Trefwoord

Organisatie

  • Raad van State

Pagina's

Resultaten 41 - 50 van totaal 70 resultaten
  1. Language Dutch 81 reads States Council (Dutch) Hoger beroep staatssecretaris tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2011 (11/26979, 11/26981, 11/26980 en 11/26982). De minister heeft de vbt-regulier van vreemdelingen ingetrokken. Sta ...

    Hoger beroep staatssecretaris tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2011 (11/26979, 11/26981, 11/26980 en 11/26982). De minister heeft de vbt-regulier van vreemdelingen ingetrokken. Staatssecretaris klaagt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij bij zijn besluit geen blijk heeft gegeven de door vreemdeling aangedragen omstandigheden in hun onderlinge verband te hebben gezien.De Afdeling oordeelt dat nu vreemdeling 1 niet gesteld heeft dat haar psychische klachten verband houden met de omstandigheid dat zij in het verleden slachtoffer is geworden van mensenhandel, de staatssecretaris hier de psychische klachten terecht als een op zichzelf staande grond ter verkrijging van een vbt-regulier heeft aangemerkt, die naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag kunnen worden beoordeeld.Dat vreemdeling 1 de zorg heeft voor haar zoon heeft de staatssecretaris in de gegeven omstandigheden niet tot verlening van een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf hoeven leiden. De staatssecretaris heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich in dit geval geen bijzondere omstandigheden voordoen. Hoger beroep gegrond. 

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Voortgezet verblijf
    • Medische omstandigheden
    • Voortgezet verblijf
    • Nederlands
  2. Language Dutch 76 reads States Council (Dutch) Hoger beroep van de minister tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 12 september 2011 (nr. 09/43299). De vreemdeling heeft aangevoerd dat zij als alleenstaande moeder met psychische problemen een v ...

    Hoger beroep van de minister tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 12 september 2011 (nr. 09/43299). De vreemdeling heeft aangevoerd dat zij als alleenstaande moeder met psychische problemen een verhoogd risico loopt om bij terugkeer naar de Democratische Republiek Congo slachtoffer te worden van seksueel geweld en verwijst naar het rapport van 16 juli 2009 van Human Rights Watch en een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 8 augustus 2011.Volgens de Afdeling biedt deze informatie, mede gelet op de uitspraken van de Afdeling van 17 februari 2012 (nr. 201106629/1) en 3 oktober 2012 (nr. 201201003/1), geen grond voor het oordeel dat vrouwen in de Democratische Republiek Congo een groep zijn die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. De minister heeft het asielrelaas van de vreemdeling, waaronder haar verklaring dat zijn in de Democratische Republiek Congo geen familie meer heeft, ongeloofwaardig kunnen achten.Voorts biedt hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd geen steun voor haar stelling dat vrouwen met een kind van een man met wie zij niet zijn getrouwd, een verhoogd risico lopen slachtoffer te worden van seksueel geweld.Daarnaast is de medische problematiek gelet op de uitkomst van het rapport van het Bureau Medische Advisering van 10 mei 2011 niet zodanig dat bij terugkeer naar de Democratische Republiek Congo een schending van artikel 3 EVRM dreigt. De vreemdeling heeft met de stelling dat zij in een vluchtelingenkamp in de Democratische Republiek Congo slachtoffer is geworden van mensenhandel en seksueel misbruik in Nederland, niet aannemelijk gemaakt in de Democratische Republiek Congo een verhoogd risico te lopen slachtoffer te worden van seksueel geweld. Hoger beroep gegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • DR Congo
    • Raad van State
    • Alleenstaande moeder
    • Asielprocedure
    • Artikel 3 EVRM
    • Nederlands
  3. 93 reads States Council (Dutch) Language Dutch Ter zitting bij de Afdeling  heeft de vreemdeling erkend dat zij in het bezit moet zijn geweest van een hukou registratie.  Gelet hierop en op de informatie uit het ambtsbericht, betoogt de staatssecretaris t ...

    Ter zitting bij de Afdeling heeft de vreemdeling erkend dat zij in het bezit moet zijn geweest van een hukou registratie. Gelet hierop en op de informatie uit het ambtsbericht, betoogt de staatssecretaris terecht dat de vreemdeling niet heeft aangetoond dat zij niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding. Dit geldt ook voor de stelling van de vreemdeling dat zij verscheidene malen een bezoek heeft gebracht aan de Chinese ambassade, reeds omdat in de door haar overgelegde verklaring van 8 februari 2010 staat vermeld dat de ambassade heeft medegedeeld dat het niet mogelijk is om reisdocumenten te verkrijgen zonder de daarvoor vereiste papieren.  De staatssecretaris heeft in redelijkheid van belang kunnen achten dat de vreemdeling eerst in 2009 actie heeft ondernomen om in het bezit te komen van een paspoort, terwijl zij al op 15 januari 2007 op deze verplichting is gewezen. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de staatssecretaris zich in het besluit van 2 juni 2010 terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag wordt afgewezen omdat de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit alsnog ongegrond verklaren.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • China
    • Raad van State
    • Voortgezet verblijf
    • Paspoortvereiste
    • Voortgezet verblijf
    • Nederlands
  4. Language Dutch 40 reads States Council (Dutch) De Raad van State overweegt: 'In de grieven, in hun onderlinge samenhang gelezen, klaagt het COa dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er aanleiding bestaat voor twijfel aan het standpunt van ...

    De Raad van State overweegt:'In de grieven, in hun onderlinge samenhang gelezen, klaagt het COa dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er aanleiding bestaat voor twijfel aan het standpunt van het COa dat de vreemdeling in de periode van belang rechtmatig verblijf had ingevolge artikel 8, aanhef en onder e, van de V w 2000, en het COa ten onrechte geen nader onderzoek heeft verricht naar de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling. Daartoe betoogt het COa dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de aanvragen zijn afgewezen omdat de vreemdeling in de periode van belang geen rechtmatig verblijf had krachtens artikel 8, aanhef en onder f, h of k, van de Vw 2000, en zij geen aanspraak maakt op verstrekkingen krachtens artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rvb. In het licht hiervan bestaat volgens het COa voor nader onderzoek naar het al dan niet rechtmatig verblijf van de vreemdeling ingevolge artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000, geen aanleiding. 2.1. De rechtbank heeft vastgesteld en in hoger beroep is onbestreden dat niet in geschil is dat de vreemdeling ten tijde van belang langer dan drie maanden in Nederland verblijft. Reeds hierom ontleent de vreemdeling aan artikel 2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Rvb, geen aanspraak op verstrekkingen. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het COa nader onderzoek dient te verrichten naar het al dan niet rechtmatig verblijf van de vreemdeling ingevolge artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA)
    • Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb)
    • Nederlands
  5. Language Dutch 59 reads States Council (Dutch) De Raad van State overweegt: 'Van bijzondere, individuele omstandigheden op grond waarvan de minister in het geval van de vreemdeling niettemin van vrijheidsontneming had moeten afzien of de opgelegde ma ...

    De Raad van State overweegt:'Van bijzondere, individuele omstandigheden op grond waarvan de minister in het geval van de vreemdeling niettemin van vrijheidsontneming had moeten afzien of de opgelegde maatregel had moeten opheffen, is niet gebleken. Dat het beroep in de asielzaak van de vreemdeling nog moet worden behandeld, is daartoe onvoldoende. Dat geldt evenzeer voor de gestelde medische problemen van de vreemdeling, reeds omdat zij deze niet met bewijsstukken heeft gestaafd. Voorts is het feit dat wordt onderzocht of de vreemdeling het slachtoffer is van mensenhandel, niet een dergelijke omstandigheid, nu aldus niet is vastgesteld dat de vreemdeling als zodanig is aan te merken. Deze omstandigheden bieden op zichzelf dan wel in onderlinge samenhang bezien onvoldoende grond om te oordelen dat de minister ten onrechte het grensbewakingsbelang heeft laten prevaleren boven het belang van de vreemdeling bij de toepassing van een minder dwingende maatregel.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Terugkeerrichtlijn
    • Vreemdelingendetentie/vreemdelingenbewaring
    • Nederlands
  6. Language Dutch 63 reads States Council (Dutch) De Raad van State overweegt: 'Uit het voorgaande volgt dat de minister, noch de rechtbank heeft onderkend dat niet het besluit van 15 april 2008, maar het besluit van 21 januari 2010 als het eerder gegev ...

    De Raad van State overweegt:'Uit het voorgaande volgt dat de minister, noch de rechtbank heeft onderkend dat niet het besluit van 15 april 2008, maar het besluit van 21 januari 2010 als het eerder gegeven terugkeerbesluit moet worden aangemerkt. Onder verwijzing naar overweging 2.3.2. van de uitspraak van 15 juni 2012 in zaak nr. 201 203301/1/V3 (www.raadvanstate.nl) overweegt de Afdeling dat de rechtbank niettemin terecht heeft overwogen dat de in het besluit van 16 april 2012 vervatte mededeling onmiddellijk de Europese Unie te verlaten niet op rechtsgevolg is gericht, dat deze mededeling niet kan worden aangemerkt als terugkeerbesluit en dat tegen de vreemdeling bij separaat besluit een inreisverbod is uitgevaardigd.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Inreisverbod
    • Vreemdelingendetentie/vreemdelingenbewaring
    • Nederlands
  7. 65 reads States Council (Dutch) Language Dutch Hoger beroep minister tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle van 15 maart 2011 (11/3409 en 10/42069) waarin het beroep van vreemdeling, tegen de afwijzing van zijn aanvraag om ...

    Hoger beroep minister tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle van 15 maart 2011 (11/3409 en 10/42069) waarin het beroep van vreemdeling, tegen de afwijzing van zijn aanvraag om voortgezet verblijf na afloop van B9, gegrond is verklaard. De Afdeling oordeelt als volgt.De minister heeft de door de vreemdeling aangevoerde psychische problemen voldoende bij de belangenafweging betrokken en voldoende gemotiveerd dat deze niet leiden tot het oordeel dat van de vreemdeling niet kan worden gevergd dat hij NL verlaat.De minister heeft daarbij van belang kunnen achten dat uit het ambtsbericht volgt dat voor slachtoffers van mensenhandel die terugkeren naar Nigeria opvang en psychische hulp beschikbaar is. De minister heeft in dat verband terecht beoogd dat hij niet nader heeft hoeven onderzoeken of voor de vreemdeling in Nigeria voldoende medisch-psychische hulp beschikbaar is.Voor zover de vreemdeling zich op het standpunt stelt dat hij in Nederland voor zijn psychische klachten zou moeten worden behandeld, dient hij derhalve een daartoe strekkende aanvraag in te dienen. Hoger beroep minister is kennelijk gegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nigeria
    • Raad van State
    • Voortgezet verblijf
    • Medische omstandigheden
    • Voortgezet verblijf
    • Nederlands
  8. Language Dutch 44 reads States Council (Dutch) Hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk niet-ontvankelijk. De Raad van State oordeelt: 'In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank, voor wat betreft de beroepsgrond dat haar gemachtigd ...

    Hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk niet-ontvankelijk. De Raad van State oordeelt:'In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank, voor wat betreft de beroepsgrond dat haar gemachtigde tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling ten onrechte niet aan het woord is gelaten, op onjuiste gronden tot het oordeel is gekomen dat deze beroepsgrond niet kan slagen. De vreemdeling is bij de rechtbank in het gelijk gesteld, aangezien op zijn minst genomen sprake is van een aanwijzing dat zij slachtoffer is van mensenhandel. Zij heeft derhalve geen procesbelang bij beoordeling van de grief nu deze hoe dan ook niet kan afdoen aan de uitspraak van de rechtbank waarbij haar beroep gegrond is verklaard, de bewaring is opgeheven en haar een schadevergoeding is toegekend voor de gehele duur van de bewaring en de bestreden overwegingen niet bindend zijn in toekomstige geschillen.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Vreemdelingendetentie/vreemdelingenbewaring
    • Nederlands
  9. Language Dutch 43 reads States Council (Dutch) Aanvraag tot voortgezet verblijf van de vreemdeling is afgewezen. In geschil is of er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden. De Raad van State acht het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevsti ...

    Aanvraag tot voortgezet verblijf van de vreemdeling is afgewezen. In geschil is of er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden. De Raad van State acht het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevstigt de uitspraak van de rechtbank.De rechtbank overwoog:'Verweerder is bij de beoordeling van de vraag of aannemelijk is dat eiser slachtoffer van mensenhandel is geworden, in het primaire besluit, dat is ingelast in het bestreden besluit, uitgegaan van de verklaring die eiser op 30 mei 2008 bij de politie heeft afgelegd. De rechtbank volgt verweerder hierin. Eiser heeft namelijk in de door hem gevoerde procedures (over een lange periode) nooit melding gemaakt van de omstandigheid dat hij de verklaring van 30 mei 2008 heeft afgelegd onder invloed van mensenhandelaren, ondanks de bijstand van een raadsman. Zelfs in het gehoor van 14 januari 20 U is hier geen melding van gemaakt. Pas in beroep is dit door eiser naar voren gebracht. Uit de door eiser aangehaalde zienswijze van 21 juli 2008 volgt naar het oordeel van de rechtbank evenmin dat eiser melding heeft gemaakt van het onjuist verklaren onder invloed van mensenhandelaren. Verder is van belang dat eiser verschillende redenen heeft gegeven waarom hij op 30 mei 2008 onjuist zou hebben verklaard. Naast dat hij heeft verklaard onder invloed van mensenhandelaren te hebben gestaan heeft hij ook aangevoerd dat hij onjuist heeft verklaard omdat hij bang was opgesloten te worden. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt zijn verklaring op 30 mei 2008 te hebben afgelegd onder invloed van mensenhandelaren.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Voortgezet verblijf
    • Voortgezet verblijf
    • Represailles
    • Bijzondere individuele omstandigheden
    • Nederlands
  10. 60 reads States Council (Dutch) Language Dutch Verweerder heeft de aanvraag van de vreemdeling tot verlening van een verblijfsvergunning asiel afgewezen en ambtshalve besloten de vreemdeling niet in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulie ...

    Verweerder heeft de aanvraag van de vreemdeling tot verlening van een verblijfsvergunning asiel afgewezen en ambtshalve besloten de vreemdeling niet in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier. De Raad van State acht het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank.De vreemdeling heeft niet aannemelijk kunnen maken dat het ontbreken van nationaliteits- en identiteitspapieren niet aan haar kan worden toegerekend. Verder ontbeert het relaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht. De rechtbank overwoog: 'De ongeloofwaardigheid van het asielrelaas brengt mee dat verweerder in het asielrelaas terecht geen grond heeft gezien voor toewijzing van de aanvraag van eiseres. Daarnaast heeft eiseres onvoldoende onderbouwd dat zij, omdat zij naar Nederland is gebracht om in de prostitutie te gaan werken, bij terugkeer in haar land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Eiseres kan immers niet worden gevolgd in haar verklaringen dat zij naar Nederland is gebracht om in de prostitutie te gaan werken, omdat uit haar eigen verklaringen niet naar voren is gekomen dat zij in opdracht van in de prostitutie moest gaan werken. Daarbij brengt eiseres deze stelling pas in de zienswijze naar voren en is deze niet nader onderbouwd.' 

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Kameroen
    • Raad van State
    • Verblijfsrecht
    • Asielprocedure
    • Positieve overtuigingskracht
    • Represailles
    • Nederlands

Pagina's