• Artikel 3 EVRM
Resultaten 1 - 4 van totaal 4 resultaten
  1. 5 Rechtbank Den Haag Taal Nederlands Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen ...

    Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot vier weken na de uitspraak in de bodemzaak. De voorzieningenrechter overweegt onder andere:'Door in dit geval zonder enig medisch advies te concluderen dat voor toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 geen grond is, heeft verweerder het bestreden besluit voorbereid en genomen zonder de vereiste zorgvuldigheid. Het mag wel zo zijn dat het hier gaat om een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel en dat, zoals verweerder ter zitting heeft betoogd, het zwaartepunt dan ligt bij de beantwoording van de vraag of verzoekster in aanmerking komt voor een dergelijke verblijfsvergunning, maar dit ontslaat verweerder niet van de plicht zorgvuldig na te gaan of er reden is om ambtshalve artikel 64 van de Vw 2000 toe te passen.' En:'Tot slot zal de voorzieningenrechter nog ingaan op het betoog van verzoekster dat haar op grond van het bepaalde in onderdeel B8/3 van de Vc 2000 bedenktijd geboden had moeten worden. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat een lezing van onderdeel B8/3 van de Vc 2000 met zich brengt dat de daarin vermelde criteria met betrekking tot voor welke vreemdelingen bedenktijd open staat, niet op de situatie van verzoekster van toepassing zijn. De voorzieningenrechter vindt deze motivering onvoldoende duidelijk. Niet in geschil dat is immers dat verzoekster het slachtoffer is geworden van mensenhandel. Het beleid vermeldt hierover (als tweede criterium) dat bedenktijd openstaat voor vreemdelingen die nog niet in Nederland werkzaam zijn geweest in een situatie die strafbaar is gesteld in artikel 273f Wetboek van Strafrecht, maar wel mogelijk slachtoffer zijn van mensenhandel. Het lijkt erop dat dit op verzoekster van toepassing is. Verweerder heeft de gelegenheid om in afwachting van de behandeling van de bodemzaak het bestreden besluit op dit punt nader te motiveren.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Albanië
    • Rechtbank Den Haag
    • Bedenktijd
    • Artikel 3 EVRM
    • Traumatabeleid
    • Bedenktijd
    • Artikel 3 EVRM
    • Sociale groep
    • Represailles
    • Nederlands
  2. 128 reads Court of Overijssel Language Dutch Beroep gegrond. Verzoekster heeft gesteld dat terugkeer naar Nigeria een schending van artikel 3 EVRM oplevert, omdat er een aanzienlijk risico bestaat dat haar iets zal worden aangedaan door de mensenhandelaar ...

    Beroep gegrond. Verzoekster heeft gesteld dat terugkeer naar Nigeria een schending van artikel 3 EVRM oplevert, omdat er een aanzienlijk risico bestaat dat haar iets zal worden aangedaan door de mensenhandelaar die ook haar ouders heeft vermoord.De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat er voor haar elders in Nigeria geen vestigingsalternatief is. Zij heeft niet met concrete informatie aannemelijk gemaakt dat NAPTIP (National Agency for the Prohibition of Traffic In Persons and Other Related Matters) in haar specifieke geval niet voldoende opvang en bescherming zal kunnen bieden.Voorts heeft verzoekster aangevoerd dat haar dochtertje bij terugkeer naar Nigeria het risico loopt te worden besneden en verwijst daarbij naar het ambtsbericht van oktober 2012. De stelling van verweerder ter zitting dat NAPTIP in het algemeen is opgericht ter bescherming en dat er daarom vanuit mag worden gegaan dat NAPTIP ook in staat is bescherming te bieden tegen een dreigende besnijdenis is – zoals verweerder ter zitting desgevraagd ook heeft bevestigd – gebaseerd op een aanname. Concrete aanwijzingen voor deze stelling heeft verweerder niet aangeleverd.De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat er voor verzoekster – voor zover zij vreest voor besnijdenis van haar dochtertje – een vestigingsalternatief (elders) in Nigeria bestaat. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3.46 Awb.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nigeria
    • Rechtbank Overijssel
    • Artikel 3 EVRM
    • Besnijdenis
    • Artikel 3 EVRM
    • Asielprocedure
    • Nederlands
  3. 13 Rechtbank Den Haag Taal Nederlands Beroep gegrond. De vreemdeling vreest bij terugkeer naar Nigeria onder meer voor mensenhandelaren en de besnijdenis van haar dochter. Volgens de staatssecretaris kan zij hiertegen de bescherming van de a ...

    Beroep gegrond. De vreemdeling vreest bij terugkeer naar Nigeria onder meer voor mensenhandelaren en de besnijdenis van haar dochter. Volgens de staatssecretaris kan zij hiertegen de bescherming van de autoriteiten in Nigeria inroepen. Volgens de vreemdeling heeft de staatssecretaris ten onrechte overwogen dat NAPTIP haar en de kinderen bescherming en opvang kan bieden. Ook blijkt nergens dat NAPTIP tegen besnijdenis bescherming kan bieden.De rechtbank is van oordeel dat NAPTIP bescherming kan bieden tegen represailles van mensenhandelaren. Het standpunt van de staatssecretaris dat evenmin een reële vrees voor besnijdenis van de minderjarige kinderen aannemelijk is gemaakt, wordt niet gevolgd. Hiertoe acht de voorzieningenrechter van belang dat uit het ambtsbericht van oktober 2012 weliswaar blijkt dat besnijdenis strafbaar is gesteld in verscheidene deelstaten, maar dat uit datzelfde ambtsbericht tevens blijkt dat er in de praktijk zelden controles worden uitgevoerd, en dat er niet of nauwelijks rechtsvervolging plaats vindt.Over het algemeen is de politie niet in staat om bescherming te bieden aan vrouwen en meisjes die dreigen slachtoffer te worden van genitale verminking, aldus het ambtsbericht. Deze gang van zaken wordt bevestigd in een brief van Defence for Children. Het standpunt van verweerder dat het NAPTIP ook tegen een eventuele dreigende genitale verminking van de dochtertjes van verzoekster bescherming kan bieden, is onvoldoende onderbouwd.Hiertoe wijst de voorzieningenrechter erop dat uit het ambtsbericht noch uit andere door de staatssecretaris bij de besluitvorming betrokken informatie blijkt dat het NAPTIP naast opvang en bescherming van slachtoffers van mensenhandel, tevens bescherming kan bieden tegen het risico op besnijdenis in Nigeria. Daarnaast is het besluit in strijd met artikel 3:2 Awb omdat er geen medisch deskundigenadvies van het BMA aan het besluit ten grond ligt en omdat de belangen van het kind niet zijn meegewogen.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nigeria
    • Rechtbank Den Haag
    • Artikel 3 EVRM
    • Besnijdenis
    • Belang van het kind
    • Asielprocedure
    • Nederlands
  4. Taal Nederlands 11 Rechtbank Gelderland Gelet op het vorenstaande, en mede bezien in het licht van de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling waarin in tegenstelling tot onderhavige zaak sprake was van een meisje dat niet eerder besneden is ...

    Gelet op het vorenstaande, en mede bezien in het licht van de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling waarin in tegenstelling tot onderhavige zaak sprake was van een meisje dat niet eerder besneden is geweest, kan naar het oordeel van de rechtbank de omstandigheid dat eiseres reeds eerder besneden is geweest, worden aangemerkt als een specifiek onderscheidend kenmerk om aannemelijk te maken dat eiseres bij terugkeer naar Sierra Leone een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.De stelling van verweerder dat hij niet kan beoordelen hoe de leefomgeving van eiseres tegenover een eventuele herbesnijdenis staat, omdat het asielrelaas van eiseres op dit punt positieve overtuigingskracht mist, doet geen opgang, nu verweerder enkel ten aanzien van het asielrelaas van eiseres over haar leefsituatie in het kader van de verkracliting en de gestelde bedreiging het standpunt heeft ingenomen dat dit positieve overtuigingskracht mist.Het relaas met betrekking tot de besnijdenis en de opheffing daarvan is door verweerder geloofwaardig geacht. Nu verweerder dit niet heeft gedaan, is het besluit van 15juli 2013 in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en genomen en kan daarmee niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Gelderland
    • Artikel 3 EVRM
    • Besnijdenis
    • Artikel 3 EVRM
    • Nederlands