Trefwoord

Organisatie

  • Raad van State

Pagina's

Resultaten 31 - 40 van totaal 70 resultaten
  1. Language Dutch 96 reads States Council (Dutch) Hoger beroep staatssecretaris tegen uitspraak van 27 maart 2012 (nr. 11/25344). Aanvraag vreemdelingen vbt-r in het kader van verruimde gezinshereniging voor verblijf bij meerderjarig kind afgewezen, b.o.b. o ...

    Hoger beroep staatssecretaris tegen uitspraak van 27 maart 2012 (nr. 11/25344). Aanvraag vreemdelingen vbt-r in het kader van verruimde gezinshereniging voor verblijf bij meerderjarig kind afgewezen, b.o.b. ongegrond, beroep gegrond.Meerderjarige dochter is slachtoffer van mensenhandel. De vreemdelingen hebben in aanvullend beroepschrift aangevoerd dat niet in te zien is waarom de aanvraag voor verblijf bij hun dochter niet valt onder een artikel 3.4 derde lid Vb beperking, nu hun situatie raakvlakken heeft met verschillende beperkingen. Vreemdelingen vinden het dan ook niet begrijpelijk waarom de staatssecretaris vasthoudt aan de formalistische wijze van beperkingen.In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de brief die de vreemdelingen bij hun aanvraag hebben overlegd, afgeleid kon worden dat het een aanvraag vbt-r in het kader van verruimde gezinshereniging met hun meerderjarige dochter betrof, en de aanvraag derhalve volgens de rechtbank ten onrechte was beoordeeld in het kader van de beperking als in artikel 3.4 derde lid Vb. Volgens de staatssecretaris heeft de rb buiten het geschil om beslist, nu in beroep de vreemdelingen juist hebben bevestigd zij gevraagd hebben de aanvraag te beoordelen in het licht van de beperking van artikel 3.4 derde lid Vb.Afdeling overweegt als volgt. Rechtbank is buiten het geschil getreden, de grief slaagt. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de situatie van de vreemdelingen een verblijfsdoel als artikel 3.4 eerste lid Vb betreft. Bovendien hebben vreemdelingen niet aannemelijk gemaakt dat zij 'more than the normal emotional ties' (naar arrest EHRM Onur) hebben met hun 35 jarige dochter, een beroep op artikel 8 EVRM gaat derhalve niet op. Hoger beroep gegrond, beroep ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Artikel 8 EVRM
    • Verblijf bij kind
    • Nederlands
  2. Language Dutch 80 reads States Council (Dutch) Hoger beroep van de staatssecretaris tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam (20 juni 2012, Awb 11/41000) gegrond. In de eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overw ...

    Hoger beroep van de staatssecretaris tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam (20 juni 2012, Awb 11/41000) gegrond. In de eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich niet zonder nadere motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vermoedens van de vreemdeling dat hij bij terugkeer naar China problemen zal ondervinden, onvoldoende zwaarwegend zijn voor de conclusie dat de vreemdeling bij terugkeer zal worden blootgesteld aan behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.In het besluit heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat uit zijn verklaringen niet kan worden opgemaakt dat hij na zijn ontsnapping aan persoon A. in Nederland te maken heeft gehad met omstandigheden die nopen tot verblijfsaanvaarding. De vreemdeling heeft niet bestreden dat hij, sinds zijn ontsnapping, geen problemen heeft ondervonden van persoon A. De staatssecretaris heeft zich gelet hierop terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer opnieuw problemen zal ondervinden en onderworpen worden aan behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. De grief slaagt.In de tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling volgens paragraaf C2/4.2 Vc 2000 niet in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning. De Afdeling stelt dat nu de vreemdeling China niet eerder heeft verlaten dan anderhalf jaar na het seksueel misbruik en de mishandeling, de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een causaal verband bestaat tussen die gebeurtenissen en zijn vertrekt uit China, zoals het beleid voorschrijft. De grief slaagt.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Asielprocedure
    • Traumatabeleid
    • Nederlands
  3. Language Dutch 50 reads States Council (Dutch) De vreemdeling werd in bewaring gesteld terwijl er sprake was van een geringste aanwijzing van mensenhandel. De Raad van State oordeelt: 'De staatssecretaris heeft niet betwist dat de vreemdeling op 15 a ...

    De vreemdeling werd in bewaring gesteld terwijl er sprake was van een geringste aanwijzing van mensenhandel. De Raad van State oordeelt:'De staatssecretaris heeft niet betwist dat de vreemdeling op 15 april 2013, de zeventiende dag van de bewaring, nog immer niet was gehoord met het oog op toepassing van de B9-regeling en niet in de gelegenheid was gesteld aangifte van mensenhandel te doen. Gelet op de prioriteit die de staatssecretaris blijkens het in hoofdstuk B9 van de Vc 2000 omschreven beleid geeft aan de bestrijding van mensenhandel en de bescherming van mogelijke slachtoffers van dat misdrijf, valt zonder nadere toelichting niet in te zien waarom dit niet eerder is gebeurd.Gezien de hiervoor weergegeven omstandigheden heeft de staatssecretaris niet de ter voorkoming van een onevenredig lange voortduring van de bewaring vereiste mate van voortvarendheid aan de dag gelegd. De bewaring moet daarom van meet af aan onrechtmatig worden geacht.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Vrijheidsontneming
    • Geringste aanwijzing
    • Nederlands
  4. Language Dutch 55 reads States Council (Dutch) De vreemdeling heeft recht op voortgezet verblijf omdat zij langer dan drie jaar een verblijfsvergunning op grond van de B9-regeling heeft wanneer het Gerechtshof een beslissing neemt in de beklagprocedure. D ...

    De vreemdeling heeft recht op voortgezet verblijf omdat zij langer dan drie jaar een verblijfsvergunning op grond van de B9-regeling heeft wanneer het Gerechtshof een beslissing neemt in de beklagprocedure. De Raad van State:'Uit het besluit van 21 mei 2012 blijkt dat de staatssecretaris bij de beantwoording van de vraag of de opsporing dan wel de vervolging is beëindigd, de datum van de beschikking van het Gerechtshof in de beklagprocedure, te weten 13 december 2010, als uitgangspunt heeft genomen, hetgeen overeenkomt met het ten tijde van belang geldende beleid. Gelet hierop heeft de rechtbank niet onderkend dat vreemdeling 1 terecht heeft aangevoerd dat zij sinds 24 september 2007, en daarom langer dan drie jaar, in het bezit was van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder s, van het Vb 2000. De grief slaagt.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Voortgezet verblijf
    • Voortgezet verblijf
    • Beklagprocedure
    • Nederlands
  5. Language Dutch 63 reads States Council (Dutch) De B9-verblijfsvergunning van de vreemdeling wordt met terugwerkende kracht ingetrokken naar het moment waarop het Gerechtshof uitspraak heeft gedaan in de beklagprocedure. De rechtbank vindt dit onredelijk, ...

    De B9-verblijfsvergunning van de vreemdeling wordt met terugwerkende kracht ingetrokken naar het moment waarop het Gerechtshof uitspraak heeft gedaan in de beklagprocedure. De rechtbank vindt dit onredelijk, omdat er voor de vreemdeling een 'verblijfsgat' zal ontstaan en zij in de periode geen verstrekkingen en opvang had mogen ontvangen. De Raad van State oordeelt:'Voor het oordeel dat onder de door de rechtbank geschetste omstandigheden intrekking met terugwerkende kracht van de aan vreemdeling 1 verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel kennelijk onredelijk is, bestaat geen aanleiding. Gelet op de onder 4 weergegeven wet- en regelgeving diende vreemdeling 1 ermee rekening te houden dat deze vergunning zou worden ingetrokken met ingang van de datum van de uitspraak van het gerechtshof. Voorts bestaan geen aanwijzingen dat tot terugvordering van de verstrekkingen zal worden overgegaan.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • B8/3
    • B8/3
    • Nederlands
  6. Language Dutch 52 reads States Council (Dutch) Hoger beroep is ongegrond. Hoger beroep van de vreemdeling tegen de uitspraak van rechtbank Den Haag van 17 september 2012 in zaak nr. 12/27687. De Afdeling overweegt allereerst betreffende de bewaring van de ...

    Hoger beroep is ongegrond. Hoger beroep van de vreemdeling tegen de uitspraak van rechtbank Den Haag van 17 september 2012 in zaak nr. 12/27687. De Afdeling overweegt allereerst betreffende de bewaring van de vreemdeling dat gelet op de jurisprudentie van het EHRM en bij gebreke van door de vreemdeling aangevoerde bijzondere individuele feiten en omstandigheden die in zijn geval tot een snellere beslissing noopten, heeft de rechtbank, door binnen negentien dagen uitspraak te doen op het door de vreemdeling ingestelde beroep, spoedig beslist in de zin van artikel 5, vierde lid, van het EVRM.De vreemdeling klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen wettelijke verplichting is op grond waarvan bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring tevens een oordeel dient te worden gegeven over de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit, zodat kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat er een voor inbewaringstelling vereist terugkeerbesluit is.De Afdeling oordeelt dat de rechtbank hiermee inbreuk gemaakt op het in artikel 6 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte door de gelijktijdig ingestelde beroepen tegen de maatregel van bewaring en het separate terugkeerbesluit niet gelijktijdig te behandelen. Dit leidt niettemin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.Bij uitspraak van heden heeft de Afdeling in zaak nr. 201210936/1 het door de vreemdeling ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de aangevallen uitspraak vernietigd en het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het separate terugkeerbesluit van 23 augustus 2012 alsnog ongegrond verklaard. Aangezien dat terugkeerbesluit derhalve rechtmatig is, is aan deze voorwaarde voor het opleggen van de maatregel van bewaring voldaan.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Artikel 5 EVRM
    • Vreemdelingendetentie/vreemdelingenbewaring
    • Nederlands
  7. Language Dutch 49 reads States Council (Dutch) Tegen de vreemdeling is een inreisverbod uitgevaardigd. Hij klaagt '... dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het beroep op artikel 41 van het Handvest faalt, omdat uit het proces-verbaal van ...

    Tegen de vreemdeling is een inreisverbod uitgevaardigd. Hij klaagt'... dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het beroep op artikel 41 van het Handvest faalt, omdat uit het proces-verbaal van gehoor bij het terugkeerbesluit en inreisverbod van 23 augustus 2012 blijkt dat de vreemdeling is geïnformeerd over het opleggen van het terugkeerbesluit en het inreisverbod en de gevolgen daarvan, dat op grond van bijzonder individuele omstandigheden van het opleggen van een inreisverbod kan worden afgezien en dat het aan de vreemdeling is bedoelde omstandigheden aan te voeren en dat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld.'De vreemdeling verzoekt om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. De Raad van State oordeelt dat er geen prejudiciële vraag hoeft te worden gesteld omdat er geen twijfel is over hoe de gestelde vraag moet worden opgelost. De Raad van State:'In dit geval heeft de staatssecretaris de vreemdeling voorafgaand aan het nemen van het terugkeerbesluit en het besluit tot inbewaringstelling gehoord om te beoordelen of het risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. De vreemdeling is derhalve voorafgaand aan het nemen van het terugkeerbesluit voldoende in staat gesteld de voor het nemen van het terugkeerbesluit relevante persoonlijke omstandigheden en belangen naar voren te brengen.Het gehoor van de vreemdeling is ook ten grondslag gelegd voor het opleggen van een inreisverbod. In dit geval blijkt uit het proces-verbaal van gehoor bij het terugkeerbesluit en inreisverbod van 23 augustus 2012 dat aan de vreemdeling kenbaar is gemaakt dat individuele omstandigheden aanleiding kunnen geven tot het afzien van het opleggen van een inreisverbod dan wel tot verkorting van de duur van het op te leggen inreisverbod en dat het aan de vreemdeling is dergelijke individuele omstandigheden naar voren te brengen.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Inreisverbod
    • Prejudiciële vragen
    • Terugkeer
    • Nederlands
  8. Language Dutch 26 reads States Council (Dutch) Volledige titel: Advies Raad van State betreffende wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de herziening van de regels over de werking van de strafwet buiten Nederland (herziening regels betre ...

    Volledige titel: Advies Raad van State betreffende wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de herziening van de regels over de werking van de strafwet buiten Nederland (herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken) : nader rapport.     

    Wetgeving

    • Staatscourant
    • Raad van State
  9. Language Dutch 46 reads States Council (Dutch) Zowel staatssecretaris als de vreemdeling gaan in beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris heeft zowel de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel als een verblijfsvergunning regulier ...

    Zowel staatssecretaris als de vreemdeling gaan in beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris heeft zowel de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel als een verblijfsvergunning regulier afgewezen. De staatssecretaris oordeelde dat haar asielrelaas een positieve overtuigingskracht mist. De Raad van State gaat hierin mee. Met betrekking tot de verblijfsvergunning regulier oordeelt de Raad van State:'Het betoog van de vreemdeling dat de staatssecretaris ten onrechte heeft geweigerd haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'vervolging van mensenhandel' te verlenen, kan niet worden gevolgd. Nu de vreemdeling geen aangifte heeft gedaan, voldoet zij reeds daarom niet aan de in paragraaf B9/2 van de Vc 2000 gestelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor verlening van deze verblijfsvergunning.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Verblijfsrecht
    • Psychologisch onderzoek
    • Asielprocedure
    • Medische omstandigheden
    • Positieve overtuigingskracht
    • Aangifte
    • B8/3
    • Nederlands
  10. Language Dutch 47 reads States Council (Dutch) De Raad van State oordeelt: 'Uit de op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt niet dat de vreemdeling tijdens de bewaring eerder dan op 18 december 2012 is gewezen op de mogelijkheid van het doen van ...

    De Raad van State oordeelt:'Uit de op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt niet dat de vreemdeling tijdens de bewaring eerder dan op 18 december 2012 is gewezen op de mogelijkheid van het doen van aangifte dan wel het op andere wijze medewerken aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar mensenhandel. Aangezien de staatssecretaris niet heeft betwist dat de KMar reeds op 5 december 2012 de bedoeling had de vreemdeling te horen en in de gelegenheid te stellen aangifte van mensenhandel te doen, valt zonder nadere toelichting niet in te zien waarom dit eerst op 18 december 2012 kon plaatsvinden. Uit vorenbedoelde stukken blijkt voorts evenmin dat tijdens de bewaring, in aanvulling op de enkele reeds voordien in dat opzicht verrichte handelingen, nog nadere handelingen zijn verricht ter verwezenlijking van de met die maatregel beoogde uitzetting van de vreemdeling.Onder de hiervoor weergegeven omstandigheden heeft de staatssecretaris niet de ter voorkoming van een onevenredig lange voortduring van de bewaring vereiste mate van voortvarendheid aan de dag gelegd. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geen aanleiding gezien een voortvarendheidsgebrek aan te nemen. De bewaring is van meet af aan onrechtmatig.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • B8/3
    • Vreemdelingendetentie/vreemdelingenbewaring
    • Aangifte
    • Nederlands

Pagina's