• Verblijfsrecht
  • december 2011

Door MHW geduid als zeer belangrijk

Resultaten 1 - 2 van totaal 2 resultaten
  1. Language Dutch 48 reads Court of Rotterdam Beroep van vreemdeling tegen het besluit van 1 juli 2011. Niet in geschil is dat vreemdeling niet langer in aanmerking komt voor vbt-regulier als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 onder beperking 'vervolging men ...

    Beroep van vreemdeling tegen het besluit van 1 juli 2011. Niet in geschil is dat vreemdeling niet langer in aanmerking komt voor vbt-regulier als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 onder beperking 'vervolging mensenhandel' en deze verblijfsvergunning terecht met ingang van 18 maart 2010 is ingetrokken. Noch is in geschil dat vreemdeling op grond van de artikelen 3.50 en 3.51 Vb 2000 niet in aanmerking komt voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning. Slechts de toepassing van art. 3.52 Vb 2000 is aan de orde.De hierin gegeven bevoegdheid biedt de minister grote mate van beleids- en beoordelingsvrijheid, waardoor de rechtbank slechts marginaal kan toetsen. De rechtbank overweegt dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hetgeen vreemdeling heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden ex art. 3.52 Vb 2000. Het feit dat vreemdeling één jaar en twee maanden van de vier jaar en vier maanden dat hij in Nederland is, rechtmatig in Nederland is, vormt volgens de rechtbank geen klemmende reden op grond waarvan de minister voortgezet verblijf had moeten toestaan.De rechtbank overweegt verder dat, nog daargelaten dat uit ministers beleid volgt dat medische en psychische omstandigheden op zichzelf onvoldoende zijn om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning voortgezet verblijf, vreemdeling deze medische en psychische omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt. Tot slot overweegt de rechtbank dat een beroep op art. 8 EVRM niet kan slagen omdat vreemdeling niet heeft aangetoond dat er sprake is van gezinsleven. Beroep vreemdeling ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Rotterdam
    • Voortgezet verblijf
    • Klemmende redenen van humanitaire aard
    • Artikel 8 EVRM
    • Voortgezet verblijf
    • Nederlands
  2. Language Dutch 80 reads Court of Noord-Nederland Uit de verklaringen van eiseres valt niet af te leiden dat het voor eiseres niet mogelijk was om gedurende de reis naar Nederland de reisagent te vragen naar de gebruikte reispapieren. Op basis van de verkl ...

    Uit de verklaringen van eiseres valt niet af te leiden dat het voor eiseres niet mogelijk was om gedurende de reis naar Nederland de reisagent te vragen naar de gebruikte reispapieren. Op basis van de verklaringen van eiseres kan niet worden geconcludeerd dat sprake was van (een situatie van) dwang. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onder deze omstandigheden in redelijkheid het ontbreken van reispapieren aan eiseres toegerekend.Volgens rechtspraak van het EHRM (St. Kitts, nr. 146/1996/767/964 op 2 mei 1997, en Bensaid 44599/98 op 6 februari 2001, en N. t. VK 26565/05 op 27 mei 2008) kan uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten vreemdeling, onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land, waarnaar wordt uitgezet, leiden tot schending van art. 3 EVRM.De rechtbank overweegt dat uit de door eiseres overgelegde medische gegevens niet volgt dat de klachten die eiseres heeft, een ziekte betreffen die zich in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium bevindt (uitspraak Afdeling 8 november 2005 zaak nr. 200507278/1/).Uit de rechtspraak van EHRM kan niet worden afgeleid dat bij de beoordeling van de medische toestand mede speculaties over mogelijke toekomstige belemmeringen van de toegang tot de noodzakelijke zorg moeten worden betrokken. Verweerder heeft derhalve op goede gronden geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om in het onderhavige geval onderzoek door het BMA te laten verrichten.Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat geen vbt-regulier met als doel ‘verblijf als amv’ wordt verleend, omdat eiseres een mogelijk onderzoek naar de opvangmogelijkheden in haar land van herkomst frustreert. Nu is geoordeeld dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat eiseres vage en summiere verklaringen heeft afgelegd over haar moeder, over haar familie en over de vriend en zijn gezin, is de rb van oordeel dat verweerder terecht niet ambtshalve een verblijfsvergunning op grond van het minderjarigenbeleid aan eiseres heeft verleend. Beroep ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Noord-Nederland
    • Minderjarigen / Kinderhandel
    • Paspoortvereiste
    • Alleenstaande Minderjarige Asielzoeker (AMA)
    • Asielprocedure
    • Ongedocumenteerden
    • Paspoortvereiste
    • Nederlands