprocedure, zijn zij illegaal hier te lande verbleven. Nadat zij waren uitgeprocedeerd in hun tweede asielprocedure, hebben zij aangifte van mensenhandel/uitbuiting gedaan. In verband met deze aangiften zijn eisers in het bezit gesteld van verblijfsvergunningen.Eisers doen onder meer een beroep op artikel 8 EVRM. Verweerder is ervan uitgegaan dat de weigering om voortgezet verblijf te verlenen een inmenging in het familie- en gezinsleven van eisers oplevert. Verweerder heeft deze inmenging gerechtvaardigd geacht, gelet op het feit dat eisers hier te lande hebben verbleven op basis van verblijfsvergunningen die als doel hadden te voorzien in een tijdelijk verblijfsrecht op grond van hoofdstuk B9 van de Vc 2000.Voorts heeft verweerder daarbij betrokken dat niet wordt voldaan aan het beleid om voor voortgezet verblijf in aanmerking te komen. De weigering van voortgezet verblijf betekent niet dat zij van elkaar worden gescheiden, nu zij alle drie Nederland dienen te verlaten. De rechtbank overweegt dat de enkele verwijzing van eisers in de gronden van het beroep naar hun lange verblijf in Nederland geen grond biedt voor het oordeel dat verweerder ten onrechte voornoemd standpunt heeft ingenomen.Met betrekking tot de lange duur van het verblijf in Nederland van eisers geldt dat deze goeddeels een gevolg is van de verschillende aanvragen om toelating die eisers, sinds hun binnenkomst in 2004 hier te lande hebben ingediend en van de diverse procedures van rechtsbescherming die door eisers zijn aangewend. De omstandigheid dat eisers rechtmatig hier te lande hebben verbleven op grond van de verblijfsvergunningen verband houdend met mensenhandel/uitbuiting, biedt evenmin grond voor het oordeel dat verweerder, bij afweging van de betrokken belangen, zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers aan artikel 8 van het EVRM geen aanspraak op voortgezet verblijf kunnen ontlenen.Deze periode van rechtmatig verblijf is relatief kort, afgezet tegen de duur van de onderscheiden perioden waarin eisers hebben gepoogd om toelating op asielgerelateerde gronden te verkrijgen en, daarbij opgeteld, de duur van het tussengelegen illegaal verblijf hier te lande. Daarnaast geldt dat eisers van meet af aan hebben geweten dat de aan verleende verblijfsvergunningen naar hun aard tijdelijk waren. Niet kan worden gezegd dat het lange verblijf van eisers hier te lande en hun integratie in de Nederlandse samenleving als gevolg daarvan – waarbij vooral de integratie van de dochter in het oog springt, die op tienjarige leeftijd Nederland is binnengekomen en nu achttien jaar is -, is toe te rekenen aan verweerder waardoor artikel 8 van het EVRM thans (om die reden) tot het toestaan van voortgezet verblijf zou nopen. Het beroep is ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Noord-Nederland
    • Voortgezet verblijf
    • Artikel 8 EVRM
    • Voortgezet verblijf
    • Nederlands
  2. 91 reads Court of Noord-Nederland Language Dutch Niet in geschil is dat de vreemdeling ter staving van haar aanvraag geen reispapieren, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van haar aanvraag, heeft overgelegd. Marginaal toetsend is de rechtbank van o ...

    Niet in geschil is dat de vreemdeling ter staving van haar aanvraag geen reispapieren, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van haar aanvraag, heeft overgelegd. Marginaal toetsend is de rechtbank van oordeel dat de minister in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat het relaas van de vreemdeling dermate summier en vaag is dat haar verklaring niet aannemelijk hoeven te worden geacht. Zeker gezien haar leeftijd en opleiding mocht de minister van haar verwachten dat zij meer had weten te vertellen over haar familie hetgeen naar Afrikaanse begrippen hoogst onwaarschijnlijk is wat ze heeft verklaard.De vreemdeling heeft vervolgens betoogd dat zij bij terugkeer naar Guinee zonder sociaal vangnet het risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. De rechtbank is in deze van oordeel dat nu het asielrelaas van de vreemdeling voor wat betreft de directe reden van vertrek ongeloofwaardig is bevonden, de minister terecht heeft overwogen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op grond van haar asielrelaas bij uitzetting naar Guinee een risico loopt in de zin van artikel 3 EVRM. Beroep ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Guinee
    • Rechtbank Noord-Nederland
    • Paspoortvereiste
    • Paspoortvereiste
    • Asielprocedure
    • Artikel 3 EVRM
    • Nederlands
  3. Language Dutch 80 reads Court of Noord-Nederland Uit de verklaringen van eiseres valt niet af te leiden dat het voor eiseres niet mogelijk was om gedurende de reis naar Nederland de reisagent te vragen naar de gebruikte reispapieren. Op basis van de verkl ...

    Uit de verklaringen van eiseres valt niet af te leiden dat het voor eiseres niet mogelijk was om gedurende de reis naar Nederland de reisagent te vragen naar de gebruikte reispapieren. Op basis van de verklaringen van eiseres kan niet worden geconcludeerd dat sprake was van (een situatie van) dwang. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onder deze omstandigheden in redelijkheid het ontbreken van reispapieren aan eiseres toegerekend.Volgens rechtspraak van het EHRM (St. Kitts, nr. 146/1996/767/964 op 2 mei 1997, en Bensaid 44599/98 op 6 februari 2001, en N. t. VK 26565/05 op 27 mei 2008) kan uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten vreemdeling, onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land, waarnaar wordt uitgezet, leiden tot schending van art. 3 EVRM.De rechtbank overweegt dat uit de door eiseres overgelegde medische gegevens niet volgt dat de klachten die eiseres heeft, een ziekte betreffen die zich in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium bevindt (uitspraak Afdeling 8 november 2005 zaak nr. 200507278/1/).Uit de rechtspraak van EHRM kan niet worden afgeleid dat bij de beoordeling van de medische toestand mede speculaties over mogelijke toekomstige belemmeringen van de toegang tot de noodzakelijke zorg moeten worden betrokken. Verweerder heeft derhalve op goede gronden geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om in het onderhavige geval onderzoek door het BMA te laten verrichten.Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat geen vbt-regulier met als doel ‘verblijf als amv’ wordt verleend, omdat eiseres een mogelijk onderzoek naar de opvangmogelijkheden in haar land van herkomst frustreert. Nu is geoordeeld dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat eiseres vage en summiere verklaringen heeft afgelegd over haar moeder, over haar familie en over de vriend en zijn gezin, is de rb van oordeel dat verweerder terecht niet ambtshalve een verblijfsvergunning op grond van het minderjarigenbeleid aan eiseres heeft verleend. Beroep ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Noord-Nederland
    • Minderjarigen / Kinderhandel
    • Paspoortvereiste
    • Alleenstaande Minderjarige Asielzoeker (AMA)
    • Asielprocedure
    • Ongedocumenteerden
    • Paspoortvereiste
    • Nederlands
  4. Language Dutch 67 reads Court of Noord-Nederland Volgens paragraaf B9/3 van de Vc 2000 wordt aan vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel een periode gegund van maximaal drie maanden, waarbinnen zij moeten beslissen of zij aangifte willen doen van mens ...

    Volgens paragraaf B9/3 van de Vc 2000 wordt aan vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel een periode gegund van maximaal drie maanden, waarbinnen zij moeten beslissen of zij aangifte willen doen van mensenhandel. Er is alleen bedenktijd voor de categorieën in B9/2 van de Vc 2000. De laatste categorie betreft vreemdelingen die nog niet in Nederland werkzaam zijn geweest, die niet over een geldige verblijfstitel beschikken, maar wel mogelijk slachtoffer zijn van mensenhandel.Verweerder bestrijdt niet dat eiser in ieder geval onder deze categorie valt. Ter zitting heeft eiser verklaard ook een aantal maanden in Nederland te hebben gewerkt. Mogelijk valt hij dus in de categorie van slachtoffers van overige in artikel 273 Sr strafbaar gestelde feiten, die niet over een geldige verblijfstitel in Nederland beschikken. Hierop gelet moet eiser een bedenktijd van drie maanden worden gegund. Verweerder heeft in strijd met het beleid het beroep van eiser op deze bedenktijd niet gehonoreerd. Door acceptatie van de bedenktijd ontvalt de grondslag aan de inbewaringstelling, aangezien er geen sprake meer is van illegaal verblijf en van zicht op uitzetting. Dit maakt dat de bewaring onrechtmatig is vanaf het moment dat aan eiser bedenktijd had moeten worden gegund. Beroep gegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Noord-Nederland
    • B8/3
    • Vreemdelingendetentie/vreemdelingenbewaring
    • Bedenktijd
    • Nederlands
  5. Language Dutch 105 reads Court of Noord-Nederland Beroep ongegrond. Het relaas van de vrouw is er op gebaseerd dat zij als serveerster in een restaurant in de problemen is gekomen toen bepaalde personen ruzie kregen met de baas van het restaurant. Onder d ...

    Beroep ongegrond. Het relaas van de vrouw is er op gebaseerd dat zij als serveerster in een restaurant in de problemen is gekomen toen bepaalde personen ruzie kregen met de baas van het restaurant. Onder druk van een rechercheur zou zij een valse verklaring over het gebeuren bij de politie hebben afgelegd. Hierna zou zij bedreigd zijn door een van de betrokken partijen. Ook vreest zij voor de politie.De staatssecretaris acht haar toerekenbaar ongedocumenteerd. De rechtbank is met de staatssecretaris van oordeel dat het relaas positieve overtuigingskracht mist. De staatssecretaris heeft uit openbare bronnen kunnen vernemen dat de oorspronkelijke verklaring over de toedracht van de ruzie niet klopt. Ook is door de staatssecretaris ter zitting nog een artikel overgelegd met dezelfde strekking. Het moeten afleggen van een valse verklaring wordt dan ook niet aannemelijk geacht, waardoor ook de bedreiging ongeloofwaardig wordt.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Noord-Nederland
    • Paspoortvereiste
    • Asielprocedure
    • Identiteit en nationaliteit
    • Identiteitsdocument
    • Nederlands
  6. Language Dutch 52 reads Court of Noord-Nederland Beroep vreemdelinge tegen de afwijzing van een aanvraag tot afgifte van een W2-document. Eiseres vindt het onredelijk dat verweerder blijft vasthouden aan het feit dat zij in het verleden geen asielaanvraag ...

    Beroep vreemdelinge tegen de afwijzing van een aanvraag tot afgifte van een W2-document. Eiseres vindt het onredelijk dat verweerder blijft vasthouden aan het feit dat zij in het verleden geen asielaanvraag heeft ingediend en wijst er op dat zij slachtoffer is van mensenhandel. Zij heeft daarvan aangifte gedaan en aangevoerd dat dit rechtmatig verblijf met zich meebrengt. Het is daardoor niet meer mogelijk om asiel aan te vragen. Daarnaast is eiseres het niet eens met het argument van verweerder dat van een vreemdeling die in afwachting is van een reguliere vergunning verwacht mag worden te beschikken over een geldig verblijfsdocument, omdat juist slachtoffers van mensenhandel daar vaak niet over beschikken.De Rechtbank overweegt dat de Wijziging Vreemdelingencirculaire 2007/44 expliciet de mogelijkheid open laat om aan “andere vreemdelingen”, dus ook zonodig vreemdelingen die illegaal in Nederland verblijven, een W2-document af te geven indien er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, waarbij met name gedacht moet worden aan het feit dat betrokkene al is vrijgesteld van het paspoortvereiste. Deze als voorbeeld genoemde bijzondere omstandigheid is naar het oordeel van de rechtbank echter geen limitatieve opsomming, gezien de vermelding “waarbij met name gedacht moet worden aan”.De rechtbank oordeelt dat de enkele stelling van verweerder, dat de door eiseres aangevoerde zeer bijzondere omstandigheden worden meegenomen bij de beoordeling van het bezwaarschrift gericht tegen de afwijzing van een reguliere aanvraag, dan ook onvoldoende. De onderhavige procedure biedt immers de mogelijkheid om juist een W2-document af te geven, indien er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden.De verweerder heeft niet, althans onvoldoende, gemotiveerd waarom er in het onderhavige geval – onverlet de vraag of eiseres rechtmatig verblijf heeft- geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan zij alsnog in aanmerking zou kunnen komen voor afgifte van een W2-document. Beroep van vreemdelinge is gegrond. (JV 2011/228)

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Noord-Nederland
    • Verblijfsrecht
    • W2-document
    • Nederlands
  7. 75 reads Court of Noord-Nederland Language Dutch Op 26 februari 2007 heeft eiseres aangifte gedaan van mensenhandel. Bij besluit van 19 april 2007 is aan eiseres een verblijfsvergunning verleend onder de beperking zoals genoemd in hoofdstuk B9 Vc. Deze wa ...

    Op 26 februari 2007 heeft eiseres aangifte gedaan van mensenhandel. Bij besluit van 19 april 2007 is aan eiseres een verblijfsvergunning verleend onder de beperking zoals genoemd in hoofdstuk B9 Vc. Deze was geldig van 26 februari 2007 tot 26 februari 2008. Op 12 februari 2008 heeft het OM bericht dat het opsporingsonderzoek naar aanleiding van de door eiseres gedane aangifte niet heeft geleid tot vaststellen van een verdachte en dat het onderzoek wordt gesloten.Verweerder heeft de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking voortgezet verblijf als bedoeld in art. 3.52 Vb niet ingewilligd en het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard. In geschil is of verweerder dit op de juiste gronden heeft gedaan.De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiseres, nu is komen vast te staan dat zij het slachtoffer is van mensenhandel, het bepaalde in hoofdstuk B9/9.4 Vc – waarin het gaat om verlenging van de verblijfsvergunning onder een beperking - van overeenkomstige toepassing is. Ook nu de vreemdeling een aanvraag heeft ingediend op grond van art.3.52 Vb , kan van een slachtoffer van mensenhandel in beginsel niet worden verwacht dat hij in het land van herkomst een paspoort aanvraagt. Uit het ambtsbericht inzake Guinee blijkt dat een nationaal paspoort alleen in Conakry kan worden aangevraagd en niet bij de diplomatieke vertegenwoordiging in Nederland.De rechtbank oordeelt dat verweerder in redelijkheid niet het paspoortvereiste heeft kunnen tegenwerpen. Ook heeft verweerder ten onrechte niet het beleid zoals neergelegd in hoofdstuk B16/4.5 Vc – waarin is neergelegd dat een slachtoffer van mensenhandel in aanmerking kan komen voor een vergunning op grond van art.3.52 Vb, indien naar het oordeel van de minister wegens bijzondere individuele omstandigheden van de vreemdeling niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat - bij de beoordeling van de aanvraag betrokken. Beroep gegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Guinee
    • Rechtbank Noord-Nederland
    • Voortgezet verblijf
    • Paspoortvereiste
    • Voortgezet verblijf
    • Paspoortvereiste
    • Nederlands
  8. 62 reads Court of Noord-Nederland Language Dutch De rechtbank stelt eerst vast dat niet in geding is dat eiseres slachtoffer is van mensenhandel. Hetgeen eiseres in dit verband heeft meegemaakt, staat evenmin ter discussie. De rechtbank stelt voorts vast ...

    De rechtbank stelt eerst vast dat niet in geding is dat eiseres slachtoffer is van mensenhandel. Hetgeen eiseres in dit verband heeft meegemaakt, staat evenmin ter discussie. De rechtbank stelt voorts vast dat niet in geschil is dat eiseres op grond van het beleid zoals genoemd in hoofdstuk B 16/4.5 Vc 2000 onder a en b niet in aanmerking komt voor voortgezet verblijf. In geschil is de vraag of van eiseres wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat zij Nederland verlaat. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat NAPTIP voor eiseres een oplossing op maat kan bieden, nu haar familie zelf actief betrokken was bij het verhandelen en eiseres om die reden niet terug kan of wil naar haar familie.Hoewel uit het thematisch ambtsbericht inzake Nigeria van november 2008 kan worden afgeleid dat NAPTIP een oplossing op maat kan bieden, in die zin dat ze slachtoffers van mensenhandel tijdelijk aan onderdak en een baantje helpen en dat NAPTIP geen slachtoffers van mensenhandel op straat zet zonder dat ze ergens naar toe kunnen, volgt uit het ambtsbericht ook dat het verblijf in een shelter slechts tijdelijk is en dat hervestiging in de praktijk onmogelijk is indien betrokkene in de nieuwe woonplaats geen netwerk heeft van familieleden of personen met dezelfde regionale en etnische afkomst.Uit het ambtsbericht blijkt verder dat slechts een zeer klein percentage van alle vrouwen die slachtoffer zijn geworden van mensenhandel, die in Europa in de prostitutie hebben gewerkt en die vrijwillig of gedwongen zijn teruggekeerd naar Nigeria in een van de NAPTIPshelters terechtkomt en zij een groot risico opnieuw gerekruteerd te worden voor de prostitutie in Europa. Gelet op het voorgaande en gelet op de omstandigheid dat eiseres geen sociaal netwerk heeft, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zijn standpunt dat van eiseres gevergd kan worden dat zij Nederland verlaat, onvoldoende heeft gemotiveerd.In dit verband acht de rechtbank van belang dat verweerder ter zitting geen antwoord heeft kunnen geven op de vraag welke ervaringen er zijn sinds het uitkomen van het ambtsbericht van november 2008 met slachtoffers van mensenhandel die zijn teruggekeerd naar Nigeria en of NAPTIP in die gevallen inderdaad de oplossing op maat heeft geboden. Beroep gegrond.NB: in deze zaak is ook een vovo toegewezen (AWB 10/4708). NB: Hoger beroep minister gegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nigeria
    • Rechtbank Noord-Nederland
    • Voortgezet verblijf
    • Voortgezet verblijf
    • Nederlands
  9. Language Dutch 72 reads Court of Noord-Nederland Uit de onderliggende stukken alsmede uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar dat eiseres op 1 augustus 2006 naar de politie is gegaan met de bedoeling om a ...

    Uit de onderliggende stukken alsmede uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar dat eiseres op 1 augustus 2006 naar de politie is gegaan met de bedoeling om aangifte van mensenhandel te doen. Er heeft op deze datum echter alleen een "intake" gesprek plaatsgevonden waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Dit proces-verbaal bevindt zich echter niet in het dossier, noch is in het dossier een ander stuk gedateerd op 1 augustus 2006 aangetroffen.Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij niet over nadere informatie beschikt met betrekking tot de reden waarom eiseres op 1 augustus 2006 niet in de gelegenheid is gesteld om aangifte te doen. Bij brief van 20 december 2007 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het proces-verbaal van 1 september 2006 het proces-verbaal van 1 augustus en op 1 september 2006 niet een nieuw proces-verbaal van aangifte is opgemaakt. Verder heeft verweerder er niets over kunnen zeggen.Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee niet opgehelderd waarom niet op 1 augustus 2006 direct een aangifte is opgemaakt, ondertekend en doorgestuurd naar de IND zoals voorgeschreven in B9/4.1 Vc 2000. Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerder kennelijk heeft verzuimd om de contactpersoon mensenhandel per omgaande in kennis te stellen. Hiervan blijkt in ieder geval niet uit het dossier en ook niet uit de bij brief van 20 december 2007 ontvangen informatie. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid. Beroep gegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Noord-Nederland
    • B8/3
    • Aangifte
    • Nederlands