Documentsoort

Trefwoord

Organisatie

  • Jurisprudentie

Pagina's

Resultaten 81 - 90 van totaal 996 resultaten
  1. Taal Nederlands 4 Gerechtshof Amsterdam Het gerechtshof veroordeelt de verdachte voor mensenhandel en overweegt het volgende: Het hof acht bewezen dat de verdachte tezamen met een ander de betreffende minderjarigen heeft vervoerd, overgebrac ...

    Het gerechtshof veroordeelt de verdachte voor mensenhandel en overweegt het volgende:Het hof acht bewezen dat de verdachte tezamen met een ander de betreffende minderjarigen heeft vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen met het oogmerk hen te faciliteren in hun prostitutiewerk en met het oogmerk daarvan te profiteren. Het oogmerk van de verdachte is dan ook op uitbuiting in de zin van artikel 273f, eerste lid aanhef en onder 2, Sr gericht geweest.Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] is komen vast te staan. De bijdrage van de verdachte aan het tenlastegelegde is naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen van mensenhandel ten aanzien van de minderjarige meisjes [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bewezen.Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, onder de omstandigheid dat de persoon ten aanzien van wie het feit wordt gepleegd de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, meermalen gepleegd.Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.   

    Jurisprudentie

    • Jurisprudentie
    • Gerechtshof Amsterdam
    • Strafrecht
    • Uitbuiting
    • Mensenhandel
    • Prostitutie
    • Nederlands
  2. Taal Nederlands Gerechtshof Amsterdam Het gerechtshof veroordeelt de verdachte voor mensenhandel en overweegt daarbij het volgende: Het hof acht bewezen dat de verdachte tezamen met een ander de minderjarige heeft vervoerd en overgebracht m ...

    Het gerechtshof veroordeelt de verdachte voor mensenhandel en overweegt daarbij het volgende:Het hof acht bewezen dat de verdachte tezamen met een ander de minderjarige heeft vervoerd en overgebracht met het oogmerk haar te faciliteren in haar prostitutiewerk en met het oogmerk daarvan te profiteren. Het oogmerk van de verdachte is dan ook op uitbuiting in de zin van artikel 273f, aanhef en onder 2 Sr gericht geweest.Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte is komen vast te staan. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen van mensenhandel ten aanzien van het minderjarige meisje [slachtoffer 1] bewezen.Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen onder de omstandigheid dat de persoon ten aanzien van wie het feit wordt gepleegd de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereiktVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden. 

    Jurisprudentie

    • Jurisprudentie
    • Gerechtshof Amsterdam
    • Strafrecht
    • Uitbuiting
    • Mensenhandel
    • Prostitutie
    • Nederlands
  3. Taal Nederlands Gerechtshof Amsterdam Het gerechtshof veroordeelt verdachte voor o.a. mensenhandel en overweegt daarbij het volgende: Het hof acht bewezen dat de verdachte, tezamen met een ander, de betreffende minderjarigen heeft vervoerd, ...

    Het gerechtshof veroordeelt verdachte voor o.a. mensenhandel en overweegt daarbij het volgende:Het hof acht bewezen dat de verdachte, tezamen met een ander, de betreffende minderjarigen heeft vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen met het oogmerk hen te faciliteren in hun prostitutiewerk en met het oogmerk daarvan te profiteren. Het oogmerk van de verdachte is dan ook op uitbuiting in de zin van artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 2 Sr, gericht geweest.Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking bij de verschillende strafbare feiten tussen de verdachte en de medeverdachte is komen vast te staan. Daarmee acht het hof het ten laste gelegde medeplegen van mensenhandel ten aanzien van de minderjarige meisjes [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] bewezen.Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, onder de omstandigheid dat de persoon ten aanzien van wie het feit wordt gepleegd de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, meermalen gepleegd.Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

    Jurisprudentie

    • Jurisprudentie
    • Gerechtshof Amsterdam
    • Strafrecht
    • Mensenhandel
    • Prostitutie
    • Nederlands
  4. Taal Nederlands Gerechtshof Den Haag Het Gerechtshof Den Haag veroordeelt de verdachte o.a. voor mensenhandel. Het hof overweegt dat de aangeefsters (in ieder geval in het begin van de ten laste gelegde periode) een uiterst substantieel bed ...

    Het Gerechtshof Den Haag veroordeelt de verdachte o.a. voor mensenhandel.Het hof overweegt dat de aangeefsters (in ieder geval in het begin van de ten laste gelegde periode) een uiterst substantieel bedrag van het door hen in de prostitutie verdiende geld afdroegen aan de verdachte en zijn vrouw – te weten al het verdiende geld, minus de daarmee gepaard gaande kosten en later ook minus de boodschappen en de kleding, hetgeen door de verdachte niet is weersproken. Het hof is gelet daarop van oordeel dat er bij de verdachte sprake was van (het oogmerk van) uitbuiting.De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten slotte betoogd dat aangeefsters niet zijn gedwongen om in de prostitutie te gaan werken. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de aangeefsters hebben verklaard dat zij - pas achteraf - het gevoel hebben gehad dat ze destijds eigenlijk geen andere keuze hadden dan te werken in de prostitutie en dat zij in de periode dat zij als prostituee werkzaam waren op ieder moment hadden kunnen stoppen.Het hof is van oordeel dat dit ‘gevoel achteraf’ van de aangeefsters er niet aan afdoet dat de aangeefsters naar ’s hofs oordeel door het laakbare handelen van de verdachte en zijn medeverdachte, en in het bijzonder door hun misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie van hun (pleeg)dochters, zijn bewogen om in de prostitutie te gaan werken en te blijven werken. Het hof verwerpt het verweer.De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf  voor de duur van 15 (vijftien) jaren. 

    Jurisprudentie

    • Jurisprudentie
    • Gerechtshof Den Haag
    • Strafrecht
    • Seksuele uitbuiting
    • Gedwongen prostitutie
    • Mensenhandel
    • Vervoeren (met oogmerk van uitbuiting)
    • Nederlands
  5. Taal Nederlands Raad van State De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond. Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de V ...

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond.Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen. Bij uitspraak van 14 januari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.Volgens paragraaf A3/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals ten tijde van belang luidend en voor zover thans van belang, dient een vreemdeling aan te tonen dat in het land van herkomst geen gezins- of familieleden zijn die in staat moeten worden geacht de medisch noodzakelijke mantelzorg te verlenen. De mantelzorg moet een essentieel onderdeel zijn van de medische behandeling.De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris ten onrechte zonder nadere motivering is voorbijgegaan aan de stelling van de vreemdeling dat van haar niet kan worden gevergd om voor mantelzorg een beroep te doen op haar in Albanië aanwezige familieleden, nu de onwil van de vreemdeling in verband lijkt te staan met de aard van haar stoornis en wordt onderbouwd door gebeurtenissen uit haar verleden en de brief van 30 juli 2015 van haar sociaal psychiatrisch verpleegkundige. In dit verband heeft de rechtbank erop gewezen dat de vreemdeling heeft gesteld in het verleden door haar stiefvader seksueel te zijn misbruikt en mishandeld en door haar moeder in de prostitutie te zijn geraakt en dat zij meent dat haar familie - in elk geval deels - de oorzaak is van haar psychische stoornissen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat in de brief van 30 juli 2015 wordt bevestigd dat de vreemdeling geen vertrouwen heeft in haar moeder en zus en is aangegeven dat dit een contra-indicatie is voor het verlenen van geslaagde mantelzorg.De Raad van State overweegt het volgende:De vreemdeling heeft met ingang van 28 september 2000 tot 28 september 2003 beschikt over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking slachtoffer-aangever van mensenhandel. De door de rechtbank genoemde door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen uit haar verleden zijn kennelijk afkomstig uit het proces-verbaal (nummer 2000044925-2) van de aangifte mensenhandel. Uit het dossier blijkt dat de aangifte niet tot een arrestatie of veroordeling heeft geleid en het beklag als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering over het stopzetten van het strafrechtelijk onderzoek, ongegrond is verklaard. De staatssecretaris heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het verkrijgen van voormelde verblijfsvergunning niet betekent dat die verklaringen van de vreemdeling daarmee vaststaan en gestaafd zijn (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4301).Daargelaten dat de brief van 30 juli 2015 niet is opgesteld door een arts, doet deze aan het vorenstaande niet af reeds omdat de sociaal psychiatrisch verpleegkundige daarin beroepshalve is uitgegaan van de juistheid van de verklaringen van de vreemdeling over haar verleden. Voorts heeft de vreemdeling, mede gezien voormeld beleid, niet aannemelijk gemaakt dat de in de brief van 30 juli 2015 genoemde wantrouwende houding van de vreemdeling tegenover haar moeder en zus, in de weg staat aan het verlenen van de mantelzorg zoals weergeven onder 4.1. De staatssecretaris heeft zich derhalve in het besluit terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling in dit kader geen concrete stukken heeft overgelegd. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het besluit ten onrechte heeft vernietigd en verklaart het hoger beroep gegrond. 

    Jurisprudentie

    • Jurisprudentie
    • Raad van State
    • Uitzetting
    • Vreemdelingenrecht
    • Medische omstandigheden
    • Mensenhandel
    • Nederlands
  6. Taal Nederlands Raad van State De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond. Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de V ...

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond.Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen. Bij uitspraak van 14 januari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.Volgens paragraaf A3/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals ten tijde van belang luidend en voor zover thans van belang, dient een vreemdeling aan te tonen dat in het land van herkomst geen gezins- of familieleden zijn die in staat moeten worden geacht de medisch noodzakelijke mantelzorg te verlenen. De mantelzorg moet een essentieel onderdeel zijn van de medische behandeling.De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris ten onrechte zonder nadere motivering is voorbijgegaan aan de stelling van de vreemdeling dat van haar niet kan worden gevergd om voor mantelzorg een beroep te doen op haar in Albanië aanwezige familieleden, nu de onwil van de vreemdeling in verband lijkt te staan met de aard van haar stoornis en wordt onderbouwd door gebeurtenissen uit haar verleden en de brief van 30 juli 2015 van haar sociaal psychiatrisch verpleegkundige. In dit verband heeft de rechtbank erop gewezen dat de vreemdeling heeft gesteld in het verleden door haar stiefvader seksueel te zijn misbruikt en mishandeld en door haar moeder in de prostitutie te zijn geraakt en dat zij meent dat haar familie - in elk geval deels - de oorzaak is van haar psychische stoornissen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat in de brief van 30 juli 2015 wordt bevestigd dat de vreemdeling geen vertrouwen heeft in haar moeder en zus en is aangegeven dat dit een contra-indicatie is voor het verlenen van geslaagde mantelzorg.De Raad van State overweegt het volgende:De vreemdeling heeft met ingang van 28 september 2000 tot 28 september 2003 beschikt over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking slachtoffer-aangever van mensenhandel. De door de rechtbank genoemde door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen uit haar verleden zijn kennelijk afkomstig uit het proces-verbaal (nummer 2000044925-2) van de aangifte mensenhandel. Uit het dossier blijkt dat de aangifte niet tot een arrestatie of veroordeling heeft geleid en het beklag als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering over het stopzetten van het strafrechtelijk onderzoek, ongegrond is verklaard. De staatssecretaris heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het verkrijgen van voormelde verblijfsvergunning niet betekent dat die verklaringen van de vreemdeling daarmee vaststaan en gestaafd zijn (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4301).Daargelaten dat de brief van 30 juli 2015 niet is opgesteld door een arts, doet deze aan het vorenstaande niet af reeds omdat de sociaal psychiatrisch verpleegkundige daarin beroepshalve is uitgegaan van de juistheid van de verklaringen van de vreemdeling over haar verleden. Voorts heeft de vreemdeling, mede gezien voormeld beleid, niet aannemelijk gemaakt dat de in de brief van 30 juli 2015 genoemde wantrouwende houding van de vreemdeling tegenover haar moeder en zus, in de weg staat aan het verlenen van de mantelzorg zoals weergeven onder 4.1. De staatssecretaris heeft zich derhalve in het besluit terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling in dit kader geen concrete stukken heeft overgelegd. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het besluit ten onrechte heeft vernietigd en verklaart het hoger beroep gegrond. 

    Jurisprudentie

    • Jurisprudentie
    • Raad van State
    • Uitzetting
    • Vreemdelingenrecht
    • Medische omstandigheden
    • Mensenhandel
    • Nederlands
  7. Taal Nederlands Raad van State De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond. Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de V ...

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond.Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen. Bij uitspraak van 14 januari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.Volgens paragraaf A3/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals ten tijde van belang luidend en voor zover thans van belang, dient een vreemdeling aan te tonen dat in het land van herkomst geen gezins- of familieleden zijn die in staat moeten worden geacht de medisch noodzakelijke mantelzorg te verlenen. De mantelzorg moet een essentieel onderdeel zijn van de medische behandeling.De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris ten onrechte zonder nadere motivering is voorbijgegaan aan de stelling van de vreemdeling dat van haar niet kan worden gevergd om voor mantelzorg een beroep te doen op haar in Albanië aanwezige familieleden, nu de onwil van de vreemdeling in verband lijkt te staan met de aard van haar stoornis en wordt onderbouwd door gebeurtenissen uit haar verleden en de brief van 30 juli 2015 van haar sociaal psychiatrisch verpleegkundige. In dit verband heeft de rechtbank erop gewezen dat de vreemdeling heeft gesteld in het verleden door haar stiefvader seksueel te zijn misbruikt en mishandeld en door haar moeder in de prostitutie te zijn geraakt en dat zij meent dat haar familie - in elk geval deels - de oorzaak is van haar psychische stoornissen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat in de brief van 30 juli 2015 wordt bevestigd dat de vreemdeling geen vertrouwen heeft in haar moeder en zus en is aangegeven dat dit een contra-indicatie is voor het verlenen van geslaagde mantelzorg.De Raad van State overweegt het volgende:De vreemdeling heeft met ingang van 28 september 2000 tot 28 september 2003 beschikt over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking slachtoffer-aangever van mensenhandel. De door de rechtbank genoemde door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen uit haar verleden zijn kennelijk afkomstig uit het proces-verbaal (nummer 2000044925-2) van de aangifte mensenhandel. Uit het dossier blijkt dat de aangifte niet tot een arrestatie of veroordeling heeft geleid en het beklag als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering over het stopzetten van het strafrechtelijk onderzoek, ongegrond is verklaard. De staatssecretaris heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het verkrijgen van voormelde verblijfsvergunning niet betekent dat die verklaringen van de vreemdeling daarmee vaststaan en gestaafd zijn (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4301).Daargelaten dat de brief van 30 juli 2015 niet is opgesteld door een arts, doet deze aan het vorenstaande niet af reeds omdat de sociaal psychiatrisch verpleegkundige daarin beroepshalve is uitgegaan van de juistheid van de verklaringen van de vreemdeling over haar verleden. Voorts heeft de vreemdeling, mede gezien voormeld beleid, niet aannemelijk gemaakt dat de in de brief van 30 juli 2015 genoemde wantrouwende houding van de vreemdeling tegenover haar moeder en zus, in de weg staat aan het verlenen van de mantelzorg zoals weergeven onder 4.1. De staatssecretaris heeft zich derhalve in het besluit terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling in dit kader geen concrete stukken heeft overgelegd. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het besluit ten onrechte heeft vernietigd en verklaart het hoger beroep gegrond. 

    Jurisprudentie

    • Jurisprudentie
    • Raad van State
    • Uitzetting
    • Vreemdelingenrecht
    • Medische omstandigheden
    • Mensenhandel
    • Nederlands
  8. Taal Nederlands Gerechtshof Amsterdam Het Gerechtshof Amsterdam verklaart de officier van justitie niet- ontvankelijk ten aanzien van het tenlaste gelegde over mensenhandel in het buitenland.  Het hof overweegt het volgende: Voor de feiten, ...

    Het Gerechtshof Amsterdam verklaart de officier van justitie niet- ontvankelijk ten aanzien van het tenlaste gelegde over mensenhandel in het buitenland. Het hof overweegt het volgende:Voor de feiten, gepleegd in Roemenië en/of Hongarije (en niet deel uitmakend van een feitencomplex dat zich óók in Nederland voordoet), ontbreekt de rechtsmacht van de Nederlandse strafrechter.Op grond van het hier van toepassing zijnde artikel 5a (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is de Nederlandse strafwet slechts van toepassing op de vreemdeling die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een strafbaar feit als hier ten laste gelegd voor zover deze vreemdeling een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft ten tijde van het plegen van dit feit dan wel nadien een vaste woon- of verblijfplaats heeft gekregen in Nederland. Nu de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland had in de tenlastegelegde periode, en het dossier geen bewijsmiddel bevat waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte nadien vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gekregen, zal de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging waar het dit onderdeel van het eerste feit van zaak B betreft.Het hof oordeelt wel dat verdachte zich o.a. schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel, meermalen gepleegd en mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het feit wordt gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel. Daarvan zijn vier jonge vrouwen het slachtoffer geworden, van wie één slachtoffer minderjarig was. De vrouwen moesten vele uren per dag in de prostitutie werken om door de verdachte bepaalde bedragen bij elkaar te verdienen. De verdachte heeft drie van hen geslagen wanneer dit niet lukte. Ook bedreigde hij een aantal van hen. De vrouwen moesten al hun in de prostitutie verdiende geld aan de verdachte afstaan. Hij controleerde hen, zodat zij geen geld voor hem konden achter houden. Bij het begaan van deze feiten heeft de verdachte ook anderen ingezet.Door te handelen als bewezen verklaard heeft de verdachte, gebruikmakend van het overwicht dat hij had op de nog jonge slachtoffers die uit het buitenland afkomstig waren, misbruik gemaakt van hun kwetsbare situatie. Hij heeft daarbij op indringende wijze inbreuk gemaakt op hun lichamelijke en geestelijke integriteit en voorts op de vrijheid die zij zouden moeten hebben om hun eigen leven vorm te geven. De verdachte heeft zich in overwegende mate laten leiden door zijn zucht naar financieel gewin en de belangen van de slachtoffers bij het behoud van hun waardigheid en zelfbeschikkingsrecht daaraan volledig ondergeschikt gemaakt.Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren en 10 (tien) maanden.  

    Jurisprudentie

    • Jurisprudentie
    • Gerechtshof Amsterdam
    • Strafrecht
    • Niet-ontvankelijk
    • Mensenhandel
    • Nederlands
  9. Language Dutch 2 reads Amsterdam Court of Justice Het gerechtshof Amsterdam overweegt dat hoewel uit de verklaringen in het dossier duidelijk blijkt dat de verdachte jegens het slachtoffer geen geweld heeft gebruikt, komt uit het hiervoor overwogene wel d ...

    Het gerechtshof Amsterdam overweegt dat hoewel uit de verklaringen in het dossier duidelijk blijkt dat de verdachte jegens het slachtoffer geen geweld heeft gebruikt, komt uit het hiervoor overwogene wel duidelijk naar voren dat de rol van de verdachte van grotere aard was dan slechts faciliterend. Bovendien blijkt van een taakverdeling en samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte. De verdachte was op de hoogte van de condities waaronder het slachtoffer werkte. Hij heeft door te handelen zoals hij heeft gedaan, meegewerkt aan de totstandkoming, de (verdere) verwezenlijking en de instandhouding van de uitbuitingssituatie van het slachtoffer. De verdachte heeft hier ook zelf van geprofiteerd. Dat de verdachte zelf geen geweld jegens het slachtoffer heeft gebruikt, doet hier niet aan af.Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte, gericht op de uitbuiting van het slachtoffer. Het onder bewezen verklaarde levert op: mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en mensenhandel, meermalen gepleegd.Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren en 11 (elf) maanden.    

    Jurisprudentie

    • Jurisprudentie
    • Gerechtshof Amsterdam
    • Strafrecht
    • Medeplegen
    • Gedwongen prostitutie
    • Mensenhandel
    • Uitbuiting
    • Nederlands
  10. Taal Nederlands Raad van State De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt de aangevallen uitspraak en overweegt daarbij het volgende: Bij besluit van 4 juli 2014 heeft de burgemeester van Den Haag de sluiting bevolen va ...

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt de aangevallen uitspraak en overweegt daarbij het volgende:Bij besluit van 4 juli 2014 heeft de burgemeester van Den Haag de sluiting bevolen van de door [appellante] geëxploiteerde massagesalon voor de duur van zes maanden.De burgemeester heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 4 juli 2014 ten grondslag gelegd dat er in de gemeente Den Haag sinds enige jaren een enorme toename is van het aantal Chinese massagesalons en er signalen zijn dat in deze branche illegale prostitutie plaatsvindt. Dit leidt onder meer tot mensenhandel en uitbuiting van en gedwongen prostitutie door masseuses. In de gemeente Den Haag wordt met het oog hierop een streng gereguleerd prostitutiebeleid gevoerd, aldus de burgemeester. Hij heeft de massagesalon voor de duur van zes maanden gesloten, omdat aannemelijk is dat in de salon seksuele diensten tegen betaling worden verleend en derhalve feitelijk illegaal een seksinrichting wordt geëxploiteerd.De Raad van State overweegt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de burgemeester op grond van de in het in bezwaar gehandhaafde besluit van 4 juli 2014 vermelde feiten en omstandigheden terecht aannemelijk heeft geacht dat [appellante] zonder de daartoe benodigde vergunning een seksinrichting in de zin van artikel 3:4, eerste lid, van de APV exploiteerde.Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 

    Jurisprudentie

    • Jurisprudentie
    • Raad van State
    • Massagesalon
    • Bestuursrecht
    • Exploitatievergunning
    • Bestuurlijke handhaving
    • Nederlands

Pagina's