• Jurisprudentie
  • Kinderpardon
Resultaten 1 - 4 van totaal 4 resultaten
  1. 69 reads States Council (Dutch) Language Dutch 'Over het onderscheid tussen vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend en vreemdelingen die een procedure voor vergunningverlening in het kader van mensenhandel hebben doorlopen, heeft de rech ...

    'Over het onderscheid tussen vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend en vreemdelingen die een procedure voor vergunningverlening in het kader van mensenhandel hebben doorlopen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de procedure voor vergunningverlening in het kader van mensenhandel op zichzelf, daargelaten eventuele vervolgprocedures, kort en snel van aard is. Vergunningverlening is in dat geval gekoppeld aan aangifte van mensenhandel en de bijbehorende strafrechtelijke procedure, waarbij opvang niet in asielzoekerscentra geschiedt. Als de aangifte niet leidt tot vervolging, wordt het verblijf bovendien beëindigd. Bedoelde procedure kent derhalve een specifiek karakter en is toegesneden op een bijzondere categorie vreemdelingen, zodat ook de positie van vreemdelingen die die procedure hebben doorlopen niet vergelijkbaar is met die van vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend. Dat, zoals de vreemdelingen betogen, de Staat ook bijzondere internationale verplichtingen heeft ten aanzien van vreemdelingen die vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel zijn geworden maar geen asielaanvraag hebben ingediend, kan gelet op het voorgaande aan voormeld verschil niet afdoen, hetgeen de rechtbank heeft onderkend.'Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nederland
    • Raad van State
    • Kinderpardon
    • Kinderpardon
    • Overgangsregeling
    • Nederlands
  2. 9 Rechtbank Den Haag Taal Nederlands In deze zaak gaat het om een familie die volgens de staatssecretaris niet in beeld was van de Rijksoverheid. De opvang van deze familie was echter door de overheid zelf beëindigd. Na de beëindiging van de ...

    In deze zaak gaat het om een familie die volgens de staatssecretaris niet in beeld was van de Rijksoverheid. De opvang van deze familie was echter door de overheid zelf beëindigd. Na de beëindiging van de opvang is de familie nog onder toezicht gebleven van de gemeente. Het mag gezinnen volgens de rechter niet tegen worden geworpen dat zij niet in beeld waren bij de Rijksoverheid wanneer zij niet zelf hebben gekozen voor een leven in de illegaliteit. Omdat de familie al deze tijd bekend is gebleven bij de gemeente heeft het nooit 'bewust' gekozen voor een leven in de illegaliteit.''De wijze waarop verweerder uitvoering geeft aan het in de Regeling opgenomen beleid, leidt er naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte toe dat vreemdelingen die zich niet actief hebben onttrokken aan het toezicht of niet bewust de illegaliteit hebben gekozen, niet onder de werking van het beleid vallen, ook niet indien zij steeds onder toezicht zijn gebleven van de (zij het gemeentelijke) overheid.'' 

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nederland
    • Rechtbank Den Haag
    • Kinderpardon
    • Toezicht
    • Kinderpardon
    • Illegaliteit
    • Overgangsregeling
    • Nederlands
  3. 10 Rechtbank Den Haag Taal Nederlands Eiseressen stellen zich primair op het standpunt dat de Kinderregeling (Kinderpardon) een niet gerechtvaardigd onderscheid bevat tussen asielkinderen en kinderen wiens ouders geen asielaanvraag hebben in ...

    Eiseressen stellen zich primair op het standpunt dat de Kinderregeling (Kinderpardon) een niet gerechtvaardigd onderscheid bevat tussen asielkinderen en kinderen wiens ouders geen asielaanvraag hebben ingediend. De rechtbank overweegt:'De stelling van eiseres 2 dat, voor zover er in het algemeen al een gerechtvaardigd onderscheid bestaat, dit in haar specifieke geval niet opgaat vanwege de B9 vergunning die zij heeft gehad waarbij artikel 3 van het EVRM ook een rol speelt bij de het verzoek om voortgezet verblijf , volgt de rechtbank niet. Vooropgesteld moet worden dat het voor eiseres 2 vrij stond na afloop van de geldigheid van haar B9 vergunning asiel aan te vragen. Eiseres 2 heeft hier om haar moverende redenen niet voor gekozen maar een reguliere aanvraag om voortgezet verblijf ingediend. Dat in deze procedure de aangevoerde asielgerelateerde omstandigheden zijn getoetst en niet tot een vergunning hebben geleid, maakt niet dat deze aanvraag gelijk moet worden gesteld met een asielaanvraag. Evenmin maakt het gegeven dat voor de Nederlandse staat ook een bijzondere verantwoordelijkheid voor slachtoffers van mensenhandel bestaat, niet dat deze op één lijn moet worden gesteld met de bijzondere verantwoordelijkheid die de Nederlandse staat heeft voor asielzoekers en hun minderjarige kinderen zoals hiervoor ook is weergegeven. De B9-procedures verschillen daarnaast ook qua karakter en duur wezenlijk van asielprocedures. Dat bij B9-procedures eveneens sprake kan zijn van subjectieve vrees voor terugkeer naar het land van herkomst, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om het gemaakte onderscheid niet gerechtvaardigd te achten. Hierbij acht de rechtbank mede van belang dat de vreemdeling die in het bezit is van een B9-vergunning hier te lande rechtmatig verblijf heeft en aldus gedurende die periode beschermd is tegen gedwongen terugkeer. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de Regeling ook op dit punt niet in strijd is met de (inter)nationale discriminatieverboden zoals door eiseressen aangehaald.'Het beroep op de hoorplicht slaagt, beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden in stand gelaten.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nigeria
    • Rechtbank Den Haag
    • Artikel 8 EVRM
    • Kinderpardon
    • Artikel 8 EVRM
    • Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK)
    • Kinderpardon
    • Nederlands
  4. Taal Nederlands 16 Rechtbank Den Haag Gerechtvaardigd onderscheid tussen vreemdelingen met een asielverblijfsvergunning en vreemdelingen met een reguliere verblijfsvergunning met betrekking tot het kinderpardon. De staatssecretaris heeft de ...

    Gerechtvaardigd onderscheid tussen vreemdelingen met een asielverblijfsvergunning en vreemdelingen met een reguliere verblijfsvergunning met betrekking tot het kinderpardon.De staatssecretaris heeft de aanvragen afgewezen omdat niet is voldaan aan de voorwaarde uit de Kinderregeling dat ten behoeven van vreemdeling 1 een asielaanvraag moet zijn ingediend. De moeder van vreemdeling 1 is eerder in het bezit geweest van een reguliere verblijfsvergunning onder de beperking vervolging van mensenhandel. De vreemdelingen hebben aangevoerd dat het onderscheid in de Kinderregeling tussen vreemdelingen met een asielachtergrond en aanvragers met een reguliere achtergrond onrechtmatig is en in strijd met internationale verdragen.Uit het arrest Butt t. Noorwegen van het EHRM (47017/09) van 4 december 2012 en de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013 in zaak nr 201207970/1 maakt de rechtbank op dat door ouders gemaakte keuzes mogen worden toegerekend. Indien aan het kind een verblijfsvergunning op grond van de Kinderregeling zou worden verleend, zouden de ouders ook een verblijfsvergunning krijgen. Er is een risico dat ouders de positie van hun kinderen misbruiken om een verblijfrecht te verkrijgen.Voorts heeft de staatssecretaris naar het oordeel van de rechtbank zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwezig is voor het gemaakte onderscheid. De staatssecretaris heeft daarbij kunnen wijzen op het verschil in verantwoordelijkheid van de overheid voor asielzoekers en voor andere vreemdelingen, dat de positie van vreemdelingen tijdens de asielprocedure verschilt van de positie van andere vreemdelingen en ook gewicht kunnen toekennen aan de omstandigheid dat asielprocedures lang en slepend kunnen zijn. Er is geen sprake van strijd met artikel 14 EVRM. De staatssecretaris heeft zich ook op het standpunt mogen stellen dat geen sprake is van het recht op eerbiediging van het privéleven, alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden zijn kenbaar betrokken.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Den Haag
    • Artikel 8 EVRM
    • Kinderpardon
    • Artikel 8 EVRM
    • Kinderpardon
    • Nederlands