• Voortgezet verblijf

Pagina's

Resultaten 11 - 20 van totaal 27 resultaten
  1. Taal Nederlands 7 Het Centrum Kinderhandel Mensenhandel (CKM) Op 1 juni 2013 trad de Wet modern migratiebeleid in werking. De wet is een herziening van het reguliere vreemdelingenbeleid ten aanzien van onderdanen van buiten de EU. De wet hee ...

    Op 1 juni 2013 trad de Wet modern migratiebeleid in werking. De wet is een herziening van het reguliere vreemdelingenbeleid ten aanzien van onderdanen van buiten de EU. De wet heeft tot doel dat de toelatingsprocedures voor alle migranten snel en doeltreffend worden. Met de invoering van de wet is ook de Vreemdelingencirculaire 2000 aangepast. Door de wijziging staan de belangrijkste bepalingen voor slachtoffers van mensenhandel voortaan in hoofdstuk B8, paragraaf 3 van de Vreemdelingencirculaire. (bron: Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen)

    Publicaties

    • Artikelen
    • Het Centrum Kinderhandel Mensenhandel (CKM)
    • Verblijfsrecht
    • B8/3
    • Nationaal Verwijzingsmechanisme
    • Voortgezet verblijf
  2. Language Dutch 48 reads Court of Rotterdam Beroep van vreemdeling tegen het besluit van 1 juli 2011. Niet in geschil is dat vreemdeling niet langer in aanmerking komt voor vbt-regulier als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 onder beperking 'vervolging men ...

    Beroep van vreemdeling tegen het besluit van 1 juli 2011. Niet in geschil is dat vreemdeling niet langer in aanmerking komt voor vbt-regulier als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 onder beperking 'vervolging mensenhandel' en deze verblijfsvergunning terecht met ingang van 18 maart 2010 is ingetrokken. Noch is in geschil dat vreemdeling op grond van de artikelen 3.50 en 3.51 Vb 2000 niet in aanmerking komt voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning. Slechts de toepassing van art. 3.52 Vb 2000 is aan de orde.De hierin gegeven bevoegdheid biedt de minister grote mate van beleids- en beoordelingsvrijheid, waardoor de rechtbank slechts marginaal kan toetsen. De rechtbank overweegt dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hetgeen vreemdeling heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden ex art. 3.52 Vb 2000. Het feit dat vreemdeling één jaar en twee maanden van de vier jaar en vier maanden dat hij in Nederland is, rechtmatig in Nederland is, vormt volgens de rechtbank geen klemmende reden op grond waarvan de minister voortgezet verblijf had moeten toestaan.De rechtbank overweegt verder dat, nog daargelaten dat uit ministers beleid volgt dat medische en psychische omstandigheden op zichzelf onvoldoende zijn om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning voortgezet verblijf, vreemdeling deze medische en psychische omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt. Tot slot overweegt de rechtbank dat een beroep op art. 8 EVRM niet kan slagen omdat vreemdeling niet heeft aangetoond dat er sprake is van gezinsleven. Beroep vreemdeling ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Rotterdam
    • Voortgezet verblijf
    • Artikel 8 EVRM
    • Voortgezet verblijf
    • Klemmende redenen van humanitaire aard
    • Nederlands
  3. 64 reads Court of Noord-Holland Language Dutch Beroep vreemdeling en verzoek vovo. Vbt-regulier voor het doel “voortgezet verblijf” afgewezen en de verblijfsvergunning op grond van de B9-regeling met terugwerkende kracht ingetrokken. De voorzieningenrecht ...

    Beroep vreemdeling en verzoek vovo. Vbt-regulier voor het doel “voortgezet verblijf” afgewezen en de verblijfsvergunning op grond van de B9-regeling met terugwerkende kracht ingetrokken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder heeft kunnen concluderen dat niet gebleken is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard.Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de geschetste situatie in het ambtsbericht over soweh's niet overeenkomst met de situatie van verzoekster. Op grond hiervan heeft verweerder kunnen concluderen dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een risico loopt op represailles van de Bondo gemeenschap.Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij van de zijde van de mensenhandelaren een risico loopt op represaille. Daarbij is primair van belang dat niet vast is komen te staan dat verzoekster een slachtoffer is van mensenhandel, gelet op het sepot van de strafzaak en de omstandigheid dat verzoekster onvoldoende verklaren heeft kunnen afleggen over de gestelde mensenhandel.Voorts volgt de voorzieningenrechter het standpunt van eiser niet dat als justitie de aangifte van verzoekster in behandeling neemt, verweerder er dan van uit moet gaan dat verzoekster slachtoffer is van mensenhandel.Met betrekking tot de mogelijkheden voor verzoekster tot sociale en maatschappelijke herintegratie in Sierra Leone heeft verweerder in de eerste plaats kunnen overwegen dat niet is gebleken dat verzoekster zich niet staande zou kunnen houden in Sierra Leone. Geen beroep art. 8 EVRM. Vovo afgewezen. Beroep vreemdeling ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Sierra Leone
    • Rechtbank Noord-Holland
    • Voortgezet verblijf
    • Voortgezet verblijf
    • Klemmende redenen van humanitaire aard
    • Represailles
    • Herintegratie
    • Nederlands
  4. 82 reads Court of Noord-Holland Language Dutch Aanvraag vbt-regulier voor het doel “voortgezet verblijf” afgewezen en voorts de vbt-regulier op grond van de B9-regeling met terugwerkende kracht ingetrokken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verwe ...

    Aanvraag vbt-regulier voor het doel “voortgezet verblijf” afgewezen en voorts de vbt-regulier op grond van de B9-regeling met terugwerkende kracht ingetrokken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder heeft kunnen concluderen dat niet gebleken is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de geschetste situatie in het ambtsbericht over soweh's niet overeenkomt met de situatie van verzoekster. Op grond hiervan heeft verweerder kunnen concluderen dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een risico loopt op represailles van de Bondo gemeenschap.Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij van de zijde van de mensenhandelaar een risico loopt op represaille. In het geval van verzoekster is niet onomstotelijk vast komen te staan dat zij een slachtoffer van mensenhandel is, aangezien de aangifte niet heeft geleid tot het vaststellen van verdachten.Bij zijn standpunt over de vrees van van verzoeksters voor represailles van de mensenhandelaar heeft verweerder kunnen betrekken dat zij alleen een vaag signalement en een voornaam heeft kunnen geven, over de woning waarin hij haar zou hebben opgesloten niet kan verklaren en de eenvoudige wijze waarop verzoekster na vier weken uit de woning zou zijn gevlucht zeer onwaarschijnlijk overkomst.Voorts is niet gebleken dat de mensenhandelaar op de hoogte is van de woonplaats in Sierra Leone aangezien verzoekster heeft verklaard dat zij hem niet heeft leren kennen in de woonplaats waar zij woonachtig was.Met betrekking tot de mogelijkheden voor verzoekster tot sociale en maatschappelijke herintegratie in Sierra Leone heeft verweerder in de eerste plaats kunnen overwegen dat niet is gebleken dat verzoekster zich niet staande zou kunnen houden in Sierra Leone. Beroep vreemdeling ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Sierra Leone
    • Rechtbank Noord-Holland
    • Voortgezet verblijf
    • Voortgezet verblijf
    • Klemmende redenen van humanitaire aard
    • Represailles
    • Herintegratie
    • Nederlands
  5. 42 reads Court of Noord-Holland Language Dutch De rechtbank beoordeelt dat, nu de minister ter zitting heeft toegelicht dat niet wordt getwijfeld aan de besnijdenis van de vreemdeling, minister niet zonder nadere motivering staande kan houden dat de vreem ...

    De rechtbank beoordeelt dat, nu de minister ter zitting heeft toegelicht dat niet wordt getwijfeld aan de besnijdenis van de vreemdeling, minister niet zonder nadere motivering staande kan houden dat de vreemdeling niet heeft aangetoond dat zij tot een bevolkingsgroep behoort waarbij vrouwenbesnijdenis de praktijk is.Gezien het betoog van de vreemdeling dat zij niet de bescherming van een mannelijk familielid geniet en dat er geen sprake is van een sociaal netwerk, welk betoog door minister niet is betwist, heeft minister zich, mede in het licht uit het ambtsbericht, pagina 54, niet zonder nader motivering op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar dochter niet zal kunnen onttrekken aan vrouwenbesnijdenis en zij bij terugkeer derhalve geen reëel risico loopt te worden besneden. De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid de gebreken van het besluit te herstellen in de zin van artikel 8:51b lid Awb. 

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nigeria
    • Rechtbank Noord-Holland
    • Voortgezet verblijf
    • Voortgezet verblijf
    • Besnijdenis
    • Nederlands
  6. 73 reads Court of Noord-Holland Language Dutch Beroep vreemdeling tegen de afwijzing van een aanvraag om voortgezet verblijf na een B9-vergunning. Verweerder heeft deze aanvraag als een aanvraag om eerste toelating beoordeeld, nu eiseres de aanvraag meer ...

    Beroep vreemdeling tegen de afwijzing van een aanvraag om voortgezet verblijf na een B9-vergunning. Verweerder heeft deze aanvraag als een aanvraag om eerste toelating beoordeeld, nu eiseres de aanvraag meer dan drie jaar nadat de geldigheid van de aan haar verleende B9-vergunning was geëindigd, heeft ingediend. De aanvraag is vervolgens afgewezen wegens het ontbreken van een mvv.Ten aanzien van het beroep van eiseres op art. 8 EVRM is de rechtbank van oordeel dat verweerder de opgebouwde banden van de dochter van eiseres met Nederland, mede gelet op de duur van de periode waarop de opgebouwde banden zien, alsmede gelet op het feit dat de banden zijn opgebouwd tijdens onrechtmatig verblijf, ontoereikend heeft kunnen achten om bij tegenwerping van het mvv-vereiste aan eiseres een schending van art. 8 EVRM aan te nemen.Ten aanzien van het beroep van eiseres op de hardheidsclausule overweegt de rechtbank als volgt. Niet aannemelijk is geworden dat eiseres te vrezen heeft van mensenhandelaren in Nigeria. Daarnaast kan eiseres zich ter bescherming en opvang wenden tot NAPTIP, opgericht door de Nigeriaanse overheid om (potentiële) slachtoffers van mensenhandel op te vangen, te beschermen tegen mensenhandelaren en hen (indien nodig) te helpen met re-integratie in de samenleving. Ook is niet aannemelijk geworden dat eiseres te vrezen heeft voor de gedwongen besnijdenis van haar dochter. Beroep ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nigeria
    • Rechtbank Noord-Holland
    • Voortgezet verblijf
    • Artikel 8 EVRM
    • Voortgezet verblijf
    • Nederlands
  7. 81 reads Court of Noord-Holland Language Dutch Verweerder heeft de aanvraag van eiseres tot wijziging van de beperking van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier van ‘beperking als genoemd in hoofdstuk B9 Vc’ in de beperking ‘voortgezet verbli ...

    Verweerder heeft de aanvraag van eiseres tot wijziging van de beperking van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier van ‘beperking als genoemd in hoofdstuk B9 Vc’ in de beperking ‘voortgezet verblijf’ op grond van art. 3.52 Vb afgewezen.De rechtbank stelt vast dat verweerder in onderhavige zaak eerst heeft beoordeeld of voldaan is aan de voorwaarden van art. 3.52 Vb, te weten of er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden waardoor van eiseres niet gevergd kan worden dat zij Nederland verlaat. Verweerder is tot de conclusie gekomen dat van bijzondere individuele omstandigheden geen sprake is, getoetst aan art. 16, lid 1, aanhef en onder b,Vw.De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hetgeen eiseres met betrekking tot het risico van represailles en vervolging, alsmede met betrekking tot de mogelijkheden van sociale en maatschappelijk herintegratie als slachtoffer van mensenhandel en alleenstaande vrouw in China heeft aangevoerd, geen bijzondere individuele omstandigheden betreffen waardoor van haar niet gevergd kan worden dat zij Nederland verlaat.Ten aanzien van hetgeen eiseres omtrent haar medische situatie in de bestuurlijke fase heeft aangevoerd, heeft verweerder - vanwege het ontbreken van overige bijzondere individuele omstandigheden - derhalve in redelijkheid kunnen concluderen dat deze omstandigheden evenmin tot vergunningverlening op grond van art. 3.52 Vw leiden, nu geen sprake is van een bijzonder samenstel van omstandigheden. Beroep ongegrond; vovo afgewezen.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • China
    • Rechtbank Noord-Holland
    • Voortgezet verblijf
    • Voortgezet verblijf
    • Bijzondere individuele omstandigheden
    • Nederlands
  8. Language Dutch 62 reads Court of Noord-Nederland Verweerder heeft de aan eisers, twee echtelieden en hun dochter, verleende verblijfsvergunningen ingetrokken en heeft de aanvragen van eisers om wijziging van de beperking van de vergunning in voortgezet ve ...

    Verweerder heeft de aan eisers, twee echtelieden en hun dochter, verleende verblijfsvergunningen ingetrokken en heeft de aanvragen van eisers om wijziging van de beperking van de vergunning in voortgezet verblijf en om verlenging van de geldigheidsduur van hun verblijfsvergunningen afgewezen.Nadat eisers waren uitgeprocedeerd in hun eerste asielprocedure, zijn zij illegaal hier te lande verbleven. Nadat zij waren uitgeprocedeerd in hun tweede asielprocedure, hebben zij aangifte van mensenhandel/uitbuiting gedaan. In verband met deze aangiften zijn eisers in het bezit gesteld van verblijfsvergunningen.Eisers doen onder meer een beroep op artikel 8 EVRM. Verweerder is ervan uitgegaan dat de weigering om voortgezet verblijf te verlenen een inmenging in het familie- en gezinsleven van eisers oplevert. Verweerder heeft deze inmenging gerechtvaardigd geacht, gelet op het feit dat eisers hier te lande hebben verbleven op basis van verblijfsvergunningen die als doel hadden te voorzien in een tijdelijk verblijfsrecht op grond van hoofdstuk B9 van de Vc 2000.Voorts heeft verweerder daarbij betrokken dat niet wordt voldaan aan het beleid om voor voortgezet verblijf in aanmerking te komen. De weigering van voortgezet verblijf betekent niet dat zij van elkaar worden gescheiden, nu zij alle drie Nederland dienen te verlaten. De rechtbank overweegt dat de enkele verwijzing van eisers in de gronden van het beroep naar hun lange verblijf in Nederland geen grond biedt voor het oordeel dat verweerder ten onrechte voornoemd standpunt heeft ingenomen.Met betrekking tot de lange duur van het verblijf in Nederland van eisers geldt dat deze goeddeels een gevolg is van de verschillende aanvragen om toelating die eisers, sinds hun binnenkomst in 2004 hier te lande hebben ingediend en van de diverse procedures van rechtsbescherming die door eisers zijn aangewend. De omstandigheid dat eisers rechtmatig hier te lande hebben verbleven op grond van de verblijfsvergunningen verband houdend met mensenhandel/uitbuiting, biedt evenmin grond voor het oordeel dat verweerder, bij afweging van de betrokken belangen, zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers aan artikel 8 van het EVRM geen aanspraak op voortgezet verblijf kunnen ontlenen.Deze periode van rechtmatig verblijf is relatief kort, afgezet tegen de duur van de onderscheiden perioden waarin eisers hebben gepoogd om toelating op asielgerelateerde gronden te verkrijgen en, daarbij opgeteld, de duur van het tussengelegen illegaal verblijf hier te lande. Daarnaast geldt dat eisers van meet af aan hebben geweten dat de aan verleende verblijfsvergunningen naar hun aard tijdelijk waren. Niet kan worden gezegd dat het lange verblijf van eisers hier te lande en hun integratie in de Nederlandse samenleving als gevolg daarvan – waarbij vooral de integratie van de dochter in het oog springt, die op tienjarige leeftijd Nederland is binnengekomen en nu achttien jaar is -, is toe te rekenen aan verweerder waardoor artikel 8 van het EVRM thans (om die reden) tot het toestaan van voortgezet verblijf zou nopen. Het beroep is ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Noord-Nederland
    • Voortgezet verblijf
    • Voortgezet verblijf
    • Artikel 8 EVRM
    • Nederlands
  9. 75 reads Court of Noord-Nederland Language Dutch Op 26 februari 2007 heeft eiseres aangifte gedaan van mensenhandel. Bij besluit van 19 april 2007 is aan eiseres een verblijfsvergunning verleend onder de beperking zoals genoemd in hoofdstuk B9 Vc. Deze wa ...

    Op 26 februari 2007 heeft eiseres aangifte gedaan van mensenhandel. Bij besluit van 19 april 2007 is aan eiseres een verblijfsvergunning verleend onder de beperking zoals genoemd in hoofdstuk B9 Vc. Deze was geldig van 26 februari 2007 tot 26 februari 2008. Op 12 februari 2008 heeft het OM bericht dat het opsporingsonderzoek naar aanleiding van de door eiseres gedane aangifte niet heeft geleid tot vaststellen van een verdachte en dat het onderzoek wordt gesloten.Verweerder heeft de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking voortgezet verblijf als bedoeld in art. 3.52 Vb niet ingewilligd en het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard. In geschil is of verweerder dit op de juiste gronden heeft gedaan.De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiseres, nu is komen vast te staan dat zij het slachtoffer is van mensenhandel, het bepaalde in hoofdstuk B9/9.4 Vc – waarin het gaat om verlenging van de verblijfsvergunning onder een beperking - van overeenkomstige toepassing is. Ook nu de vreemdeling een aanvraag heeft ingediend op grond van art.3.52 Vb , kan van een slachtoffer van mensenhandel in beginsel niet worden verwacht dat hij in het land van herkomst een paspoort aanvraagt. Uit het ambtsbericht inzake Guinee blijkt dat een nationaal paspoort alleen in Conakry kan worden aangevraagd en niet bij de diplomatieke vertegenwoordiging in Nederland.De rechtbank oordeelt dat verweerder in redelijkheid niet het paspoortvereiste heeft kunnen tegenwerpen. Ook heeft verweerder ten onrechte niet het beleid zoals neergelegd in hoofdstuk B16/4.5 Vc – waarin is neergelegd dat een slachtoffer van mensenhandel in aanmerking kan komen voor een vergunning op grond van art.3.52 Vb, indien naar het oordeel van de minister wegens bijzondere individuele omstandigheden van de vreemdeling niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat - bij de beoordeling van de aanvraag betrokken. Beroep gegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Guinee
    • Rechtbank Noord-Nederland
    • Voortgezet verblijf
    • Paspoortvereiste
    • Paspoortvereiste
    • Voortgezet verblijf
    • Nederlands
  10. 62 reads Court of Noord-Nederland Language Dutch De rechtbank stelt eerst vast dat niet in geding is dat eiseres slachtoffer is van mensenhandel. Hetgeen eiseres in dit verband heeft meegemaakt, staat evenmin ter discussie. De rechtbank stelt voorts vast ...

    De rechtbank stelt eerst vast dat niet in geding is dat eiseres slachtoffer is van mensenhandel. Hetgeen eiseres in dit verband heeft meegemaakt, staat evenmin ter discussie. De rechtbank stelt voorts vast dat niet in geschil is dat eiseres op grond van het beleid zoals genoemd in hoofdstuk B 16/4.5 Vc 2000 onder a en b niet in aanmerking komt voor voortgezet verblijf. In geschil is de vraag of van eiseres wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat zij Nederland verlaat. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat NAPTIP voor eiseres een oplossing op maat kan bieden, nu haar familie zelf actief betrokken was bij het verhandelen en eiseres om die reden niet terug kan of wil naar haar familie.Hoewel uit het thematisch ambtsbericht inzake Nigeria van november 2008 kan worden afgeleid dat NAPTIP een oplossing op maat kan bieden, in die zin dat ze slachtoffers van mensenhandel tijdelijk aan onderdak en een baantje helpen en dat NAPTIP geen slachtoffers van mensenhandel op straat zet zonder dat ze ergens naar toe kunnen, volgt uit het ambtsbericht ook dat het verblijf in een shelter slechts tijdelijk is en dat hervestiging in de praktijk onmogelijk is indien betrokkene in de nieuwe woonplaats geen netwerk heeft van familieleden of personen met dezelfde regionale en etnische afkomst.Uit het ambtsbericht blijkt verder dat slechts een zeer klein percentage van alle vrouwen die slachtoffer zijn geworden van mensenhandel, die in Europa in de prostitutie hebben gewerkt en die vrijwillig of gedwongen zijn teruggekeerd naar Nigeria in een van de NAPTIPshelters terechtkomt en zij een groot risico opnieuw gerekruteerd te worden voor de prostitutie in Europa. Gelet op het voorgaande en gelet op de omstandigheid dat eiseres geen sociaal netwerk heeft, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zijn standpunt dat van eiseres gevergd kan worden dat zij Nederland verlaat, onvoldoende heeft gemotiveerd.In dit verband acht de rechtbank van belang dat verweerder ter zitting geen antwoord heeft kunnen geven op de vraag welke ervaringen er zijn sinds het uitkomen van het ambtsbericht van november 2008 met slachtoffers van mensenhandel die zijn teruggekeerd naar Nigeria en of NAPTIP in die gevallen inderdaad de oplossing op maat heeft geboden. Beroep gegrond.NB: in deze zaak is ook een vovo toegewezen (AWB 10/4708). NB: Hoger beroep minister gegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nigeria
    • Rechtbank Noord-Nederland
    • Voortgezet verblijf
    • Voortgezet verblijf
    • Nederlands

Pagina's