• Jurisprudentie
  • Vreemdelingendetentie/vreemdelingenbewaring

Pagina's

Resultaten 1 - 10 van totaal 18 resultaten
  1. Language Dutch 44 reads States Council (Dutch) Hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk niet-ontvankelijk. De Raad van State oordeelt: 'In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank, voor wat betreft de beroepsgrond dat haar gemachtigd ...

    Hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk niet-ontvankelijk. De Raad van State oordeelt:'In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank, voor wat betreft de beroepsgrond dat haar gemachtigde tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling ten onrechte niet aan het woord is gelaten, op onjuiste gronden tot het oordeel is gekomen dat deze beroepsgrond niet kan slagen. De vreemdeling is bij de rechtbank in het gelijk gesteld, aangezien op zijn minst genomen sprake is van een aanwijzing dat zij slachtoffer is van mensenhandel. Zij heeft derhalve geen procesbelang bij beoordeling van de grief nu deze hoe dan ook niet kan afdoen aan de uitspraak van de rechtbank waarbij haar beroep gegrond is verklaard, de bewaring is opgeheven en haar een schadevergoeding is toegekend voor de gehele duur van de bewaring en de bestreden overwegingen niet bindend zijn in toekomstige geschillen.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Vreemdelingendetentie/vreemdelingenbewaring
    • Nederlands
  2. Language Dutch 63 reads States Council (Dutch) De Raad van State overweegt: 'Uit het voorgaande volgt dat de minister, noch de rechtbank heeft onderkend dat niet het besluit van 15 april 2008, maar het besluit van 21 januari 2010 als het eerder gegev ...

    De Raad van State overweegt:'Uit het voorgaande volgt dat de minister, noch de rechtbank heeft onderkend dat niet het besluit van 15 april 2008, maar het besluit van 21 januari 2010 als het eerder gegeven terugkeerbesluit moet worden aangemerkt. Onder verwijzing naar overweging 2.3.2. van de uitspraak van 15 juni 2012 in zaak nr. 201 203301/1/V3 (www.raadvanstate.nl) overweegt de Afdeling dat de rechtbank niettemin terecht heeft overwogen dat de in het besluit van 16 april 2012 vervatte mededeling onmiddellijk de Europese Unie te verlaten niet op rechtsgevolg is gericht, dat deze mededeling niet kan worden aangemerkt als terugkeerbesluit en dat tegen de vreemdeling bij separaat besluit een inreisverbod is uitgevaardigd.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Inreisverbod
    • Vreemdelingendetentie/vreemdelingenbewaring
    • Nederlands
  3. Language Dutch 59 reads States Council (Dutch) De Raad van State overweegt: 'Van bijzondere, individuele omstandigheden op grond waarvan de minister in het geval van de vreemdeling niettemin van vrijheidsontneming had moeten afzien of de opgelegde ma ...

    De Raad van State overweegt:'Van bijzondere, individuele omstandigheden op grond waarvan de minister in het geval van de vreemdeling niettemin van vrijheidsontneming had moeten afzien of de opgelegde maatregel had moeten opheffen, is niet gebleken. Dat het beroep in de asielzaak van de vreemdeling nog moet worden behandeld, is daartoe onvoldoende. Dat geldt evenzeer voor de gestelde medische problemen van de vreemdeling, reeds omdat zij deze niet met bewijsstukken heeft gestaafd. Voorts is het feit dat wordt onderzocht of de vreemdeling het slachtoffer is van mensenhandel, niet een dergelijke omstandigheid, nu aldus niet is vastgesteld dat de vreemdeling als zodanig is aan te merken. Deze omstandigheden bieden op zichzelf dan wel in onderlinge samenhang bezien onvoldoende grond om te oordelen dat de minister ten onrechte het grensbewakingsbelang heeft laten prevaleren boven het belang van de vreemdeling bij de toepassing van een minder dwingende maatregel.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Terugkeerrichtlijn
    • Vreemdelingendetentie/vreemdelingenbewaring
    • Nederlands
  4. Language Dutch 47 reads States Council (Dutch) De Raad van State oordeelt: 'Uit de op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt niet dat de vreemdeling tijdens de bewaring eerder dan op 18 december 2012 is gewezen op de mogelijkheid van het doen van ...

    De Raad van State oordeelt:'Uit de op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt niet dat de vreemdeling tijdens de bewaring eerder dan op 18 december 2012 is gewezen op de mogelijkheid van het doen van aangifte dan wel het op andere wijze medewerken aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar mensenhandel. Aangezien de staatssecretaris niet heeft betwist dat de KMar reeds op 5 december 2012 de bedoeling had de vreemdeling te horen en in de gelegenheid te stellen aangifte van mensenhandel te doen, valt zonder nadere toelichting niet in te zien waarom dit eerst op 18 december 2012 kon plaatsvinden. Uit vorenbedoelde stukken blijkt voorts evenmin dat tijdens de bewaring, in aanvulling op de enkele reeds voordien in dat opzicht verrichte handelingen, nog nadere handelingen zijn verricht ter verwezenlijking van de met die maatregel beoogde uitzetting van de vreemdeling.Onder de hiervoor weergegeven omstandigheden heeft de staatssecretaris niet de ter voorkoming van een onevenredig lange voortduring van de bewaring vereiste mate van voortvarendheid aan de dag gelegd. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geen aanleiding gezien een voortvarendheidsgebrek aan te nemen. De bewaring is van meet af aan onrechtmatig.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • B8/3
    • Vreemdelingendetentie/vreemdelingenbewaring
    • Aangifte
    • Nederlands
  5. Language Dutch 81 reads States Council (Dutch) De Raad van State overweegt: 'Nu de vreemdeling eerst kort na zijn inbewaringstelling melding heeft gemaakt van misbruik door zijn voormalige werkgever, kon de IND hem volgens het onder 1.1. weergegeven ...

    De Raad van State overweegt:'Nu de vreemdeling eerst kort na zijn inbewaringstelling melding heeft gemaakt van misbruik door zijn voormalige werkgever, kon de IND hem volgens het onder 1.1. weergegeven beleid uitsluitend een bedenktijd verlenen, indien het OM en de politie hiermee akkoord gingen. Ten tijde van de sluiting van het onderzoek ter zitting van de rechtbank moest echter nog door gespecialiseerde politiemedewerkers worden onderzocht of de vreemdeling werkzaam is geweest in een situatie als strafbaar gesteld in artikel 273f van het WvSr en hem een bedenktijd moest worden aangeboden. De rechtbank kon niet op de uitkomsten van dit onderzoek vooruitlopen. Zij kon dan ook niet tot het oordeel komen dat de maatregel van bewaring diende te worden opgeheven, omdat de staatssecretaris de vreemdeling een bedenktijd had moeten aanbieden.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Bedenktijd
    • Vreemdelingendetentie/vreemdelingenbewaring
    • Bedenktijd
    • Nederlands
  6. 74 reads Court of Rotterdam Language Dutch Beroep van eiser van Sierra Leonese afkomst tegen de maatregel van bewaring. Het betoog van eiser dat hij onrechtmatig is staandegehouden slaagt niet. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 5 maar ...

    Beroep van eiser van Sierra Leonese afkomst tegen de maatregel van bewaring. Het betoog van eiser dat hij onrechtmatig is staandegehouden slaagt niet. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2010 (LJN BL7419) oordeelt de rechtbank de informatie verkregen uit het politieonderzoek in december 2010 ten tijde van de staandehouding van eiser voldoende was voor een, naar objectieve maatstaven gemeten, redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de staandehouding van eiser rechtmatig was.Eiser stelt dat de gronden voor de maatregel deze niet kunnen dragen. Verweerder stelt dat er aanwijzingen zijn om te vermoeden dat eiser zich aan de uitzetting zal onttrekken, hetgeen volgens verweerder blijkt uit de omstandigheden dat eiser: (a) geen identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 Vb bezit, (b) geen vaste woon-of verblijfplaats heeft, (c) zich niet heeft aangemeld bij de korpschef, (d) eerder niet rechtmatig in Nederland verbleef en (e) onvoldoende middelen van bestaan heeft. De omstandigheden als hiervoor genoemd onder (c) en (d) zijn niet bestreden door eiser.Dit is voor de rechtbank voldoende om te oordelen dat voldaan is aan art. 15 lid 1(b) Tri. Met betrekking tot het feit dat eiser minderjarig is, oordeelt de rechtbank dat niet is gebleken dat er buiten de jeugdinrichting waar hij momenteel verblijft voor hem opvang beschikbaar is die hem de benodigde zorg en bescherming kan bieden en waar de kans op onttrekkingsgevaar minimaal is. Gelet hierop kan niet gezegd worden dat verweerder in strijd met art. 17 lid 1 Tri of paragraaf A6/1.5 Vc heeft gehandeld. Beroep ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Sierra Leone
    • Rechtbank Rotterdam
    • Minderjarigen / Kinderhandel
    • Minderjarige
    • Vreemdelingendetentie/vreemdelingenbewaring
    • Nederlands
  7. Language Dutch 59 reads Court of Rotterdam De gemachtigde van eiseres voert terecht aan dat verweerder na de oplegging van de maatregel van bewaring niet bevoegd was de mobiele telefoon van eiseres uit te lezen. Het uitlezen van een mobiele telefoon tegen ...

    De gemachtigde van eiseres voert terecht aan dat verweerder na de oplegging van de maatregel van bewaring niet bevoegd was de mobiele telefoon van eiseres uit te lezen. Het uitlezen van een mobiele telefoon tegen de wil van de gebruiker is een inmenging in het privéleven van de gebruiker. Deze inmenging is slechts toegestaan onder omstandigheden genoemd in art. 8 lid 2 EVRM. Dit artikel vereist dat voor de inmenging ten minste een wettelijke grondslag bestaat.Verweerder wijst op art. 50 lid 5 Vw. De rechtbank concludeert echter dat de bevoegdheid in lid 5, onlosmakelijk verbonden is met de ophouding en het doel van de ophouding, en eindigt wanneer de ophouding eindigt. Een andere lezing van art. 50 lid 5 Vw zou niet alleen een bevoegdheid scheppen om tijdens de bewaring de zaken van een vreemdeling te onderzoeken, maar tevens een bevoegdheid scheppen om tijdens de bewaring de vreemdeling aan lichaam en kleding te onderzoeken. Uit niets blijkt dat de wetgever deze bevoegdheid heeft willen scheppen in art. 50 Vw.Nu de telefoon weliswaar tijdens de ophouding bij eiseres is gevonden, maar pas op 4 februari 2008, tijdens de bewaring, is uitgelezen, kón het uitlezen van de telefoon niet meer tot doel hebben bij te dragen aan het onderzoek tijdens de ophouding.Gelet daarop oordeelt de rechtbank dat de telefoon is uitgelezen zonder dat daarvoor een wettelijke grondslag bestond. Het uitlezen is dan ook onrechtmatig geschied. Deze inbreuk van art. 8 ERVM is zodanig ernstig, dat de belangen van verweerder bij voortzetting van de bewaring hier niet tegen opwegen. Hierop gelet is voortzetting van de maatregel van bewaring met ingang van 4 februari 2008 onrechtmatig. Beroep gegrond. NB: Hoger beroep van de SvJ is gegrond (13 mei 2008, nr. 200801535/1). (Jv 2008/181)

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Rotterdam
    • Artikel 8 EVRM
    • Vreemdelingendetentie/vreemdelingenbewaring
    • Nederlands
  8. Language Dutch 72 reads Court of Noord-Holland De staatssecretaris heeft de vreemdeling de toegang tot Nederland geweigerd op 3 september 2012 en aansluitend aan haar strafrechtelijke detentie een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op 10 november 2012 ...

    De staatssecretaris heeft de vreemdeling de toegang tot Nederland geweigerd op 3 september 2012 en aansluitend aan haar strafrechtelijke detentie een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op 10 november 2012. De vreemdeling heeft 12 november 2012 asiel aangevraagd. De vreemdeling stelt het volgende: Omdat de vreemdeling asiel heeft aangevraagd stelt zij toegang te hebben tot het Schengengebied, gelet op de uispraak van de ABRvS van 4 oktober 2011, LJN: BT7118. De toegangsweigering is hiermee komen te vervallen. Haar kon desniettemin de verdere toegang worden geweigerd. Er zit echter in het dossier geen besluit waaruit blijkt dat de vreemdeling, nadat zij in verband met haar asielaanvraag toegang tot het Schengengebied had gekregen, de verdere toegang is geweigerd.De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 7 Vw de vreemdeling gedurende haar strafrechtelijke detentie de toegang geweigerd is gebleven. Dat de vreemdeling te kennen heeft gegeven dat zij asiel wil aanvragen betekent niet dat daarmee van rechtswege de toegangsweigering is komen te vervallen. De staatssecretaris heeft het besluit tot toegangsweigering van 3 september 2012 ook niet ingetrokken. De staatssecretaris heeft enkel in verband met de asielaanvraag van de vreemdeling in de plaatsingsbeschikking gespecificeerd dat haar de verdere toegang is geweigerd. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de toegangsweigering nog steeds van kracht is, zodat haar ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, Vw een vrijheidsontnemende maatregel kon worden opgelegd. Beroep ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Noord-Holland
    • Asielprocedure
    • Vreemdelingendetentie/vreemdelingenbewaring
    • Nederlands
  9. Taal Nederlands 5 Rechtbank Gelderland Volgens paragraaf B9/3.1 van de Vc 2000 kunnen, ook ten aanzien van vreemdelingen op wie een maatregel conform artikel 59 Vw van toepassing is, er aanwijzingen zijn dat zij slachtoffer van mensenhandel ...

    Volgens paragraaf B9/3.1 van de Vc 2000 kunnen, ook ten aanzien van vreemdelingen op wie een maatregel conform artikel 59 Vw van toepassing is, er aanwijzingen zijn dat zij slachtoffer van mensenhandel zijn. Indien er tijdens vreemdelingenbewaring aanwijzingen zijn dat de vreemdeling slachtoffer is van mensenhandel, dient de politie de vreemdeling te wijzen op de mogelijkheid van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporing- of vervolgingsonderzoek ter zake mensenhandel. Ook dan heeft het vermoedelijke slachtoffer van mensenhandel recht op de bedenktijdfase.Het verlenen van de bedenktijd heeft tot gevolg dat de grondslag aan de bewaring komt te ontvallen en de bewaring derhalve dient te worden opgeheven. In die gevallen zal de bedenktijdfase echter alleen verleend worden indien het OM en de politie hiermee akkoord gaan. De rechtbank merkt hierbij wel op dat door acceptatie van de bedenktijd of door het doen van aangifte de grondslag van een inbewaringstelling ontvalt, aangezien er dan geen sprake meer is van illegaal verblijf en van zicht op uitzetting omdat de uitzetting immers tijdelijk wordt opgeschort.De omstandigheid dat de verplichting om een vreemdeling op de B9-procedure te wijzen op de politie rust, ontslaat de minister niet van de verplichting om dit proces te bewaken. Nu de minister ter zitting heeft verklaard dat de stukken van de onderhavige procedure naar de politie zijn doorgestuurd, ziet de rechtbank vooralsnog geen aanleiding om te oordelen dat minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Beroep ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Gelderland
    • B8/3
    • Vreemdelingendetentie/vreemdelingenbewaring
    • B8/3
    • Nederlands
  10. Language Dutch 67 reads Court of Noord-Nederland Volgens paragraaf B9/3 van de Vc 2000 wordt aan vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel een periode gegund van maximaal drie maanden, waarbinnen zij moeten beslissen of zij aangifte willen doen van mens ...

    Volgens paragraaf B9/3 van de Vc 2000 wordt aan vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel een periode gegund van maximaal drie maanden, waarbinnen zij moeten beslissen of zij aangifte willen doen van mensenhandel. Er is alleen bedenktijd voor de categorieën in B9/2 van de Vc 2000. De laatste categorie betreft vreemdelingen die nog niet in Nederland werkzaam zijn geweest, die niet over een geldige verblijfstitel beschikken, maar wel mogelijk slachtoffer zijn van mensenhandel.Verweerder bestrijdt niet dat eiser in ieder geval onder deze categorie valt. Ter zitting heeft eiser verklaard ook een aantal maanden in Nederland te hebben gewerkt. Mogelijk valt hij dus in de categorie van slachtoffers van overige in artikel 273 Sr strafbaar gestelde feiten, die niet over een geldige verblijfstitel in Nederland beschikken. Hierop gelet moet eiser een bedenktijd van drie maanden worden gegund. Verweerder heeft in strijd met het beleid het beroep van eiser op deze bedenktijd niet gehonoreerd. Door acceptatie van de bedenktijd ontvalt de grondslag aan de inbewaringstelling, aangezien er geen sprake meer is van illegaal verblijf en van zicht op uitzetting. Dit maakt dat de bewaring onrechtmatig is vanaf het moment dat aan eiser bedenktijd had moeten worden gegund. Beroep gegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Noord-Nederland
    • B8/3
    • Vreemdelingendetentie/vreemdelingenbewaring
    • Bedenktijd
    • Nederlands

Pagina's