Documentsoort

Trefwoord

Organisatie

  • Jurisprudentie

Pagina's

Resultaten 1 - 10 van totaal 995 resultaten
  1. Language Dutch 73 reads (JV 2005/119, m.nt. Van Blokland) Appellante is het niet eens met de overweging dat de bewijslast voor de mate van bescherming tegen het risico van represailles die de autoriteiten van Slowakije bereid en in staat zijn te bieden, b ...

    (JV 2005/119, m.nt. Van Blokland) Appellante is het niet eens met de overweging dat de bewijslast voor de mate van bescherming tegen het risico van represailles die de autoriteiten van Slowakije bereid en in staat zijn te bieden, bij appellante ligt. Zij wijst erop dat gezien de brief van de minister op haar slechts een inspanningsverplichting rust om een terugkeerrisico aan te tonen.De Afdeling oordeelt dat het in beginsel aan appellante is om de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken waaruit verwacht kan worden dat haar geen bescherming door de Slowaakse autoriteiten geboden zal worden en ook in de brief van de minister staat dat voorop. De bewijslast om aannemelijk te maken dat zij het risico van represailles loopt en dat de autoriteiten van Slowakije niet bereid en in staat zijn bescherming te bieden, ligt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, bij appelante.Met betrekking tot de tweede grief overweegt de Afdeling dat de rechtbank niet ten onrechte marginaal heeft getoetst aangezien de minister bij de hantering van de maatstaf gegeven in Paragraaf B9/4.6 van de Vc2000, op verschillende onderdelen, waaronder de inschatting van een bepaald risico en de mate van bescherming daartegen, nog beoordelingsvrijheid heeft. Hoger beroep vreemdeling kennelijk ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Voortgezet verblijf
    • Bewijslast
    • Toetsing
    • Nederlands
  2. Language Dutch 57 reads Appellante heeft op 6 juni 2002 een verlenging aangevraagd voor haar vtv onder de beperking mensenhandel. Zij betoogt dat de rechtbank ten onrechte overwogen heeft dat zij niet voor gevraagde verlenging in aanmerking komt. Volgens ...

    Appellante heeft op 6 juni 2002 een verlenging aangevraagd voor haar vtv onder de beperking mensenhandel. Zij betoogt dat de rechtbank ten onrechte overwogen heeft dat zij niet voor gevraagde verlenging in aanmerking komt. Volgens het gevoerde beleid komt de grond onder zo’n vtv te ontvallen, indien de uitspraak in de strafzaak onherroepelijk is geworden. Hierbij is het niet van belang dat betrokkenen ten tijde van een eventuele aanvraag om verlenging daarvan op de hoogte is. Verder betoogt appellante dat de minister haar had moeten informeren over het onherroepelijk worden van de uitspraak.Volgens B9/4.5 Vc 2000 doet het OM melding van het onherroepelijk worden van de uitspraak aan de contactpersoon van de IND en het slachtoffer van de mensenhandel. Overigens bestaan evenmin aanknopingspunten om appellante te volgen, waar zij stelt dat op de minister ter zake een informatieplicht rust. Dat het OM de op hem rustende meldingsplicht mogelijk niet is nagekomen, heeft de rechtbank onder die omstandigheden terecht niet geleid tot gegrondverklaring van het beroep. Hoger beroep ongegrond. (JV 2005/465)

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • B8/3
    • Informatieplicht
    • Nederlands
  3. 72 reads Language Dutch Appellant klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen – in navolging van de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2003 (200305419/1)- dat slechts de eerste drie Boultif-criteria van toepassing zouden zijn, omdat appella ...

    Appellant klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen – in navolging van de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2003 (200305419/1) - dat slechts de eerste drie Boultif-criteria van toepassing zouden zijn, omdat appellant als volwassene naar Nederland is gekomen. Lettend op de overwegingen 31 t/m 33 van het arrest Radovanovic concludeert de Afdeling dat hetgeen zij in haar uitspraak van 27 oktober 2003 uit overweging 33 van het arrest Benhebba heeft afgeleid, gedeeltelijk op een andere lezing van dat arrest berust, dan het EHRM heeft beoogd. Die overweging moet aldus worden begrepen, dat t.a.v. vreemdelingen die in het gastland zijn geboren, dan wel daar op jeugdige leeftijd zijn gaan wonen en een gezin hebben gesticht alle criteria uit het arrest Boultif gelden, maar dat indien deze geen gezin hebben gesticht, slechts de eerste drie criteria toepasselijk zijn. Verder dient rekening te worden gehouden met de familiebanden en sociale banden die zij in het gastland hebben. De aangevallen uitspraak wordt echter niet vernietigd. Appellant is als volwassene naar Nederland gekomen, heeft hier gezinsleven en derhalve zijn alle Boultif-criteria van toepassing. In de belangenafweging dient echter meer gewicht toegekend te worden aan het algemeen belang. Zwaar wegen het medeplegen van verkrachting; andere veroordelingen; verdenking van het bezit/handel in wapens en betrokkenheid bij mensenhandel. Van een stabiel, hecht en bestendig gezinsleven was geen sprake; nauwelijks is bijgedragen aan het levensonderhoud van zijn gezin en verbleef hij gedurende een substantieel deel van de periode in de gevangenis. Ook is van belang geacht dat hij het gezinsleven kan voortzetten, zoals dat bestond voor zijn komst naar Nederland. (JV 2006/418)

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Ongewenstverklaring
    • Nederlands
  4. Language Dutch 101 reads De rechtbank (Maastricht, 25 april 2006, AWB 06/18336) heeft het beroep tegen vreemdelingenbewaring gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend. De minister klaagt dat de rechtbank door te overwegen dat de vreemdeling niet in ...

    De rechtbank (Maastricht, 25 april 2006, AWB 06/18336) heeft het beroep tegen vreemdelingenbewaring gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend. De minister klaagt dat de rechtbank door te overwegen dat de vreemdeling niet in bewaring had mogen worden gesteld, nu hij een asielaanvraag wilde indienen, heeft miskend dat de vreemdeling pas twee dagen na zijn inbewaringstelling asiel heeft aangevraagd en daartoe eerder geen blijk heeft gegeven.Uit de verklaringen van de vreemdeling blijkt dat hij de Iraakse nationaliteit heeft maar geen paspoort en dat hij zijn land is ontvlucht. Hieruit in samenhang met de toen bekende feiten heeft de minister niet hoeven aannemen dat de vreemdeling asiel heeft willen aanvragen. De grief slaagt. Hoger beroep gegrond. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, oordeelt de Afdeling dat op grond van de asielaanvraag de grondslag voor de inbewaringstelling is gewijzigd.Toegevoegd is dat de vreemdeling zich heeft bediend van een of meer aliassen. De minister heeft, nu de vreemdeling zijn nationaliteit en identiteit niet kan staven met documenten, mede gezien de andere gronden, in redelijkheid kunnen stellen dat de openbare orde de bewaring vorderde en da termen aanwezig waren om de bewaring op een andere grondslag voor te zetten, nadat de vreemdeling asiel had aangevraagd.De minister heeft niet gehandeld in strijd met paragraaf A5/5.3.3.6 Vc 2000. Dat de vreemdeling naar gesteld nog als getuige van mensensmokkel zal worden gehoord, kan ook evenmin leiden tot het oordeel dat inbewaringstelling onrechtmatig is, nu dit niet betekent dat zicht op uitzetting ontbreekt. Beroep alsnog ongegrond. (JV 2006/316 m.nt Baudoin)

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Irak
    • Vreemdelingendetentie/vreemdelingenbewaring
    • Nederlands
  5. 42 reads Language Dutch De vreemdeling gaat in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 24 mei 2006 (AWB 06/22952). Appellant klaagt dat geen inbewaringstelling had mogen plaatsvinden omdat al voorafgaand aan de inbewaringstelling be ...

    De vreemdeling gaat in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 24 mei 2006 (AWB 06/22952). Appellant klaagt dat geen inbewaringstelling had mogen plaatsvinden omdat al voorafgaand aan de inbewaringstelling bekend was dat hij vermoedelijk slachtoffer was van mensenhandel.De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft overwogen dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vorderde. Dat bij de inbewaringstelling, naar gesteld, bekend was dat appellant was aangetroffen in het kader van een onderzoek naar mensenhandel en mensensmokkel, doet niet af aan de rechtmatigheid van de maatregel, nu een vreemdeling ook onder die omstandigheden in bewaring mag worden gesteld. Hoger beroep ongegrond. (JV 2006/325 m.nt van Kalmthout)

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nederlands
  6. Taal Nederlands 22 EHRM Uitspraak Europese Hof voor Rechten van de Mens, Rantsev v. Cyprus and Russia 07.01.10  005 07.01.2010 Press release issued by the Registrar Chamber judgment 1 Rantsev v. Cyprus and Russia (application no. 25965/04) C ...

    Uitspraak Europese Hof voor Rechten van de Mens, Rantsev v. Cyprus and Russia 07.01.10 

    Jurisprudentie

    • Jurisprudentie EHRM
    • EHRM
    • Refoulement
    • Artikel 4 EVRM
    • Mensenrechtelijke benadering
    • Indirect refoulement
    • Engels
  7. Language Dutch 50 reads The Hague Court of Justice Verdachte heeft gedurende een periode van bijna een jaar twee minderjarige meisjes van net zestien ertoe gebracht zich beschikbaar te stellen. Verdachte heeft geprofiteerd van de opbrengsten uit de werkza ...

    Verdachte heeft gedurende een periode van bijna een jaar twee minderjarige meisjes van net zestien ertoe gebracht zich beschikbaar te stellen. Verdachte heeft geprofiteerd van de opbrengsten uit de werkzaamheden van de meisjes. Verdachte wordt veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf.

    Jurisprudentie

    • Strafrecht
    • Gerechtshof Den Haag
    • Minderjarigen / Kinderhandel
    • Minderjarigen
    • Misbruik van uit feitelijke omstandigheden vloeiend overwicht
    • Misbruik van omstandigheden
    • Minderjarige
    • Nederlands
  8. Language Dutch 55 reads States Council (Dutch) Verzoek tot Nederlanderschap afgewezen omdat verzoeker is veroordeeld voor mensenhandel. Raad vanstate 2000492 199901597/1. Datum uitspraak:- 9 tIMI 2000 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger be ...

    Verzoek tot Nederlanderschap afgewezen omdat verzoeker is veroordeeld voor mensenhandel.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Naturalisatie
    • Nederlands
  9. Language Dutch 77 reads States Council (Dutch) Hoger beroep tegen de uitspraak van Rb Den Haag van 3.7.2003. Appellant klaagt dat de rechter heeft miskend dat haar in de asielprocedure een bedenktijd gegund had moeten worden als bedoeld in Vc/B9. De Afdel ...

    Hoger beroep tegen de uitspraak van Rb Den Haag van 3.7.2003. Appellant klaagt dat de rechter heeft miskend dat haar in de asielprocedure een bedenktijd gegund had moeten worden als bedoeld in Vc/B9. De Afdeling oordeelt dat dit beleid betrekking heeft op de behandeling van een reguliere aanvraag met de beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel als bedoeld in art. 3.48 Vb. Deze bedenktijd is niet van toepassing op asielaanvragen. Hoger beroep ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Bedenktijd
    • Nederlands
  10. Language Dutch 68 reads States Council (Dutch) De rechtbank heeft niet onderkend dat voor de betekenis van artikel 3.88 Vb 2000 de tekst van die bepaling als uitgangspunt dient te worden genomen. Aangezien in het artikel in duidelijke bewoordingen is neer ...

    De rechtbank heeft niet onderkend dat voor de betekenis van artikel 3.88 Vb 2000 de tekst van die bepaling als uitgangspunt dient te worden genomen. Aangezien in het artikel in duidelijke bewoordingen is neergelegd dat de vreemdeling tegen de beslissing tot niet vervolging of niet verdere vervolging van de verdachte van mensenhandel schriftelijk beklag moet hebben gedaan bij het gerechtshof en uit de bepaling ook duidelijk volgt dat daarbij wordt gedoeld op de vreemdeling die een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning heeft ingediend, is de tekst bepalend voor de uitleg van het artikel. De rechter komt dan niet toe aan een van die tekst afwijkende, door hem redelijk bevonden uitleg, als door de rechtbank in de bestreden overweging neergelegd. Nu voorts niet in geschil is dat de vreemdeling geen schriftelijk beklag tegen de niet vervolging van de verdachte van mensenhandel bij het gerechtshof heeft ingediend en artikel 3.88 Vb 2000 verder geen ruimte biedt voor afwijking in bijzondere gevallen, heeft de rechtbank ten onrechte grond gevonden voor het oordeel dat het bij haar bestreden besluit met betrekking tot de toepassing van artikel 3.88 Vb 2000 niet deugdelijk is gemotiveerd. (JV 2007/44)

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • B8/3
    • Beklagprocedure
    • Verlenging verblijfsvergunning
    • Nederlands

Pagina's