Documentsoort

  • Sociaal zekerheidsrecht
Resultaten 1 - 9 van totaal 9 resultaten
  1. Language Dutch 43 reads Central Board of Appeal (Dutch CRB) Centrale Raad van Beroep overweegt: 'Het onderscheid in bijstandsverlening dat verzoekster bestrijdt, vloeit voort uit de keuze van de wetgever om in vreemdelingenzaken rechtmatig verblijf t ...

    Centrale Raad van Beroep overweegt:'Het onderscheid in bijstandsverlening dat verzoekster bestrijdt, vloeit voort uit de keuze van de wetgever om in vreemdelingenzaken rechtmatig verblijf toe te kennen aan vreemdelingen hangende het eerste rechtsmiddel tegen de intrekking van hun toelating en niet hangende een volgend rechtsmiddel. Evenals de rechtbank ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding het hieruit voortvloeiende gevolg voor de toepassing van de WWB als een ongerechtvaardigd onderscheid aan te merken, nu geen sprake is van gelijke gevallen als onder 5.5.1 bedoeld. De omstandigheid dat verzoekster hangende het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening om beleidsmatige redenen niet werd uitgezet, maakt dit niet anders, nu dat haar tweede rechtsmiddel tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning was, zij hierdoor geen rechtmatig verblijf had, zij Nederland nu wel diende te verlaten en zij wel uitgezet kon worden. Verzoekster had hierin verandering kunnen brengen door aan te sturen op een spoedige beslissing op het door haar ingediende verzoek om een voorlopige voorziening hangende dat beroep, maar zij heeft dat in de te beoordelen periode niet of niet met succes gedaan.'

    Jurisprudentie

    • Sociaal zekerheidsrecht
    • Centrale Raad van Beroep
    • Sociale zekerheid
    • Wet Werk en Bijstand (WWB)
    • Nederlands
  2. Language Dutch 81 reads Central Board of Appeal (Dutch CRB) De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep overweegt: 'Uit 4.4 en 4.5 volgt dat al een voorziening is getroffen in het kader van de Wmo. Daar bovenop ontvangt verzoekster nog ee ...

    De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep overweegt:'Uit 4.4 en 4.5 volgt dat al een voorziening is getroffen in het kader van de Wmo. Daar bovenop ontvangt verzoekster nog een bijdrage van de stichting Diaconie. Gelet hierop is verzoekster er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van een (financieel) spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening. Voor zover verzoekster heeft willen betogen dat een zodanig belang is gelegen in de omstandigheid dat de bijdrage te laag is om in de kosten van levensonderhoud te voorzien en dat niet duidelijk is of de bijdrage uit het FGV na mei 2014 wordt voortgezet, slaagt dit betoog niet. Nog daargelaten dat uit het in 4.4 vermelde e-mailbericht van 11 maart 2014 valt op te maken dat de bijdrage uit het FGV in ieder geval zal worden voortgezet totdat op haar aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 is beslist, dient een eventuele verlenging (en/of verhoging) van deze bijdrage te worden bewerkstelligd in het kader van haar aanvraag op grond van de Wmo. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoekster zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht.'

    Jurisprudentie

    • Sociaal zekerheidsrecht
    • Centrale Raad van Beroep
    • Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
    • Wet Werk en Bijstand (WWB)
    • Nederlands
  3. Taal Nederlands 7 Centrale Raad van Beroep Centrale Raad van Beroep overweegt: 'De Svb heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat appellante op de peildata van het vierde kwartaal van 2010 en het eerste kwartaal van 2011 n ...

    Centrale Raad van Beroep overweegt:'De Svb heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat appellante op de peildata van het vierde kwartaal van 2010 en het eerste kwartaal van 2011 niet verzekerd was ingevolge de AKW, omdat zij toen nog geen ingezetene was. Verder is niet gebleken dat de Svb zijn in het beleid genoemde uitgangspunten in het geval van appellante niet stelselmatig heeft toegepast als hiervoor onder 4.4 bedoeld.'

    Jurisprudentie

    • Sociaal zekerheidsrecht
    • Centrale Raad van Beroep
    • Ingezetene
    • Nederlands
  4. Language Dutch 64 reads Central Board of Appeal (Dutch CRB) Appellante, met Nigeriaanse nationaliteit, is in 2000 naar Nederland gekomen en heeft geen verblijfsvergunning gekregen. In 2004 is appellante opgenomen bij PsyQ, de dochter is toen ondergebracht ...

    Appellante, met Nigeriaanse nationaliteit, is in 2000 naar Nederland gekomen en heeft geen verblijfsvergunning gekregen. In 2004 is appellante opgenomen bij PsyQ, de dochter is toen ondergebracht bij kennissen. Na een interventie van Bureau jeugdzorg heeft de dochter in een instelling gewoond.Op 20 juli 2011 heeft de rechtbank het verzoek om een vovo in de bezwaarprocedure over de weigering van maatschappelijke opvang ingevolge WMO toegewezen. Appellante en dochter zijn toegelaten tot De Halte van Stad en Kerk, op basis van bed-bad-broodregeling.Appellante heeft in juni 2011 een aanvraag gedaan voor de WWB, nu zij als slachtoffer van mensenhandel in aanmerking zou komen als rechthebbende op bijzondere bescherming, ingevolge artikel 3 en artikel 8 EVRM. De aanvraag is afgewezen wegens het ontbreken van een geldige verblijfstitel. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, nu appellante al van volledige kosten en inwoning was voorzien.Aan de positieve verplichting uit art. 8 EVRM kan niet voldaan worden door art. 16 WWB, en nu het COA belast is met de invulling van eventuele positieve verplichtingen voor de staat, kan de vraag of de WWB invulling geeft aan de positieve verplichting, in het midden blijven. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak, hoger beroep faalt.

    Jurisprudentie

    • Sociaal zekerheidsrecht
    • Centrale Raad van Beroep
    • Artikel 8 EVRM
    • Opvang
    • Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
    • Wet Werk en Bijstand (WWB)
    • Nederlands
  5. Language Dutch 53 reads Central Board of Appeal (Dutch CRB) Ten slotte moet vastgesteld worden dat de Svb in het bestreden besluit, bij de beoordeling of appellante op de peildata van het eerste en tweede kwartaal van 2011 als ingezetene is aan te merken, ...

    Ten slotte moet vastgesteld worden dat de Svb in het bestreden besluit, bij de beoordeling of appellante op de peildata van het eerste en tweede kwartaal van 2011 als ingezetene is aan te merken, nog is uitgegaan van een onjuist beoordelingskader. Het bestreden besluit berust om deze reden niet op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit moet dan ook wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd, zij het dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

    Jurisprudentie

    • Sociaal zekerheidsrecht
    • Centrale Raad van Beroep
    • Ingezetene
    • Kinderbijslag
    • Nederlands
  6. Language Dutch 82 reads Court of Amsterdam Bij besluit van 7 februari 2011 heeft verweerder aan eiseres met ingang van 3 januari 2011 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande toegekend. De rechtbank overweegt als volgt. In geschil is de i ...

    Bij besluit van 7 februari 2011 heeft verweerder aan eiseres met ingang van 3 januari 2011 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande toegekend. De rechtbank overweegt als volgt. In geschil is de ingangsdatum van de bijstandsuitkering van eiseres en de voor haar geldende norm. Eiseres beschikt met ingang van 22 september 2010 over een verblijfsvergunning. De kinderen van eiseres hebben met ingang van 24 januari 2011 een verblijfsvergunning gekregen.Ten aanzien van de duur van de uitkering, overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder erkend dat op de aanvraag van 26 september 2010 ten onrechte nog niet is beslist. De gemachtigde heeft daarbij vermeld dat in beginsel geen beletsel bestaat voor bijstandsverlening aan eiseres met ingang van 26 september 2010. De rechtbank begrijpt deze verklaring aldus dat verweerder niet meer achter de motivering van het bestreden besluit staat. Beroep gegrond, vernietiging besluit.Nu nog onduidelijkheid bestaat over de duur van de aanspraak van eiseres op een uitkering op grond van de Rvb ziet de geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten. Deze regeling vormt immers een aan de verlening van bijstand voorliggende voorziening.Ten aanzien van de norm van de uitkering overweegt de rechtbank dat, gelet op de uitspraken van de CRvB van 9 en 22 november 2011 bijstandsverlening aan niet met een Nederlander gelijkgestelde vreemdelingen categorisch is uitgesloten.Voor het standpunt van eiseres ter zitting dat deze uitspraken niet zien op de gevallen waarin een beroep wordt gedaan op art. 8 EVRM in samenhang met art. 14 EVRM ziet de rechtbank geen aanknopingspunt in de genoemde uitspraken. Beroep op de uitspraak van de CRvB van 15 juli 2011 slaagt niet. Deze uitspraak ziet niet op de toepassing van de WWB, maar op een oordeel over een verzoek om verlening van kinderbijslag. Beroep gegrond.

    Jurisprudentie

    • Sociaal zekerheidsrecht
    • Rechtbank Amsterdam
    • Gelijkheidsbeginsel
    • Wet Werk en Bijstand (WWB)
    • Nederlands
  7. Language Dutch 93 reads Central Board of Appeal (Dutch CRB) Hoger beroep vreemdelinge tegen uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 mei 2011 (10/3689 en 10/5853). De rechtbank heeft het besluit van het College bekrachtigd, waarin de aanvraag voor een ...

    Hoger beroep vreemdelinge tegen uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 mei 2011 (10/3689 en 10/5853). De rechtbank heeft het besluit van het College bekrachtigd, waarin de aanvraag voor een uitkering voor levensonderhoud werd afgewezen, omdat appellante geen verblijfstitel heeft op grond waarvan recht op bijstand kan bestaan. Appellante heeft de Bulgaarse nationaliteit en is daarmee EU-burger.De Raad oordeelt als volgt. Appellante heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt en heeft ook anderszins niet aannemelijk kunnen maken dat zij reeds sinds 2007 in Nederland verblijft, of in ieder geval langer dan 3 maanden voor haar aanvraag om bijstand in Nederland verbleef. Van de in art. 11 WWB bedoelde gelijkstelling met een Nederlander kan dan ook ten tijde in geding geen sprake zijn.De vraag of appellante is aan te merken als een kwetsbare persoon die op grond van artikel 3 dan wel artikel 8 EVRM bijzondere bescherming geniet, kan en zal de Raad in het kader van de WWB in het midden laten. Ook het beroep op het VN-Vrouwenverdrag treft geen doel. Daargelaten de vraag of ingeroepen verdragsbepalingen kunnen worden beschouwd als een ieder verbindende bepalingen, vermag de Raad niet in te zien dat een beroep op dit verdrag in het onderhavige geval zou moeten leiden tot een positieve verplichting van de staat om bij de toekenning van bijstand af te zien van de eis van rechtmatig verblijf.Voor de vraag of appellante opvang zou moeten worden geboden, is van belang of de betrokkene ten tijde in geding de beschikking had over onderdak. De Raad stelt vast dat uit diverse gedingstukken blijkt dat dit bij haar het geval was. Reeds hierom, kan niet aangenomen worden dat de weigering tot toelating tot de maatschappelijke opvang geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van betrokkene om wel toegelaten te worden. Hoger beroep vreemdelinge ongegrond. 

    Jurisprudentie

    • Sociaal zekerheidsrecht
    • Bulgarije
    • Centrale Raad van Beroep
    • Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
    • Wet Werk en Bijstand (WWB)
    • Artikel 3 EVRM
    • Artikel 8 EVRM
    • Opvang
    • Nederlands
  8. Language Dutch 60 reads Court of Noord-Nederland Beroep vreemdeling tegen intrekking (AWB 10/846) en afwijzing (AWB 11/370) van de aanvraag van een uitkering ingevolge de Wwb. En beroep tegen het besluit van verweerder dat eiseres niet in aanmerking komt ...

    Beroep vreemdeling tegen intrekking (AWB 10/846) en afwijzing (AWB 11/370) van de aanvraag van een uitkering ingevolge de Wwb. En beroep tegen het besluit van verweerder dat eiseres niet in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang o.g.v. de Wmo (AWB 11/545).Verweerder heeft het recht van eiseres op een bijstandsuitkering met ingang van 1 juli 2010 ingetrokken. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de feitelijke grondslag van het bestreden besluit onjuist is. De uitkering van eiseres had met ingang van 25 november 2010 ingetrokken moeten worden. Reeds om die reden is het beroep (10/846) gegrond.De rechtbank concludeert uit de uitspraak van de CRvB van 19 april 2010 dat ook in dit geval niet de Wwb maar de Wmo het primaire wettelijk kader is om de hulpvraag van eiseres te beoordelen. Het vorenstaande leidt er in de procedure met nummer 10/846 toe dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen waarin de datum van intrekking van de bijstandsuitkering wordt herzien. Het beroep in de procedure met nr. 11/370 wordt ongegrond verklaard.De rechtbank is voorts van oordeel dat het zoontje van eiseres, gelet op zijn leeftijd, tot de categorie van kwetsbare personen behoort die gezien art. 8 EVRM i.h.b. recht hebben op bescherming van hun privé- en gezinsleven. Als hij dakloos zou worden zou dat naar het oordeel van de rb tot gevolg hebben dat de normale ontwikkelen van zijn privé- en gezinsleven onmogelijk wordt gemaakt en is er sprake van een zodanige aantasting van de “very essence” van art. 8 EVRM dat er een positieve verplichting op de Staat rust om te voorzien in een voor eiseres en haar zoontje – gezien zijn leeftijd is hij immers onbetwist afhankelijk van zijn moeder – adequate opvang. Dat eiseres en haar zoontje thans geen rechtmatig verblijf hebben doet aan het vorenstaande niet af.Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van adequate opvang voor eiseres en haar zoontje in de VBL. Dat een dergelijke maatregel aan eiseres zal worden opgelegd is naar het oordeel van de rb echter onvoldoende vast komen te staan, de enkele mondelinge toezegging van de regievoerder van de DT&V aan verweerder dat dat zal gebeuren zodra eiseres in de VBL geplaatst wordt acht de rechtbank onvoldoende. Dientengevolge is ook onvoldoende duidelijk of eiseres in de VBL dan wel een gezinslocatie geplaatst kan worden, zodat de rechtbank aan de vraag of opvang daar adequaat is en kan gelden als een vovo niet toekomt.Beroep(11/545) is gegrond. Verweerder dient een besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Vovo getroffen zodat eiseres en haar zoontje toegelaten worden tot de maatschappelijk opvang vanaf 6 december 2011 tot zes weken na de datum waarop verweerder een besluit op bezwaar aan eiseres zal hebben bekendgemaakt. N.B. vovo in hoger beroep toegewezen (14 maart 2012 – 12/983 WWB+VV).

    Jurisprudentie

    • Sociaal zekerheidsrecht
    • Rechtbank Noord-Nederland
    • Artikel 8 EVRM
    • Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
    • Wet Werk en Bijstand (WWB)
    • Nederlands
  9. Language Dutch 68 reads Court of Amsterdam Beroep vreemdeling tegen de afwijzing van de aanvraag om bijstand voor woonkosten op grond van de WWB. Eiseres heeft vanaf 10 augustus 2010 rechtmatig verblijf als bedoeld in art. 8, aanhef en onder f, Vw. Op 26 ...

    Beroep vreemdeling tegen de afwijzing van de aanvraag om bijstand voor woonkosten op grond van de WWB. Eiseres heeft vanaf 10 augustus 2010 rechtmatig verblijf als bedoeld in art. 8, aanhef en onder f, Vw.Op 26 september 2010 heeft eiseres bijstand aangevraagd voor woonkosten vanaf 26 juli 2010. Desgevraagd heeft eiseres bij brief van 18 oktober 2010 meegedeeld dat zij tot 30 september 2010 geen woonkosten had en dat deze vanaf die datum € 300,- per maand bedragen. Deze aanvraag is door verweerder afgewezen. Daartegen is namens eiseres bezwaar gemaakt.Blijkens het verslag van de hoorzitting beperkt het bezwaar zich tot de periode van 26 juli 2010 tot 10 augustus 2010. Of de aanspraak op bijstand voor woonkosten ook bestaat vanaf 10 augustus dient in dit geding buiten beschouwing te blijven. De rechtbank stelt vast dat door eiseres uitdrukkelijk is erkend dat gedurende de in dit geding relevante periode feitelijk geen sprake was van woonkosten. Reeds op die grond kan de door verweerder gehandhaafde weigering om bijstand te verlenen voor die kosten de rechterlijke toetsing doorstaan. De gestelde kwetsbare positie van eiseres (en haar kinderen) leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit strijdt met art. 8 EVRM. Beroep vreemdeling ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Sociaal zekerheidsrecht
    • Rechtbank Amsterdam
    • Artikel 8 EVRM
    • Wet Werk en Bijstand (WWB)
    • Nederlands