• Verblijfsrecht
  • Albanië

Door MHW geduid als zeer belangrijk

Resultaten 1 - 2 van totaal 2 resultaten
  1. 5 Rechtbank Den Haag Taal Nederlands Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen ...

    Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot vier weken na de uitspraak in de bodemzaak. De voorzieningenrechter overweegt onder andere:'Door in dit geval zonder enig medisch advies te concluderen dat voor toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 geen grond is, heeft verweerder het bestreden besluit voorbereid en genomen zonder de vereiste zorgvuldigheid. Het mag wel zo zijn dat het hier gaat om een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel en dat, zoals verweerder ter zitting heeft betoogd, het zwaartepunt dan ligt bij de beantwoording van de vraag of verzoekster in aanmerking komt voor een dergelijke verblijfsvergunning, maar dit ontslaat verweerder niet van de plicht zorgvuldig na te gaan of er reden is om ambtshalve artikel 64 van de Vw 2000 toe te passen.' En:'Tot slot zal de voorzieningenrechter nog ingaan op het betoog van verzoekster dat haar op grond van het bepaalde in onderdeel B8/3 van de Vc 2000 bedenktijd geboden had moeten worden. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat een lezing van onderdeel B8/3 van de Vc 2000 met zich brengt dat de daarin vermelde criteria met betrekking tot voor welke vreemdelingen bedenktijd open staat, niet op de situatie van verzoekster van toepassing zijn. De voorzieningenrechter vindt deze motivering onvoldoende duidelijk. Niet in geschil dat is immers dat verzoekster het slachtoffer is geworden van mensenhandel. Het beleid vermeldt hierover (als tweede criterium) dat bedenktijd openstaat voor vreemdelingen die nog niet in Nederland werkzaam zijn geweest in een situatie die strafbaar is gesteld in artikel 273f Wetboek van Strafrecht, maar wel mogelijk slachtoffer zijn van mensenhandel. Het lijkt erop dat dit op verzoekster van toepassing is. Verweerder heeft de gelegenheid om in afwachting van de behandeling van de bodemzaak het bestreden besluit op dit punt nader te motiveren.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Albanië
    • Rechtbank Den Haag
    • Bedenktijd
    • Artikel 3 EVRM
    • Artikel 3 EVRM
    • Sociale groep
    • Bedenktijd
    • Represailles
    • Traumatabeleid
    • Nederlands
  2. 80 reads States Council (Dutch) Language Dutch De Raad van State vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie: 'De vreemdelingen hebben in de bestuurlijke fase aangevoerd dat zi ...

    De Raad van State vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie:'De vreemdelingen hebben in de bestuurlijke fase aangevoerd dat zij geen aangifte hebben gedaan van mensenhandel, omdat dit voor hen gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos is. Zij hebben daartoe gewezen op het thematisch ambtsbericht mensenhandel inzake Albanië van de minister van Buitenlandse Zaken van mei 2007, dat vermeldt dat, wanneer slachtoffers van mensenhandelmedewerking verlenen aan een strafrechtelijk onderzoek, represailles vrijwel altijd verwacht kunnen worden indien de desbetreffende criminele organisatie niet in haar geheel onschadelijk is gemaakt. Ook hebben de vreemdelingen aangevoerd dat het doen van aangifte om culturele redenen geen reële optie is. Zij hebben daartoe verwezen naar voormeld ambtsbericht, waarin staat dat een vrouw die bekend komt te staan als prostituee, in het minst erge geval geen normaal sociaal leven op kan bouwen, waarbij er enkele gevallen bekend zijn van teruggekeerde slachtoffers van mensenhandel die door hun eigen familieleden zijn vermoord in een poging de geschonden familie-eer te zuiveren. Voorts hebben zij erop gewezen dat in het rapport van het US Department of State 'Trafficking in Persons Report 2013' inzake Albanië staat dat de Albanese overheid de pogingen om mensenhandel tegen te gaan gedurende de verslagperiode heeft verminderd en dat het aantal verdachten dat door de Albanese autoriteiten werd onderzocht, vervolgd en schuldig bevonden, ten opzichte van de vorige verslagperiode is afgenomen. Ook hebben de vreemdelingen erop gewezen dat in dit rapport staat dat de Albanese autoriteiten slachtoffers van mensenhandel nog steeds behandelen als verdachten van prostitutie en dat slachtoffers daarvoor soms ook zijn veroordeeld. De staatssecretaris is in het besluit van 14 maart 2014 niet op deze informatie ingegaan en heeft zich beperkt tot de vaststelling dat de vreemdelingen geen enkele poging hebben ondernomen om de bescherming van de Albanese autoriteiten in te roepen. Voorts heeft hij zich niet uitgelaten over de vraag hoe de informatie uit voormeld rapport van het US Department of State zich verhoudt met de informatie uit voormeld ambtsbericht.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Albanië
    • Raad van State
    • Asiel
    • Vrees voor vervolging
    • Represailles
    • Nederlands