• B8/3
  • Vreemdelingenrecht
Resultaten 1 - 10 van totaal 10 resultaten
  1. Language Dutch 46 reads States Council (Dutch) Zowel staatssecretaris als de vreemdeling gaan in beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris heeft zowel de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel als een verblijfsvergunning regulier ...

    Zowel staatssecretaris als de vreemdeling gaan in beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris heeft zowel de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel als een verblijfsvergunning regulier afgewezen. De staatssecretaris oordeelde dat haar asielrelaas een positieve overtuigingskracht mist. De Raad van State gaat hierin mee. Met betrekking tot de verblijfsvergunning regulier oordeelt de Raad van State:'Het betoog van de vreemdeling dat de staatssecretaris ten onrechte heeft geweigerd haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'vervolging van mensenhandel' te verlenen, kan niet worden gevolgd. Nu de vreemdeling geen aangifte heeft gedaan, voldoet zij reeds daarom niet aan de in paragraaf B9/2 van de Vc 2000 gestelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor verlening van deze verblijfsvergunning.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Verblijfsrecht
    • Positieve overtuigingskracht
    • Aangifte
    • B8/3
    • Psychologisch onderzoek
    • Asielprocedure
    • Medische omstandigheden
    • Nederlands
  2. Language Dutch 63 reads States Council (Dutch) De B9-verblijfsvergunning van de vreemdeling wordt met terugwerkende kracht ingetrokken naar het moment waarop het Gerechtshof uitspraak heeft gedaan in de beklagprocedure. De rechtbank vindt dit onredelijk, ...

    De B9-verblijfsvergunning van de vreemdeling wordt met terugwerkende kracht ingetrokken naar het moment waarop het Gerechtshof uitspraak heeft gedaan in de beklagprocedure. De rechtbank vindt dit onredelijk, omdat er voor de vreemdeling een 'verblijfsgat' zal ontstaan en zij in de periode geen verstrekkingen en opvang had mogen ontvangen. De Raad van State oordeelt:'Voor het oordeel dat onder de door de rechtbank geschetste omstandigheden intrekking met terugwerkende kracht van de aan vreemdeling 1 verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel kennelijk onredelijk is, bestaat geen aanleiding. Gelet op de onder 4 weergegeven wet- en regelgeving diende vreemdeling 1 ermee rekening te houden dat deze vergunning zou worden ingetrokken met ingang van de datum van de uitspraak van het gerechtshof. Voorts bestaan geen aanwijzingen dat tot terugvordering van de verstrekkingen zal worden overgegaan.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • B8/3
    • B8/3
    • Nederlands
  3. Language Dutch 67 reads Court of Rotterdam Het B9-beleid verlangt van verweerder een actieve houding. Het is in eerste instantie aan verweerder om te beoordelen of de B9-regeling wordt aangeboden. Het is bovendien aan verweerder om, in het kader van zorgv ...

    Het B9-beleid verlangt van verweerder een actieve houding. Het is in eerste instantie aan verweerder om te beoordelen of de B9-regeling wordt aangeboden. Het is bovendien aan verweerder om, in het kader van zorgvuldigheid van het onderzoek ter zake, de verslaglegging van gevoerde gesprekken te (doen) verzorgen en in voorkomende gevallen deze in het dossier te voegen. Daar was in deze zaak ook aanleiding toe. nu in elk geval is aangegeven in de schriftelijke beroepsgronden dat het handelen van verweerder ten aanzien van de B9-procedure niet blijkt uit het dossier. Beroep gegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Rotterdam
    • B8/3
    • B8/3
    • Nederlands
  4. Taal Nederlands 6 Rechtbank Limburg De minister heeft geweigerd de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen onder de beperking ‘de vervolging van mensenhandel’. Voor de vreemdeling is er belang b ...

    De minister heeft geweigerd de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen onder de beperking ‘de vervolging van mensenhandel’. Voor de vreemdeling is er belang bij de voorlopige voorziening voor het verkrijgen van opvang. Pas als er sprake is van een aanvraag/aangifte zou de vreemdeling opvang kunnen krijgen bij het COA.De voorzieningenrechter heeft het belang van de vreemdeling afgewogen tegen het belang van de minister om nog te reageren op de overlegde informatie. Gezien de vorst die voorspeld is besluit de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter heeft bij het treffen van deze voorziening allereerst in aanmerking genomen dat het standpunt van de minister dat er geen belang is naar zijn oordeel voorlopig onjuist is.De minister gaat er immers van uit dat er geen aangifte is en derhalve ook geen aanvraag. Om die reden is ambtshalve geweigerd de vreemdeling een vergunning te verlenen op grond van het zogenaamde B9-beleid. Verder is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel, dat gezien het gerechtshof in de beklagprocedure voor het seponeren van de aangifte geen vraagtekens heeft gezet bij de aangifte, dat de minister er ook van uit dient te gaan dat er een aangifte is geweest. Vovo toegewezen.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Limburg
    • B8/3
    • B8/3
    • Aangifte
    • Nederlands
  5. Taal Nederlands 5 Rechtbank Gelderland Volgens paragraaf B9/3.1 van de Vc 2000 kunnen, ook ten aanzien van vreemdelingen op wie een maatregel conform artikel 59 Vw van toepassing is, er aanwijzingen zijn dat zij slachtoffer van mensenhandel ...

    Volgens paragraaf B9/3.1 van de Vc 2000 kunnen, ook ten aanzien van vreemdelingen op wie een maatregel conform artikel 59 Vw van toepassing is, er aanwijzingen zijn dat zij slachtoffer van mensenhandel zijn. Indien er tijdens vreemdelingenbewaring aanwijzingen zijn dat de vreemdeling slachtoffer is van mensenhandel, dient de politie de vreemdeling te wijzen op de mogelijkheid van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporing- of vervolgingsonderzoek ter zake mensenhandel. Ook dan heeft het vermoedelijke slachtoffer van mensenhandel recht op de bedenktijdfase.Het verlenen van de bedenktijd heeft tot gevolg dat de grondslag aan de bewaring komt te ontvallen en de bewaring derhalve dient te worden opgeheven. In die gevallen zal de bedenktijdfase echter alleen verleend worden indien het OM en de politie hiermee akkoord gaan. De rechtbank merkt hierbij wel op dat door acceptatie van de bedenktijd of door het doen van aangifte de grondslag van een inbewaringstelling ontvalt, aangezien er dan geen sprake meer is van illegaal verblijf en van zicht op uitzetting omdat de uitzetting immers tijdelijk wordt opgeschort.De omstandigheid dat de verplichting om een vreemdeling op de B9-procedure te wijzen op de politie rust, ontslaat de minister niet van de verplichting om dit proces te bewaken. Nu de minister ter zitting heeft verklaard dat de stukken van de onderhavige procedure naar de politie zijn doorgestuurd, ziet de rechtbank vooralsnog geen aanleiding om te oordelen dat minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Beroep ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Gelderland
    • B8/3
    • B8/3
    • Vreemdelingendetentie/vreemdelingenbewaring
    • Nederlands
  6. Taal Nederlands 9 Rechtbank Den Haag Voorlopige voorziening toegewezen. De aanvragen van de vreemdelingen om verlening van een verblijfsvergunning onder de overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen zijn afgewezen. Vreemdeling 1 voldo ...

    Voorlopige voorziening toegewezen. De aanvragen van de vreemdelingen om verlening van een verblijfsvergunning onder de overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen zijn afgewezen. Vreemdeling 1 voldoet niet aan de vereisten van de kinderregeling om dat zij nooit een asielaanvraag in Nederland heeft ingediend.Er is een gerechtvaardigd onderscheid tussen kinderen met een asielachtergrond, en kinderen zonder een dergelijke achtergrond. Deze is onder meer gelegen in het aspect van de subjectieve vrees voor terugkeer naar het land van herkomst, een vrees die niet speelt bij kinderen die een reguliere aanvraag hebben gedaan.De vreemdelingen voeren aan dat het onderscheid in het algemeen ongerechtvaardigd is, en als dit wel het gerechtvaardigd is, dit in hun specifieke geval toch als een ongerechtvaardigd onderscheid moet worden beschouwd, nu de vreemdelingen rechtmatig verblijf hebben gehad op grond van een B9-procedure. De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van de vraag of dit onderscheid gerechtvaardigd is als volgt.Bij de beantwoording van deze vraagt speelt in deze specifieke zaak de vraag mee of het feit dat de vreemdelingen op grond van de B9-regeling rechtmatig verblijf hebben genoten, de uitkomst anders maakt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze vereenvoudigde spoedprocedure zich niet goed leent voor een zorgvuldige beoordeling van deze complexe rechtsvragen.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Den Haag
    • Minderjarigen / Kinderhandel
    • Artikel 8 EVRM
    • B8/3
    • Kinderpardon
    • Nederlands
  7. Taal Nederlands 8 Rechtbank Gelderland Beroep ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling van de militairen staat. Gelet op het voorgaande heeft de staatssec ...

    Beroep ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling van de militairen staat. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris de vreemdeling terecht niet in aanmerking gebracht voor een vergunning o.g.v. Art.29 lid 1 sub a en b Vw.Wat betreft het traumatabeleid is de rechtbank van oordeel dat nu de vreemdeling na de dood van zijn vader nog jaren in Kinshasa heeft gewoond en ook na het verblijf in het militaire kamp nog in Kinshasa is verbleven en hij voorts niet heeft aangetoond dat hij zich na de traumatische gebeurtenissen niet staande heeft weten te houden, de staatssecretaris in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit de vreemdeling niet in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 lid 1 onder c Vw. Een causaal verband tussen de gebeurtenissen en het vertrek uit het land van herkomst zijn niet aannemelijk gemaakt.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Gelderland
    • B8/3
    • B8/3
    • Traumatabeleid
    • Asielprocedure
    • Klemmende redenen van humanitaire aard
    • Nederlands
  8. Language Dutch 67 reads Court of Amsterdam De beschikking op de asielaanvraag van eiseres is ter zitting op 20 augustus 2009 ingetrokken. Op 24 augustus 2009 is de vreemdelingenbewaring opgeheven. Onbetwist is dat eiseres op de grens is gehoord over de om ...

    De beschikking op de asielaanvraag van eiseres is ter zitting op 20 augustus 2009 ingetrokken. Op 24 augustus 2009 is de vreemdelingenbewaring opgeheven. Onbetwist is dat eiseres op de grens is gehoord over de omstandigheid dat zij een potentieel slachtoffer is van mensenhandel en dat zij desondanks in vreemdelingenbewaring is gesteld. Gelet daarop valt niet in te zien waarom eiseres pas na afronding van de AC-procedure bedenktijd in het kader van de B9-procedure is aangeboden.Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres op 24 augustus 2009, nadat zij opnieuw is gehoord in het kader van de B9-procedure, alsnog bedenktijd heeft gekregen. Niet is gebleken dat zich tussen het eerste gehoor door de KMar aan de grens en het latere gehoor van 24 augustus 2009 een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan die heeft geleid tot het aanbieden van bedenktijd. Hierbij acht de rechtbank van belang dat uit het beleid niet blijkt dat een potentieel slachtoffer van mensenhandel niet kan worden gehoord tijdens een AC-procedure en dat aan haar geen bedenktijd kan worden geboden. Aan vreemdelingen die nog geen toegang tot Nederland hebben gehad kan immers ook bedenktijd worden aangeboden.Dat in de werkinstructie is overwogen dat er een afspraak is dat de vreemdeling eerst de volledige AC-procedure doorloopt en dat pas daarna wordt gehoord door de KMar doet daaraan niet af, temeer nu die afspraak in dit geval niet is nageleefd. Daarom valt evenmin in te zien dat het noodzakelijk was om eiseres de vrijheidsbenemende maatregel op te leggen. Beroep gegrond en toekenning schadevergoeding.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Amsterdam
    • B8/3
    • Asielprocedure
    • Vreemdelingendetentie/vreemdelingenbewaring
    • Schadevergoeding
    • Nederlands
  9. Language Dutch 66 reads Court of Amsterdam Aan eiseressen is een B9-vergunning verleend. In geschil is de vraag of art. 30, lid 1b Vw onverbindend is, wegens strijd met het Mensenhandelverdrag. De rechtbank leidt uit de artikelen 40 lid 4 en 14 lid 5 Mens ...

    Aan eiseressen is een B9-vergunning verleend. In geschil is de vraag of art. 30, lid 1b Vw onverbindend is, wegens strijd met het Mensenhandelverdrag. De rechtbank leidt uit de artikelen 40 lid 4 en 14 lid 5 Mensenhandelverdrag, gelezen in combinatie met het Explanatory Report, af dat er een vergunning verleend moet worden indien het non-refoulementverbod geschonden dreigt te worden. Nu eiseressen een B9-vergunning hebben, kan niet gesteld worden dat het non-refoulementverbod geschonden dreigt te worden en is er op grond van art. 14 lid 5 Mensenhandelverdrag geen verplichting om aan hen een vergunning te geven. Deze beroepsgrond faalt. Indien de B9 vergunning wordt ingetrokken kunnen eiseressen opnieuw asiel aanvragen.De rechtbank volgt eiseressen niet in hun standpunt dat art. 4:6 Awb tegengeworpen zal worden indien zij na het intrekken van de B 9 vergunning opnieuw asielaanvragen. Er is dan immers sprake van een novum. In dat geval staat art. 4:6 awb, niet aan toetsing van het daarop te nemen besluit in de weg. De beroepsgrond faalt.De rechtbank overweegt dat uit de tekst van het Verdrag en uit het Explanatory report niet blijkt dat de nadelen welke kunnen kleven aan de verlening van een B9-vergunning ten opzichte van een asielvergunning moeten leiden tot de conclusie die eiseressen uit het Verdrag trekken. Verweerder heeft de aanvraag van eiseressen terecht afgewezen oordeelt de rechtbank. Art. 30, lid 2 Vw is niet van toepassing omdat de B9-vergunning buiten de verblijfsvergunningen uit art. 3.6 Vb. valt (zie ook de uitspraak van rechtbank Haarlem, 18 juli 2006, 06/32049). Beroepen ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Amsterdam
    • Asielprocedure
    • B8/3
    • Nederlands
  10. Language Dutch 54 reads States Council (Dutch) Hoger beroep van de vreemdeling tegen de uitspraak van rechtbank Amsterdam van 27 januari 2010 (10/599 en 10/603). De Afdeling oordeelt dat, indien aan de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier zou zijn ...

    Hoger beroep van de vreemdeling tegen de uitspraak van rechtbank Amsterdam van 27 januari 2010 (10/599 en 10/603). De Afdeling oordeelt dat, indien aan de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier zou zijn verleend, voordat op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel was beslist, de staatssecretaris deze aanvraag krachtens artikel 30 lid 1 onder b Vw had moeten afwijzen.De Afdeling is tevens van oordeel dat de vreemdeling terecht betoogt dat, zolang de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier, zij met het door haar ingestelde beroep niet kan bereiken dat aan haar alsnog een verblijfsvergunning asiel wordt verleend. Dit leidt ertoe dat de vreemdeling toetsing van de weigering haar een verblijfsvergunning asiel te verlenen wordt onthouden, zolang zij in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier.De intrekking van de verblijfsvergunning regulier dan wel de weigering om haar te verlengen is, naar het oordeel van de Afdeling, als een nieuw gebleken feit dat toetsing van het besluit op de opvolgende aanvraag mogelijk maakt als ware het een eerste afwijzing. De situatie waaraan de vreemdeling procesbelang stelt te ontlenen, zal zich dus niet voordoen. Hoger beroep kennelijk ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Procesbelang
    • B8/3
    • Nederlands