Trefwoord

  • B8/3

Door MHW geduid als zeer belangrijk

Pagina's

Resultaten 1 - 10 van totaal 35 resultaten
  1. Language Dutch 56 reads Deze documentanalyse richt zich op de uitvoering van de bestaande regeling voor slachtoffers van mensenhandel, zoals vastgelegd in de vreemdelingencirculaire hoofdstuk B9.  Mr. drs. Marjan Wijers Documentanalyse B9 regeling mensenh ...

    Deze documentanalyse richt zich op de uitvoering van de bestaande regeling voor slachtoffers van mensenhandel, zoals vastgelegd in de vreemdelingencirculaire hoofdstuk B9. 

    Publicaties

    • Artikelen
    • B8/3
    • B8/3
    • Nederlands
  2. Language Dutch 57 reads Appellante heeft op 6 juni 2002 een verlenging aangevraagd voor haar vtv onder de beperking mensenhandel. Zij betoogt dat de rechtbank ten onrechte overwogen heeft dat zij niet voor gevraagde verlenging in aanmerking komt. Volgens ...

    Appellante heeft op 6 juni 2002 een verlenging aangevraagd voor haar vtv onder de beperking mensenhandel. Zij betoogt dat de rechtbank ten onrechte overwogen heeft dat zij niet voor gevraagde verlenging in aanmerking komt. Volgens het gevoerde beleid komt de grond onder zo’n vtv te ontvallen, indien de uitspraak in de strafzaak onherroepelijk is geworden. Hierbij is het niet van belang dat betrokkenen ten tijde van een eventuele aanvraag om verlenging daarvan op de hoogte is. Verder betoogt appellante dat de minister haar had moeten informeren over het onherroepelijk worden van de uitspraak.Volgens B9/4.5 Vc 2000 doet het OM melding van het onherroepelijk worden van de uitspraak aan de contactpersoon van de IND en het slachtoffer van de mensenhandel. Overigens bestaan evenmin aanknopingspunten om appellante te volgen, waar zij stelt dat op de minister ter zake een informatieplicht rust. Dat het OM de op hem rustende meldingsplicht mogelijk niet is nagekomen, heeft de rechtbank onder die omstandigheden terecht niet geleid tot gegrondverklaring van het beroep. Hoger beroep ongegrond. (JV 2005/465)

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • B8/3
    • Informatieplicht
    • Nederlands
  3. 01 apr 2006

    Language Dutch 75 reads B9 regeling, verblijfsvergunning slachtoffers van mensenhandel. Voor meest recente regelgeving zie B8/3-regeling. In dit hoofdstuk wordt het rechtmatige verblijf van slachtoffer- en getuige-aangevers en slachtoffers die op andere w ...

    B9 regeling, verblijfsvergunning slachtoffers van mensenhandel. Voor meest recente regelgeving zie B8/3-regeling.In dit hoofdstuk wordt het rechtmatige verblijf van slachtoffer- en getuige-aangevers en slachtoffers die op andere wijze medewerking verlenen aan het opsporings- of vervolgingsonderzoek van mensenhandel gedurende de bedenktijd voorafgaande aan de aangifte en gedurende de periode van opsporing, vervolging en berechting in feitelijke aanleg na aangifte van mensenhandel geregeld. Daarnaast biedt dit hoofdstuk richtlijnen voor het bieden van opvang en bescherming van de slachtoffer- en getuige-aangevers en slachtoffers die op andere wijze medewerking verlenen aan het opsporings- of vervolgingsonderzoek van mensenhandel.  

    Wetgeving

    • Wetgeving
    • B8/3
  4. Language Dutch 82 reads National Ombudsman Ten aanzien van de aangifte tot mensenhandel speelt naast het belang van effectieve bestrijding van mensenhandel het belang van voorkomen van misbruik van de aangiftemogelijkheid om vreemdelingenrechtelijke voord ...

    Ten aanzien van de aangifte tot mensenhandel speelt naast het belang van effectieve bestrijding van mensenhandel het belang van voorkomen van misbruik van de aangiftemogelijkheid om vreemdelingenrechtelijke voordelen te behalen.Toen verzoekster aangifte wilde doen had de politie - en later ook de officier van justitie - kennelijk het idee dat het verzoekster om verkrijging van de vreemdelingenrechtelijke status ging en niet zozeer om opsporing en vervolging van het feit. Dat was de reden om eerst onderzoek te verrichten naar de betrouwbaarheid van verzoeksters verklaringen. Hieruit rees twijfel over de juistheid van de reis- en verblijfgegevens en de aangifte werd dan ook niet opgenomen. Dit laatste is onjuist.Gelet op artikel 163 Sv geldt het uitgangspunt dat er weinig ruimte is om geen aangifte op te nemen. Dit neemt niet weg dat in deze zaak, waar twijfel over de bedoelingen van verzoekster niet onbegrijpelijk was, aangifte toch had moeten worden opgenomen, omdat niet op voorhand, zonder verder onderzoek en zonder twijfel kan worden vastgesteld dat de gedraging geen strafbaar feit is. Indien men vermoedt dat het bij aangifte eigenlijk alleen om de vreemdelingenrechtelijke status gaat én er (bijna) geen aanknopingspunten voor opsporing zijn, kan alsnog worden besloten geen (verder) onderzoek te doen en dit aan de IND door te geven. Dan is wel een beroep ex artikel 12 Sv mogelijk.De gedraging is onbehoorlijk wegens schending van het beginsel van fair play. Ten aanzien van het vereiste van hoor en wederhoor in de zin van artikel 9:10 Awb geldt dat de hoofdofficier van justitie verzoekster in de gelegenheid had moeten stellen te worden gehoord, nu de hoofdofficier de klacht niet als kennelijk ongegrond heeft aangemerkt en verzoekster niet heeft aangegeven geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord. Er is gehandeld in strijd met het vereiste van hoor en wederhoor. (JV 2006/391).

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nationale Ombudsman
    • B8/3
    • Fair play
    • Hoorplicht
    • Aangifte
    • Valse aangifte
    • Misbruik B8/3 (B9)
    • Nederlands
  5. Language Dutch 68 reads States Council (Dutch) De rechtbank heeft niet onderkend dat voor de betekenis van artikel 3.88 Vb 2000 de tekst van die bepaling als uitgangspunt dient te worden genomen. Aangezien in het artikel in duidelijke bewoordingen is neer ...

    De rechtbank heeft niet onderkend dat voor de betekenis van artikel 3.88 Vb 2000 de tekst van die bepaling als uitgangspunt dient te worden genomen. Aangezien in het artikel in duidelijke bewoordingen is neergelegd dat de vreemdeling tegen de beslissing tot niet vervolging of niet verdere vervolging van de verdachte van mensenhandel schriftelijk beklag moet hebben gedaan bij het gerechtshof en uit de bepaling ook duidelijk volgt dat daarbij wordt gedoeld op de vreemdeling die een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning heeft ingediend, is de tekst bepalend voor de uitleg van het artikel. De rechter komt dan niet toe aan een van die tekst afwijkende, door hem redelijk bevonden uitleg, als door de rechtbank in de bestreden overweging neergelegd. Nu voorts niet in geschil is dat de vreemdeling geen schriftelijk beklag tegen de niet vervolging van de verdachte van mensenhandel bij het gerechtshof heeft ingediend en artikel 3.88 Vb 2000 verder geen ruimte biedt voor afwijking in bijzondere gevallen, heeft de rechtbank ten onrechte grond gevonden voor het oordeel dat het bij haar bestreden besluit met betrekking tot de toepassing van artikel 3.88 Vb 2000 niet deugdelijk is gemotiveerd. (JV 2007/44)

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • B8/3
    • Verlenging verblijfsvergunning
    • Beklagprocedure
    • Nederlands
  6. Language Dutch 81 reads States Council (Dutch) Het verzoek van appellante tot verlening van Rvb-verstrekkingen over de maand december 2005 is door het COA op 10 maart 2006 afgewezen. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard (AWB 06/16997). In hog ...

    Het verzoek van appellante tot verlening van Rvb-verstrekkingen over de maand december 2005 is door het COA op 10 maart 2006 afgewezen. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard (AWB 06/16997).In hoger beroep klaagt appellante dat het COA de datum beëindiging van de haar toegekende Rvb-verstrekkingen, zijnde 8 december 2005, heeft kunnen baseren op informatie van de IND. Uit deze informatie bleek dat appellante korte tijd (van 8-15 december 2005) rechtmatig verblijf in NL heeft gehad op grond van een vbt-regulier B9 (mensenhandel). Het besluit hiertoe is door de IND op 16 januari 2006, na de periode waarop de aanvraag Rvb betrekking heeft, genomen. De afdeling oordeelt dat het COA terecht rekening heeft gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden op het moment van de besluitvorming. Het hoger beroep is ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • B8/3
    • Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA)
    • Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb)
    • Nederlands
  7. Language Dutch 59 reads States Council (Dutch) Betreft hoger beroep staatssecretaris tegen de uitspraak van rechtbank Zwolle van 24 april 2007 (Awb 05/51918). De aanvraag van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning w ...

    Betreft hoger beroep staatssecretaris tegen de uitspraak van rechtbank Zwolle van 24 april 2007 (Awb 05/51918). De aanvraag van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning wegens mensenhandel is afgewezen. Volgens de grief van de staatssecretaris is de berechting in feitelijke aanleg, waarnaar het beleid inzake slachtoffer- en getuige aangevers van mensenhandel wordt verwezen, beëindigd.Volgens paragraaf B9/4.6 van de Vc kan de geldigheid van de verblijfsvergunning worden verlengd zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- en vervolgingsonderzoek naar of berechting feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit ter zake waarvan aangifte is gedaan. Nu het Gerechtshof uitspraak heeft gedaan in de strafzaak terzake mensenhandel en dit arrest onherroepelijk is geworden is hiermee de berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit ter zake waarvan door de vreemdeling aangifte is gedaan, beëindigd.De omstandigheid dat uit het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister volgt dat de opgelegde maatregel tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel nog niet onherroepelijk is, doet aan het voorgaande niet af. De grief slaagt. Het hoger beroep is kennelijk gegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • B8/3
    • Afwijzing verlenging
    • Nederlands
  8. Language Dutch 77 reads Deze  werkinstructie  behandelt  het  onderwerp  “(potentiële)  slachtoffers  van mensenhandel  binnen  de  asielprocedure”.  Tijdens  de  asielprocedure  kunnen aanwijzingen naar voren komen dat een asielzoeker slachtoffer van men ...

    Deze  werkinstructie  behandelt  het  onderwerp  “(potentiële)  slachtoffers  van mensenhandel  binnen  de  asielprocedure”.  Tijdens  de  asielprocedure  kunnen aanwijzingen naar voren komen dat een asielzoeker slachtoffer van mensenhandel is of dreigt te worden. De medewerker dient de asielzoeker in de gelegenheid te stellen om aangifte van mensenhandel te doen.De  werkinstructie  beoogt  de  hoor  –  en  beslismedewerker  handvatten  te  bieden  bij het signaleren van mensenhandel. Tevens wordt uitgelegd hoe de medewerker deze signalen dient op te pakken, en hoe het aspect van  mensenhandel inhoudelijk dient te worden beoordeeld bij de asielaanvraag.

    Wetgeving

    • Werkinstructies IND
    • B8/3
  9. Language Dutch 67 reads Court of Noord-Nederland Volgens paragraaf B9/3 van de Vc 2000 wordt aan vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel een periode gegund van maximaal drie maanden, waarbinnen zij moeten beslissen of zij aangifte willen doen van mens ...

    Volgens paragraaf B9/3 van de Vc 2000 wordt aan vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel een periode gegund van maximaal drie maanden, waarbinnen zij moeten beslissen of zij aangifte willen doen van mensenhandel. Er is alleen bedenktijd voor de categorieën in B9/2 van de Vc 2000. De laatste categorie betreft vreemdelingen die nog niet in Nederland werkzaam zijn geweest, die niet over een geldige verblijfstitel beschikken, maar wel mogelijk slachtoffer zijn van mensenhandel.Verweerder bestrijdt niet dat eiser in ieder geval onder deze categorie valt. Ter zitting heeft eiser verklaard ook een aantal maanden in Nederland te hebben gewerkt. Mogelijk valt hij dus in de categorie van slachtoffers van overige in artikel 273 Sr strafbaar gestelde feiten, die niet over een geldige verblijfstitel in Nederland beschikken. Hierop gelet moet eiser een bedenktijd van drie maanden worden gegund. Verweerder heeft in strijd met het beleid het beroep van eiser op deze bedenktijd niet gehonoreerd. Door acceptatie van de bedenktijd ontvalt de grondslag aan de inbewaringstelling, aangezien er geen sprake meer is van illegaal verblijf en van zicht op uitzetting. Dit maakt dat de bewaring onrechtmatig is vanaf het moment dat aan eiser bedenktijd had moeten worden gegund. Beroep gegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Noord-Nederland
    • B8/3
    • Vreemdelingendetentie/vreemdelingenbewaring
    • Bedenktijd
    • Nederlands
  10. Language Dutch 67 reads Court of Rotterdam Het B9-beleid verlangt van verweerder een actieve houding. Het is in eerste instantie aan verweerder om te beoordelen of de B9-regeling wordt aangeboden. Het is bovendien aan verweerder om, in het kader van zorgv ...

    Het B9-beleid verlangt van verweerder een actieve houding. Het is in eerste instantie aan verweerder om te beoordelen of de B9-regeling wordt aangeboden. Het is bovendien aan verweerder om, in het kader van zorgvuldigheid van het onderzoek ter zake, de verslaglegging van gevoerde gesprekken te (doen) verzorgen en in voorkomende gevallen deze in het dossier te voegen. Daar was in deze zaak ook aanleiding toe. nu in elk geval is aangegeven in de schriftelijke beroepsgronden dat het handelen van verweerder ten aanzien van de B9-procedure niet blijkt uit het dossier. Beroep gegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Rotterdam
    • B8/3
    • B8/3
    • Nederlands

Pagina's