• Verblijfsrecht
  • Hoorplicht

Door MHW geduid als zeer belangrijk

Resultaten 1 - 2 van totaal 2 resultaten
  1. Taal Nederlands Rechtbank Den Haag Eiseres is slachtoffer van mensenhandel en heeft een B8 verblijfsvergunning gehad. Aanvraag voor een verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden (voortgezet verblijf) is afgewezen. Eiseres voer ...

    Eiseres is slachtoffer van mensenhandel en heeft een B8 verblijfsvergunning gehad. Aanvraag voor een verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden (voortgezet verblijf) is afgewezen. Eiseres voert onder andere aan dat zij op basis van de IND-werkinstructie gehoord had moeten worden. Verweerder stelt dat het een interne werkinstructie uit 2009 is die in de praktijk niet meer wordt gevolgd. De rechtbank oordeelt:' Nu verweerder betwist dat vermelde werkinstructie uit 2009 nog gehanteerd wordt in de beslispraktijk en eiseres, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder, anders dan betoogd, nog immer toepassing geeft aan deze werkinstructie, volgt de rechtbank eiseres niet in het betoog dat verweerder niet van horen had kunnen afzien op grond van de werkinstructie.' Verder oordeelt de rechtbank:'De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de opgenomen overwegingen, de aangevoerde factoren, ook in onderlinge samenhang bezien, voldoende heeft beoordeeld. Verweerder kan aldus gevolgd worden in zijn standpunt dat van risico’s op represailles niet gebleken is, nu gesteld noch gebleken is dat eiseres ooit nog door de mensenhandelaren is benaderd dan wel bedreigd, dat zij met behulp van derden in staat moet worden geacht te herintegreren in Gambia en dat de medische omstandigheden en overige factoren, op zichzelf, noch in onderlinge samenhang bezien, zijn aan te merken als bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan eiseres blijvend op Nederland zou zijn aangewezen. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd, heeft verweerder onvoldoende kunnen achten voor een ander standpunt. De beroepsgrond slaagt niet.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Den Haag
    • Voortgezet verblijf
    • Nader gehoor
    • Voortgezet verblijf
    • Hoorplicht
    • IND-werkinstructie
    • Nederlands
  2. Language Dutch 82 reads National Ombudsman Ten aanzien van de aangifte tot mensenhandel speelt naast het belang van effectieve bestrijding van mensenhandel het belang van voorkomen van misbruik van de aangiftemogelijkheid om vreemdelingenrechtelijke voord ...

    Ten aanzien van de aangifte tot mensenhandel speelt naast het belang van effectieve bestrijding van mensenhandel het belang van voorkomen van misbruik van de aangiftemogelijkheid om vreemdelingenrechtelijke voordelen te behalen.Toen verzoekster aangifte wilde doen had de politie - en later ook de officier van justitie - kennelijk het idee dat het verzoekster om verkrijging van de vreemdelingenrechtelijke status ging en niet zozeer om opsporing en vervolging van het feit. Dat was de reden om eerst onderzoek te verrichten naar de betrouwbaarheid van verzoeksters verklaringen. Hieruit rees twijfel over de juistheid van de reis- en verblijfgegevens en de aangifte werd dan ook niet opgenomen. Dit laatste is onjuist.Gelet op artikel 163 Sv geldt het uitgangspunt dat er weinig ruimte is om geen aangifte op te nemen. Dit neemt niet weg dat in deze zaak, waar twijfel over de bedoelingen van verzoekster niet onbegrijpelijk was, aangifte toch had moeten worden opgenomen, omdat niet op voorhand, zonder verder onderzoek en zonder twijfel kan worden vastgesteld dat de gedraging geen strafbaar feit is. Indien men vermoedt dat het bij aangifte eigenlijk alleen om de vreemdelingenrechtelijke status gaat én er (bijna) geen aanknopingspunten voor opsporing zijn, kan alsnog worden besloten geen (verder) onderzoek te doen en dit aan de IND door te geven. Dan is wel een beroep ex artikel 12 Sv mogelijk.De gedraging is onbehoorlijk wegens schending van het beginsel van fair play. Ten aanzien van het vereiste van hoor en wederhoor in de zin van artikel 9:10 Awb geldt dat de hoofdofficier van justitie verzoekster in de gelegenheid had moeten stellen te worden gehoord, nu de hoofdofficier de klacht niet als kennelijk ongegrond heeft aangemerkt en verzoekster niet heeft aangegeven geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord. Er is gehandeld in strijd met het vereiste van hoor en wederhoor. (JV 2006/391).

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nationale Ombudsman
    • B8/3
    • Aangifte
    • Valse aangifte
    • Misbruik B8/3 (B9)
    • Fair play
    • Hoorplicht
    • Nederlands