Documentsoort

  • Notities
  • Sociaal zekerheidsrecht
  • 2012
Resultaten 1 - 2 van totaal 2 resultaten
  1. Language Dutch 82 reads Court of Amsterdam Bij besluit van 7 februari 2011 heeft verweerder aan eiseres met ingang van 3 januari 2011 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande toegekend. De rechtbank overweegt als volgt. In geschil is de i ...

    Bij besluit van 7 februari 2011 heeft verweerder aan eiseres met ingang van 3 januari 2011 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande toegekend. De rechtbank overweegt als volgt. In geschil is de ingangsdatum van de bijstandsuitkering van eiseres en de voor haar geldende norm. Eiseres beschikt met ingang van 22 september 2010 over een verblijfsvergunning. De kinderen van eiseres hebben met ingang van 24 januari 2011 een verblijfsvergunning gekregen.Ten aanzien van de duur van de uitkering, overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder erkend dat op de aanvraag van 26 september 2010 ten onrechte nog niet is beslist. De gemachtigde heeft daarbij vermeld dat in beginsel geen beletsel bestaat voor bijstandsverlening aan eiseres met ingang van 26 september 2010. De rechtbank begrijpt deze verklaring aldus dat verweerder niet meer achter de motivering van het bestreden besluit staat. Beroep gegrond, vernietiging besluit.Nu nog onduidelijkheid bestaat over de duur van de aanspraak van eiseres op een uitkering op grond van de Rvb ziet de geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten. Deze regeling vormt immers een aan de verlening van bijstand voorliggende voorziening.Ten aanzien van de norm van de uitkering overweegt de rechtbank dat, gelet op de uitspraken van de CRvB van 9 en 22 november 2011 bijstandsverlening aan niet met een Nederlander gelijkgestelde vreemdelingen categorisch is uitgesloten.Voor het standpunt van eiseres ter zitting dat deze uitspraken niet zien op de gevallen waarin een beroep wordt gedaan op art. 8 EVRM in samenhang met art. 14 EVRM ziet de rechtbank geen aanknopingspunt in de genoemde uitspraken. Beroep op de uitspraak van de CRvB van 15 juli 2011 slaagt niet. Deze uitspraak ziet niet op de toepassing van de WWB, maar op een oordeel over een verzoek om verlening van kinderbijslag. Beroep gegrond.

    Jurisprudentie

    • Sociaal zekerheidsrecht
    • Rechtbank Amsterdam
    • Gelijkheidsbeginsel
    • Wet Werk en Bijstand (WWB)
    • Nederlands
  2. Language Dutch 93 reads Central Board of Appeal (Dutch CRB) Hoger beroep vreemdelinge tegen uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 mei 2011 (10/3689 en 10/5853). De rechtbank heeft het besluit van het College bekrachtigd, waarin de aanvraag voor een ...

    Hoger beroep vreemdelinge tegen uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 mei 2011 (10/3689 en 10/5853). De rechtbank heeft het besluit van het College bekrachtigd, waarin de aanvraag voor een uitkering voor levensonderhoud werd afgewezen, omdat appellante geen verblijfstitel heeft op grond waarvan recht op bijstand kan bestaan. Appellante heeft de Bulgaarse nationaliteit en is daarmee EU-burger.De Raad oordeelt als volgt. Appellante heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt en heeft ook anderszins niet aannemelijk kunnen maken dat zij reeds sinds 2007 in Nederland verblijft, of in ieder geval langer dan 3 maanden voor haar aanvraag om bijstand in Nederland verbleef. Van de in art. 11 WWB bedoelde gelijkstelling met een Nederlander kan dan ook ten tijde in geding geen sprake zijn.De vraag of appellante is aan te merken als een kwetsbare persoon die op grond van artikel 3 dan wel artikel 8 EVRM bijzondere bescherming geniet, kan en zal de Raad in het kader van de WWB in het midden laten. Ook het beroep op het VN-Vrouwenverdrag treft geen doel. Daargelaten de vraag of ingeroepen verdragsbepalingen kunnen worden beschouwd als een ieder verbindende bepalingen, vermag de Raad niet in te zien dat een beroep op dit verdrag in het onderhavige geval zou moeten leiden tot een positieve verplichting van de staat om bij de toekenning van bijstand af te zien van de eis van rechtmatig verblijf.Voor de vraag of appellante opvang zou moeten worden geboden, is van belang of de betrokkene ten tijde in geding de beschikking had over onderdak. De Raad stelt vast dat uit diverse gedingstukken blijkt dat dit bij haar het geval was. Reeds hierom, kan niet aangenomen worden dat de weigering tot toelating tot de maatschappelijke opvang geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van betrokkene om wel toegelaten te worden. Hoger beroep vreemdelinge ongegrond. 

    Jurisprudentie

    • Sociaal zekerheidsrecht
    • Bulgarije
    • Centrale Raad van Beroep
    • Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
    • Wet Werk en Bijstand (WWB)
    • Artikel 3 EVRM
    • Artikel 8 EVRM
    • Opvang
    • Nederlands