• Nederland
  • Verblijfsvergunning
Resultaten 1 - 7 van totaal 7 resultaten
  1. Taal Nederlands Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) Deze publicatie is speciaal voor mensen die een verblijfsvergunning willen aanvragen en die slachtoffer zijn van huiselijk geweld, van eergerelateerd geweld, van mensenhandel of van a ...

    Deze publicatie is speciaal voor mensen die een verblijfsvergunning willen aanvragen en die slachtoffer zijn van huiselijk geweld, van eergerelateerd geweld, van mensenhandel of van achterlating.In deze publicatie leest u:• aan welke voorwaarden u moet voldoen om een verblijfsvergunning te kunnen krijgen.• hoe u kunt aantonen dat u aan de voorwaarden voldoet.• hoe u een uitkering kunt aanvragen voor de periode dat u in de (vrouwen)opvang verblijft.• hoe en waar u een identiteitsdocument kunt aanvragen.

    Publicaties

    • Brochures/jaarverslagen
    • Nederland
    • Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)
    • Eergerelateerd geweld
    • Huiselijk geweld
    • Verblijfsvergunning
    • Mensenhandel
    • Nederlands
  2. 3 reads Dutch Parliament Language Dutch Met deze wijziging van de Vreemdelingencirculaire wordt beoogd het beleid inzake het weigeren en intrekken van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan te scherpen. Nr. 33891 30 juni 2016 Besluit van de ...

    Met deze wijziging van de Vreemdelingencirculaire wordt beoogd het beleid inzake het weigeren en intrekken van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan te scherpen.

    Overheidspublicaties

    • Overheidspublicaties
    • Nederland
    • Tweede Kamer
    • Asiel
    • Verblijfsrecht
    • Mensenhandel
    • Verblijfsvergunning
    • Vreemdelingenrecht
    • Asiel
    • Nederlands
  3. Taal Nederlands 1 Rechtbank Den Haag De rechtbank is van oordeel ‘dat sprake is van ‘more than normal emotional ties’ tussen moeder en eiseres en derhalve van beschermenswaardig familie- en gezinsleven tussen eiseres en haar moeder. De volle ...

    De rechtbank is van oordeel ‘dat sprake is van ‘more than normal emotional ties’ tussen moeder en eiseres en derhalve van beschermenswaardig familie- en gezinsleven tussen eiseres en haar moeder. De volledige intrekking van de verblijfsvergunning en de oplegging van het inreisverbod leveren dan ook een inmenging in het familie- en gezinsleven op.’ De vraag ligt voor of verweerder op grond van artikel 8 van het EVRM van het opleggen van het inreisverbod en intrekking van de verblijfsvergunning af had moeten zien.Uit het uittreksel van het Justitieel Documentatieregister blijkt dat eiseres voor en na haar veroordeling in 2012 niet in aanraking is gekomen met justitie. Ook wordt het recidiverisico als laag ingeschat. De rechtbank acht voorts van belang dat eiseres op tienjarige leeftijd naar Nederland is gekomen, zij hier is opgegroeid en hier naar school is gegaan. Zwaar gewicht kan worden toegekend aan het feit dat, nu eiseres thans vijftien jaar in Nederland verblijft, zij aanzienlijke banden heeft met Nederland en gezien haar leeftijd navenant minder banden met Oekraïne. Ook de moeder van eiseres verblijft al vijftien jaar in Nederland en heeft hier een relatie. Bovendien is eiseres nimmer door verweerder uitgezet, terwijl zij wel in beeld was bij verweerder en geen rechtmatig verblijf had. Uit het BMA-advies kan worden afgeleid dat bij eiseres sprake is van fysieke klachten die psychosociaal kunnen worden geduid, PTSS en suïcidaliteit. Tevens blijkt dat moeder mantelzorg verleent aan eiseres. Bij terugkeer naar Donetsk, waar eiseres vandaan komt, zal eiseres terecht komen in een oorlogssituatie. Gelet op haar medische situatie en het feit dat eiseres niet in Oekraïne is opgegroeid, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiseres zich daar zal kunnen handhaven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte niet onderzocht in hoeverre terugkeer naar Oekraïne voor de moeder van eiseres en haar partner, mede gezien de oorlogssituatie aldaar, een “degree of hardship” op zal leveren.Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel ‘dat geen fair balance is gevonden tussen enerzijds het belang van eiseres bij uitoefening van haar privéleven en uitoefening van het familieleven met haar moeder hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving. Daaruit volgt dat niet kan worden volgehouden dat verweerder zich met het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het inreisverbod en de intrekking van de verblijfsvergunning niet in strijd zijn met artikel 8 van het EVRM. Het bestreden besluit is dan ook genomen in strijd met de artikelen 8 van het EVRM en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.’  

    Jurisprudentie

    • Bestuursrecht
    • Nederland
    • Rechtbank Den Haag
    • Inreisverbod
    • Terugkeer
    • Recidive
    • Verblijfsvergunning
    • Artikel 8 EVRM
    • Nederlands
  4. Taal Nederlands 3 Rechtbank Den Haag Verweerder heeft op goede gronden de aanvraag van eiseres om wijziging van de beperking van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de beperking ‘voortgezet verblijf’ (tha ...

    Verweerder heeft op goede gronden de aanvraag van eiseres om wijziging van de beperking van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de beperking ‘voortgezet verblijf’ (thans: ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’) afgewezen.De rechtbank stelt vast ‘dat het recht zoals dat gold ten tijde van de aanvraag, van toepassing is. Dit recht was destijds neergelegd in artikel 3.52 van het Vb 2000 en in paragraaf B16/4.5 van de Vc 2000. Anders dan eiseres betoogt, is in het primaire besluit getoetst aan het materiële recht zoals dat gold ten tijde van de aanvraag.Het betoog van eiseres dat het aan haar is om aannemelijk te maken dat zij slachtoffer is van mensenhandel en dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 3.52 van het Vb 2000, slaagt niet. De rechtbank overweegt: ‘Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het aan eiseres is aannemelijk te maken dat zij slachtoffer is geweest van mensenhandel op de wijze zoals door haar is omschreven. Dat eiseres gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd, volstaat niet.’ Naar het oordeel van de rechtbank ‘geeft de richtlijn geen aanleiding hier anders over te denken. Evenmin dwingt de richtlijn tot de conclusie dat slachtofferschap van mensenhandel aangenomen dient te worden enkel op grond van de aangifte van eiseres van mensenhandel en de hierna aan haar verleende verblijfsvergunning.’ In dit kader merkt de rechtbank nog op, ‘dat de richtlijn blijkens preambule 17 weliswaar specifieke beschermende maatregelen voor slachtoffers van mensenhandel bevat, maar geen betrekking heeft op voorwaarden voor hun verblijf op het grondgebied van de lidstaten. De richtlijn bevat dus geen regels voor het verkrijgen van rechtmatig verblijf op het grondgebied van een lidstaat.’ In hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht is geen grond gelegen voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het mensenhandel relaas van eiseres niet aannemelijk is.Volgens de rechtbank ‘stelt verweerder zich eveneens terecht op het standpunt dat de aangevoerde bijzondere individuele omstandigheden ook onder het van toepassing zijnde recht rechtstreeks verband moeten houden met mensenhandel. Nu verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is geweest van mensenhandel op de wijze zoals door haar verklaard en eiseres, hoewel verweerder de mogelijkheid openlaat dat zij op enige andere wijze slachtoffer van mensenhandel is geweest, hier ook geen ander relaas tegenover heeft gezet, heeft hij zich terecht op het standpunt gesteld dat de aangevoerde omstandigheden niet kunnen leiden tot inwilliging van de aanvraag, nu deze omstandigheden niet rechtstreeks verband houden met een (aannemelijk geacht) slachtofferschap van mensenhandel.’Wat betreft het betoog van eiseres dat de belangen van haar zoon op de eerste plaats dienen mee te wegen (door de rechtbank opgevat als een beroep op artikel 3, eerste lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK)) geeft naar het oordeel van de rechtbank het bestreden besluit er geen blijk van dat verweerder zich, bezien in het licht van artikel 3 van het IVRK, onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de zoon. De beroepsgrond faalt.Wat betreft het betoog van eiseres dat verweerder ten onrechte niet ambtshalve de toets neergelegd in de artikelen 3.6 onderscheidenlijk 6.1d van het Vb 2000, heeft uitgevoerd, overweegt de rechtbank: ‘Hoewel de ingevolge artikel 3.6, eerste lid, onderscheidenlijk 6.1d, eerste lid, van het Vb 2000 te verrichten ambtshalve beoordeling zich gelet op het bepaalde in artikel 3.6, vijfde lid en artikel 6.1d, derde lid ook uitstrekt tot situaties waarin een reguliere verblijfsvergunning is ingetrokken of de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur is afgewezen, missen deze bepalingen niettemin toepassing. Ingevolge artikel 3.6, tweede lid, gelezen in samenhang met het tweede lid van artikel 6.1d, van het Vb 2000, is verweerder immers slechts gehouden tot een zodanige ambtshalve beoordeling als de (oorspronkelijke) aanvraag betrekking had op een verblijfsvergunning als limitatief genoemd in artikel 3.6, tweede lid, van het Vb 2000. Nu hiervan geen sprake was, was verweerder bij de intrekking van de aan eiseres verleende verblijfsvergunning dan wel de beoordeling van de voorliggende aanvraag niet gehouden tot een ambtshalve beoordeling als door eiseres bepleit.’   

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nederland
    • Rechtbank Den Haag
    • Beperking verblijfsvergunning
    • Bijzondere individuele omstandigheden
    • Verblijfsvergunning
    • Belang van het kind
    • Nederlands
  5. Taal Nederlands 2 Rechtbank Den Haag De rechtbank verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op het bezwaar niet ontvankelijk. ‘Nu verweerder inmiddels een beslissing heeft genomen op het bezwaarschrift van e ...

    De rechtbank verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op het bezwaar niet ontvankelijk. ‘Nu verweerder inmiddels een beslissing heeft genomen op het bezwaarschrift van eiseres, heeft zij thans geen belang meer bij beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig beslissen van verweerder.’ Ook het beroep tegen het bestreden besluit voor zover gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd is niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast verklaart de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit voor zover gericht tegen het inreisverbod, ongegrond. Nu eiseres diverse malen is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet tot in totaal meer dan 96 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf, is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiseres terecht heeft aangemerkt als een gevaar voor de openbare orde als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn en haar op grond hiervan een vertrektermijn heeft kunnen onthouden alsmede ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000  een inreisverbod heeft mogen uitvaardigen voor de duur van tien jaren. In dit geval is geen sprake van een schending van artikel 8 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is ‘mede gelet op de ernst en de omvang van het strafrechtelijk verleden van eiseres, het beperkte tijdsverloop sinds haar delict en in aanmerking genomen dat de gemachtigde van eiseres ook ter zitting niet heeft betwist dat geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding tussen eiseres en haar (meerderjarige) kinderen, noch van objectieve belemmeringen om het gezins- en familieleven elders te continueren, geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in het kader van artikel 8, tweede lid, van het EVRM, ten onrechte het belang van de staat zwaarder heeft laten wegen dan de belangen van eiseres.’   

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nederland
    • Rechtbank Den Haag
    • Inreisverbod
    • Openbare orde
    • Niet-ontvankelijk
    • Verblijfsvergunning
    • Artikel 8 EVRM
    • Nederlands
  6. 9 Rechtbank Den Haag Taal Nederlands 'Evenmin volgt de voorzieningenrechter verzoeker in zijn stelling dat hij op grond van zijn aangifte van mensenhandel rechtmatig verblijf heeft verkregen. Immers, gedurende zijn ongewenstverklaring k ...

    'Evenmin volgt de voorzieningenrechter verzoeker in zijn stelling dat hij op grond van zijn aangifte van mensenhandel rechtmatig verblijf heeft verkregen. Immers, gedurende zijn ongewenstverklaring kon verzoeker geen rechtmatig verblijf hebben op grond van artikel 67, derde lid, Vw. Op grond van artikel 66a, zevende lid, Vw staat een inreisverbod niet in de weg aan het rechtmatig verblijf op grond van een (eerste) aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Deze bepaling heeft echter geen betrekking op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier op grond van een aangifte van mensenhandel.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nederland
    • Rechtbank Den Haag
    • B8/3
    • Ongewenstverklaring
    • Rechtmatig verblijf
    • Verblijfsvergunning
    • Mensenhandel
    • Nederlands
  7. 8 Rijksuniversiteit Groningen Taal Nederlands Onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen stellen in een opiniestuk dat de uitzetting van de 600 kinderen die buiten het Kinderpardon dreigen te vallen in strijd is met het VN-Kinderrechten ...

    Onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen stellen in een opiniestuk dat de uitzetting van de 600 kinderen die buiten het Kinderpardon dreigen te vallen in strijd is met het VN-Kinderrechtenverdrag, onder meer omdat het hun ontwikkeling bedreigt.

    Publicaties

    • Publicaties
    • Nederland
    • Rijksuniversiteit Groningen
    • Kinderpardon
    • Langdurig toezicht
    • Langdurig verblijf
    • Verblijfsvergunning
    • Kinderpardon
    • Nederlands