Documentsoort

Trefwoord

  • Civiel recht
  • Vreemdelingenrecht

Pagina's

Resultaten 1 - 10 van totaal 172 resultaten
  1. Taal Nederlands Rechtbank Den Haag Eiseres is slachtoffer van mensenhandel en heeft een B8 verblijfsvergunning gehad. Aanvraag voor een verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden (voortgezet verblijf) is afgewezen. Eiseres voer ...

    Eiseres is slachtoffer van mensenhandel en heeft een B8 verblijfsvergunning gehad. Aanvraag voor een verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden (voortgezet verblijf) is afgewezen. Eiseres voert onder andere aan dat zij op basis van de IND-werkinstructie gehoord had moeten worden. Verweerder stelt dat het een interne werkinstructie uit 2009 is die in de praktijk niet meer wordt gevolgd. De rechtbank oordeelt:' Nu verweerder betwist dat vermelde werkinstructie uit 2009 nog gehanteerd wordt in de beslispraktijk en eiseres, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder, anders dan betoogd, nog immer toepassing geeft aan deze werkinstructie, volgt de rechtbank eiseres niet in het betoog dat verweerder niet van horen had kunnen afzien op grond van de werkinstructie.' Verder oordeelt de rechtbank:'De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de opgenomen overwegingen, de aangevoerde factoren, ook in onderlinge samenhang bezien, voldoende heeft beoordeeld. Verweerder kan aldus gevolgd worden in zijn standpunt dat van risico’s op represailles niet gebleken is, nu gesteld noch gebleken is dat eiseres ooit nog door de mensenhandelaren is benaderd dan wel bedreigd, dat zij met behulp van derden in staat moet worden geacht te herintegreren in Gambia en dat de medische omstandigheden en overige factoren, op zichzelf, noch in onderlinge samenhang bezien, zijn aan te merken als bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan eiseres blijvend op Nederland zou zijn aangewezen. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd, heeft verweerder onvoldoende kunnen achten voor een ander standpunt. De beroepsgrond slaagt niet.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Den Haag
    • Voortgezet verblijf
    • Nader gehoor
    • Voortgezet verblijf
    • Hoorplicht
    • IND-werkinstructie
    • Nederlands
  2. Taal Nederlands Rechtbank Den Haag De rechtbank Den Haag heeft het beroep gegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiseres een vestigingsalternatief in Kinshasa heeft. De rechtbank oo ...

    De rechtbank Den Haag heeft het beroep gegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiseres een vestigingsalternatief in Kinshasa heeft. De rechtbank oordeelt namelijk als volgt.“Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat eiseres een vestigingsalternatief in Kinshasa heeft. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Vast staat dat in Zuid-Kivu sprake is van een zogenoemde 15c-situatie en dat van eiseres niet wordt verlangd dat zij naar die regio terugkeert. Ook is (inmiddels) onbestreden dat eiseres een alleenstaande vrouw is, afkomstig uit Zuid‑Kivu, behorend tot de Banyamulenge bevolkingsgroep. Bij personen uit Zuid-Kivu met een geloofwaardig asielrelaas wordt het vestigingsalternatief Kinshasa niet tegengeworpen. Verweerder heeft ter zitting geen antwoord kunnen geven op de vraag waarom dit van eiseres, nu haar relaas ongeloofwaardig is bevonden, wel kan worden verlangd. De 15c-situatie in Zuid-Kivu en of er voor mensen afkomstig uit die regio een alternatief is om zich te vestigen, staat los van de vraag naar de geloofwaardigheid van het relaas. Van verweerder mag dan ook worden verwacht dat hij de reden en achtergrond van dit onderscheid deugdelijk kan uitleggen. Daar komt bij dat evenmin op zorgvuldige wijze is onderzocht en gemotiveerd hoe eiseres zich in Kinshasa staande zou kunnen houden. Uit het Algemeen ambtsbericht van december 2014 komt naar voren dat vrouwen in de DRC een ondergeschikte positie innemen, discriminatie van vrouwen wijdverbreid is en de algemene positie van de vrouw onverminderd slecht is. Ook komt naar voren dat in het gehele land seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes op grote schaal voorkomt. Alleenstaande vrouwen in Kinshasa die afkomstig zijn uit andere regio’s dan Kinshasa hebben het volgens het ambtsbericht zwaarder dan alleenstaande vrouwen die een baan hebben en/of over een eigen akker kunnen beschikken. Alleenstaande vrouwen uit andere delen van het land zouden zich in Kinshasa kunnen aansluiten bij hun eigen etnische groep. Op de vraag of het voor eiseres mogelijk zou zijn zich bij haar eigen etnische groep aan te sluiten, heeft verweerder er ter zitting op gewezen dat er in Kinshasa (in 2014) 60 à 70 Banyamulenge leven. De rechtbank is van oordeel dat op een inwoneraantal van meer dan 10 miljoen, 60 à 70 mensen (waarbij onduidelijk is hoeveel daarvan vrouw zijn) een te verwaarlozen aantal is. Rekening houdend met het feit dat eiseres geen familie meer heeft, alleenstaand is, al sinds 2012 niet meer in de DRC heeft verbleven en als gezegd tot de Banyamulenge uit Zuid-Kivu behoort, mogen vraagtekens worden geplaatst bij de stelling van verweerder dat aan eiseres het vestigingsalternatief Kinshasa kan worden tegengeworpen. Ook in die zin is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd.”

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Verblijfsrecht
    • Rechtbank Den Haag
    • Verblijfsvergunning
    • Asiel
    • Alleenstaande vrouw
    • Kinshasa
    • 15c-situatie
    • Kivu
    • Banyamulenge
    • Vestigingsalternatief
    • Asielzoeker
    • Nederlands
  3. Taal Nederlands Raad van State De Raad van State heeft op 2 december 2015 het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard. De vreemdeling komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De Raad v ...

    De Raad van State heeft op 2 december 2015 het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard. De vreemdeling komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De Raad van State oordeelt als volgt.“Nu, gelet op het onder 2.5. overwogene, de vreemdeling haar relaas over de gestelde mensenhandel niet aannemelijk heeft gemaakt, kan zij reeds daarom niet op grond van paragraaf B9/12 van de Vc 2000 in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd krachtens artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder k, van het Vb 2000. Hetgeen zij in beroep overigens heeft aangevoerd met betrekking tot bijzondere individuele omstandigheden die haars inziens meebrengen dat van haar niet kan worden gevergd dat zij Nederland verlaat, behoeft in dit verband geen bespreking (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2014 in zaak nr. 201404330/1/V1).” 

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Verblijfsrecht
    • Vreemdeling
    • Angst bij PTSS
    • PTSS
    • Verblijfsvergunning regulier
    • Mensenhandel
    • Nederlands
  4. Taal Nederlands Rechtbank Den Haag De rechtbank Den Haag heeft gedaagde veroordeelt tot een betaling aan eiseres van € 140.750,-. In de strafzaak was haar vordering deels afgewezen waardoor zij zich heeft gewend tot de burgerlijke rechter. ...

    De rechtbank Den Haag heeft gedaagde veroordeelt tot een betaling aan eiseres van € 140.750,-. In de strafzaak was haar vordering deels afgewezen waardoor zij zich heeft gewend tot de burgerlijke rechter. De rechtbank oordeelt als volgt. “De rechtbank neemt in het kader van de beoordeling van de hoogte van het smartengeld als vaststaand aan dat [eiseres] als gevolg van de gedwongen prostitutie ernstige psychische problemen heeft gekregen. Dat blijkt uit de door haar overgelegde rapportage van het JellinekMentrum Centrum waarin twee psychologen rapporteren over de bij [eiseres] vastgestelde posttraumatische stressstoornis in combinatie met een depressieve stoornis en seksueel misbruik. De rechtbank tekent daarbij nog aan dat vast staat dat [eiseres] in augustus 2007 een abortus heeft ondergaan nadat zij zwanger was geraakt van een klant en in december 2007 een zelfmoordpoging heeft gedaan. Dat zij voor gemelde psychische klachten behandeling heeft ondergaan blijkt voorts uit het rapport van de Symforagroep. Niet weersproken is dat een en ander tot beperkingen heeft geleid. Vast staat dat [eiseres] een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand heeft ontvangen zonder sollicitatieplicht, omdat zij over een lange periode volledig arbeidsongeschikt werd bevonden op psychische gronden. Een blote betwisting van psychische schade en de daaruit voortvloeiende klachten en beperkingen volstaat onder die omstandigheden niet.”

    Jurisprudentie

    • Civiel recht
    • Rechtbank Den Haag
    • Strafrecht
    • Schadevergoeding
    • Prostitutie
    • Schadevergoeding
    • Uitbuiting
    • Wederrechtelijk verkregen voordeel
    • Posttraumatische Stressstoornis (PTSS)
    • Nederlands
  5. Taal Nederlands Raad van State Het door de staatssecretaris ingesteld hoger beroep is gegrond verklaard. De staatssecretaris heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor vrijstel ...

    Het door de staatssecretaris ingesteld hoger beroep is gegrond verklaard. De staatssecretaris heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. De Afdeling oordeelt als volgt.“Gelet op het voorgaande klaagt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich onvoldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat hij aan de vreemdeling heeft kunnen tegenwerpen dat hij zijn nationaliteit en identiteit en slachtofferschap van mensenhandel niet aannemelijk heeft gemaakt. Gelet daarop heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste.”

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Artikel 8 EVRM
    • Verblijfsrecht
    • Vreemdeling
    • Art. 8 EVRM
    • Hardheidsclausule
    • Mensenhandel
    • Nederlands
  6. Taal Nederlands Rechtbank Den Haag De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De rechtbank oordeelt: 'Indien eiseres nader onderzoek van de Nederlandse autoriteiten wen ...

    De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De rechtbank oordeelt:'Indien eiseres nader onderzoek van de Nederlandse autoriteiten wenst inzake mensenhandel, ligt het op haar weg om daarvan aangifte te doen, haar asielaanvraag in te trekken en aldus opschorting van de overdracht aan Frankrijk te bereiken.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Den Haag
    • Dublin-claim
    • Nederlands
  7. Taal Nederlands 3 Rechtbank Den Haag Op 10 januari 2014 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zij heeft aan haar aanvraag ten grondslag gelegd dat zij is gevlucht omdat haar ...

    Op 10 januari 2014 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zij heeft aan haar aanvraag ten grondslag gelegd dat zij is gevlucht omdat haar vader, pastor, en haar broer bij een overval door Boko Haram tijdens een kerkdienst gedood zijn in januari 2012 en dat haar moeder daarbij gewond is geraakt. Tevens vreest eiseres voor besnijdenis.De rechtbank overweegt:'Voorts is niet in geschil dat eiseres te vrezen heeft voor besnijdenis. Verweerder heeft eiseres echter een vlucht- of vestigingsalternatief in het zuiden van, of elders in, Nigeria tegengeworpen, waar zij niet te vrezen heeft voor besnijdenis en waar zij zich eveneens aan de invloed van Boko Haram kan onttrekken, aldus verweerder. Eiseres heeft zich in dit verband beroepen op de UNHCR Guidelines on International Protection, punten 25 en 26, waarin onder meer gesteld wordt: ‘The personal circumstances of an individual should always be given due weight in assessing whether it would be unduly harsh and therefore unreasonable for the person to relocate in the proposed area. ’ Daarnaast wordt gesteld: ‘Psychological trauma arising out of past persecution may be relevant in determining whether it is reasonable to expect the claimant to relocate in the proposed area.’ Naar het oordeel van de rechtbank vloeit ook uit het bepaalde in artikel 3.37d, tweede lid, van het VV 2000 voort dat verweerder moet onderzoeken of de algemene omstandigheden en de persoonlijke omstandigheden zodanig zijn dat verblijf in het beoogde vlucht- of vestigingsalternatief van de vreemdeling gevergd kan worden. De rechtbank overweegt dienaangaande dat verweerder zich niet op het standpunt kan stellen dat eiseres terug kan vallen op de bescherming van haar ouders en broer, nu verweerder zelf beaamt dat hun lot ongewis is en verweerder onvoldoende deugdelijk gemotiveerd heeft dat het overlijden van de vader en de broer van eiseres niet geloofwaardig is. Eiseres kan evenmin terugvallen op familie die nog woonachtig is in het zuiden, want zij hangen het Arose geloof aan en zijn voorstander van besnijdenis. Eiseres kan evenmin ondersteuning vragen aan de gemeenschap van de [naam kerk] waartoe zij behoorde, aangezien deze in het noorden gevestigd is en daar de overval door Boko Haram heeft plaatsgevonden. Verder overweegt de rechtbank dat het BMA-advies van 7 juli 2014 uitgaat van de diagnose PTSS bij eiseres en dat het uitblijven van behandeling een reële kans op toename van klachten betekent. In het BMA-advies kon bij de beoordeling bovendien nog niet worden betrokken dat eiseres de zorg draagt voor een jong kindje, geboren in augustus 2014, dat met ernstige gezondheidsproblemen te maken heeft.' De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nigeria
    • Rechtbank Den Haag
    • Geloofwaardigheid
    • Paspoortvereiste
    • Reisdocumenten
    • Vestigingsalternatief
    • Vrouwenbesnijdenis/Vrouwelijke genitale verminking
    • Besnijdenis
    • Traumatabeleid
    • Afwijzing asielaanvraag
    • Boko Haram
    • Asielprocedure
    • Integrale toetsing van de geloofwaardigheid van het asielrelaas
    • Nederlands
  8. Taal Nederlands 3 Rechtbank Den Haag Verweerder heeft op goede gronden de aanvraag van eiseres om wijziging van de beperking van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de beperking ‘voortgezet verblijf’ (tha ...

    Verweerder heeft op goede gronden de aanvraag van eiseres om wijziging van de beperking van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de beperking ‘voortgezet verblijf’ (thans: ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’) afgewezen.De rechtbank stelt vast ‘dat het recht zoals dat gold ten tijde van de aanvraag, van toepassing is. Dit recht was destijds neergelegd in artikel 3.52 van het Vb 2000 en in paragraaf B16/4.5 van de Vc 2000. Anders dan eiseres betoogt, is in het primaire besluit getoetst aan het materiële recht zoals dat gold ten tijde van de aanvraag.Het betoog van eiseres dat het aan haar is om aannemelijk te maken dat zij slachtoffer is van mensenhandel en dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 3.52 van het Vb 2000, slaagt niet. De rechtbank overweegt: ‘Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het aan eiseres is aannemelijk te maken dat zij slachtoffer is geweest van mensenhandel op de wijze zoals door haar is omschreven. Dat eiseres gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd, volstaat niet.’ Naar het oordeel van de rechtbank ‘geeft de richtlijn geen aanleiding hier anders over te denken. Evenmin dwingt de richtlijn tot de conclusie dat slachtofferschap van mensenhandel aangenomen dient te worden enkel op grond van de aangifte van eiseres van mensenhandel en de hierna aan haar verleende verblijfsvergunning.’ In dit kader merkt de rechtbank nog op, ‘dat de richtlijn blijkens preambule 17 weliswaar specifieke beschermende maatregelen voor slachtoffers van mensenhandel bevat, maar geen betrekking heeft op voorwaarden voor hun verblijf op het grondgebied van de lidstaten. De richtlijn bevat dus geen regels voor het verkrijgen van rechtmatig verblijf op het grondgebied van een lidstaat.’ In hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht is geen grond gelegen voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het mensenhandel relaas van eiseres niet aannemelijk is.Volgens de rechtbank ‘stelt verweerder zich eveneens terecht op het standpunt dat de aangevoerde bijzondere individuele omstandigheden ook onder het van toepassing zijnde recht rechtstreeks verband moeten houden met mensenhandel. Nu verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is geweest van mensenhandel op de wijze zoals door haar verklaard en eiseres, hoewel verweerder de mogelijkheid openlaat dat zij op enige andere wijze slachtoffer van mensenhandel is geweest, hier ook geen ander relaas tegenover heeft gezet, heeft hij zich terecht op het standpunt gesteld dat de aangevoerde omstandigheden niet kunnen leiden tot inwilliging van de aanvraag, nu deze omstandigheden niet rechtstreeks verband houden met een (aannemelijk geacht) slachtofferschap van mensenhandel.’Wat betreft het betoog van eiseres dat de belangen van haar zoon op de eerste plaats dienen mee te wegen (door de rechtbank opgevat als een beroep op artikel 3, eerste lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK)) geeft naar het oordeel van de rechtbank het bestreden besluit er geen blijk van dat verweerder zich, bezien in het licht van artikel 3 van het IVRK, onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de zoon. De beroepsgrond faalt.Wat betreft het betoog van eiseres dat verweerder ten onrechte niet ambtshalve de toets neergelegd in de artikelen 3.6 onderscheidenlijk 6.1d van het Vb 2000, heeft uitgevoerd, overweegt de rechtbank: ‘Hoewel de ingevolge artikel 3.6, eerste lid, onderscheidenlijk 6.1d, eerste lid, van het Vb 2000 te verrichten ambtshalve beoordeling zich gelet op het bepaalde in artikel 3.6, vijfde lid en artikel 6.1d, derde lid ook uitstrekt tot situaties waarin een reguliere verblijfsvergunning is ingetrokken of de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur is afgewezen, missen deze bepalingen niettemin toepassing. Ingevolge artikel 3.6, tweede lid, gelezen in samenhang met het tweede lid van artikel 6.1d, van het Vb 2000, is verweerder immers slechts gehouden tot een zodanige ambtshalve beoordeling als de (oorspronkelijke) aanvraag betrekking had op een verblijfsvergunning als limitatief genoemd in artikel 3.6, tweede lid, van het Vb 2000. Nu hiervan geen sprake was, was verweerder bij de intrekking van de aan eiseres verleende verblijfsvergunning dan wel de beoordeling van de voorliggende aanvraag niet gehouden tot een ambtshalve beoordeling als door eiseres bepleit.’   

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nederland
    • Rechtbank Den Haag
    • Bijzondere individuele omstandigheden
    • Verblijfsvergunning
    • Belang van het kind
    • Beperking verblijfsvergunning
    • Nederlands
  9. Taal Nederlands 2 Rechtbank Den Haag De rechtbank verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op het bezwaar niet ontvankelijk. ‘Nu verweerder inmiddels een beslissing heeft genomen op het bezwaarschrift van e ...

    De rechtbank verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op het bezwaar niet ontvankelijk. ‘Nu verweerder inmiddels een beslissing heeft genomen op het bezwaarschrift van eiseres, heeft zij thans geen belang meer bij beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig beslissen van verweerder.’ Ook het beroep tegen het bestreden besluit voor zover gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd is niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast verklaart de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit voor zover gericht tegen het inreisverbod, ongegrond. Nu eiseres diverse malen is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet tot in totaal meer dan 96 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf, is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiseres terecht heeft aangemerkt als een gevaar voor de openbare orde als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn en haar op grond hiervan een vertrektermijn heeft kunnen onthouden alsmede ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000  een inreisverbod heeft mogen uitvaardigen voor de duur van tien jaren. In dit geval is geen sprake van een schending van artikel 8 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is ‘mede gelet op de ernst en de omvang van het strafrechtelijk verleden van eiseres, het beperkte tijdsverloop sinds haar delict en in aanmerking genomen dat de gemachtigde van eiseres ook ter zitting niet heeft betwist dat geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding tussen eiseres en haar (meerderjarige) kinderen, noch van objectieve belemmeringen om het gezins- en familieleven elders te continueren, geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in het kader van artikel 8, tweede lid, van het EVRM, ten onrechte het belang van de staat zwaarder heeft laten wegen dan de belangen van eiseres.’   

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nederland
    • Rechtbank Den Haag
    • Niet-ontvankelijk
    • Verblijfsvergunning
    • Artikel 8 EVRM
    • Inreisverbod
    • Openbare orde
    • Nederlands
  10. Language Dutch 55 reads States Council (Dutch) Het verzoek om Nederlanderschap is afgewezen. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris, in afwijking van de Handleiding, aan verzoeker het Nederlanderschap had moeten verlenen. De Af ...

    Het verzoek om Nederlanderschap is afgewezen. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris, in afwijking van de Handleiding, aan verzoeker het Nederlanderschap had moeten verlenen. De Afdeling overweegt als volgt: ‘Bij de toepassing van het beleid bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN, kunnen zich omstandigheden voordoen op grond waarvan slechts tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen indien van dat beleid wordt afgeweken. Een dergelijke omstandigheid doet zich voor indien de periode tussen het gepleegde strafbare feit en de tenuitvoerlegging van de opgelegde sanctie bijzonder lang is en aannemelijk is dat de late tenuitvoerlegging is te wijten aan nalaten van de justitiële autoriteiten. De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat voormelde omstandigheid zich in dit geval voordoet. Daartoe wordt ten eerste in aanmerking genomen dat het tijdsverloop tussen het door [verzoeker] gepleegde strafbare feit en het verzoek van [verzoeker] in 2008 om haar straf in Nederland te ondergaan (hierna: het overnameverzoek), aan [verzoeker] is te wijten. Zij heeft er immers voor gekozen om, in plaats van de haar opgelegde straf in Roemenië te ondergaan, naar Nederland te reizen, hetgeen tot dit tijdsverloop heeft geleid. Hierbij is van belang dat uit hetgeen [verzoeker] ter zitting van de rechtbank heeft verklaard, volgt dat zij in ieder geval sinds eind 2004 op de hoogte was van haar strafrechtelijke veroordeling. Gelet hierop betoogt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank ten onrechte betekenis heeft toegekend aan de gestelde bereidheid van [verzoeker] om de haar opgelegde straf in Nederland te ondergaan. Ten tweede wordt in aanmerking genomen dat, daargelaten of het tijdsverloop tussen het overnameverzoek en de tenuitvoerlegging van de aan [verzoeker] opgelegde straf bijzonder lang is, [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit tijdsverloop is te wijten aan nalaten van de Nederlandse justitiële autoriteiten. In dit verband is van belang dat de officier van justitie kort na indiening van het overnameverzoek bij brief van 22 januari 2009 aan [verzoeker] heeft meegedeeld dat hij in onderhandeling zou treden met de Roemeense autoriteiten. Dat dergelijke onderhandelingen noodzakelijk waren is aannemelijk, nu de Roemeense autoriteiten de tenuitvoerlegging van de aan [verzoeker] opgelegde straf zelf ter hand wilden nemen en om die reden om uitlevering van [verzoeker] hadden verzocht. [verzoeker] heeft niet gemotiveerd het standpunt van de staatssecretaris bestreden dat de officier van justitie hierbij voortvarend heeft gehandeld.’  

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nederland
    • Raad van State
    • Nederlanderschap
    • Nederlands

Pagina's