• Voortgezet verblijf

Door MHW geduid als zeer belangrijk

Pagina's

Resultaten 1 - 10 van totaal 37 resultaten
  1. Language Dutch 358 reads Centre against Child- and Human Trafficking Het CKM merkt dat het voor slachtoffers van mensenhandel steeds moeilijker wordt om voortgezet verblijf te krijgen. Het werd al steeds moeilijker voor een slachtoffer om te bewijzen dat ...

    Het CKM merkt dat het voor slachtoffers van mensenhandel steeds moeilijker wordt om voortgezet verblijf te krijgen. Het werd al steeds moeilijker voor een slachtoffer om te bewijzen dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden. Maar nu heeft de IND tijdens een zitting van één van de cliënten van het CKM afgekondigd dat de ze alleen nog maar naar bijzondere individuele omstandigheden gaat kijken als het mensenhandelrelaas aannemelijk is. Een extra te nemen hindernis in het al moeilijke voortgezet verblijf. Of dit beleid echt zo nieuw is, is overigens de vraag. 

    Publicaties

    • Artikelen
    • Het Centrum Kinderhandel Mensenhandel (CKM)
    • Voortgezet verblijf
    • Voortgezet verblijf
    • Bijzondere individuele omstandigheden
    • Geloofwaardigheid
    • Nederlands
  2. Language Dutch 48 reads Court of Rotterdam Beroep van vreemdeling tegen het besluit van 1 juli 2011. Niet in geschil is dat vreemdeling niet langer in aanmerking komt voor vbt-regulier als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 onder beperking 'vervolging men ...

    Beroep van vreemdeling tegen het besluit van 1 juli 2011. Niet in geschil is dat vreemdeling niet langer in aanmerking komt voor vbt-regulier als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 onder beperking 'vervolging mensenhandel' en deze verblijfsvergunning terecht met ingang van 18 maart 2010 is ingetrokken. Noch is in geschil dat vreemdeling op grond van de artikelen 3.50 en 3.51 Vb 2000 niet in aanmerking komt voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning. Slechts de toepassing van art. 3.52 Vb 2000 is aan de orde.De hierin gegeven bevoegdheid biedt de minister grote mate van beleids- en beoordelingsvrijheid, waardoor de rechtbank slechts marginaal kan toetsen. De rechtbank overweegt dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hetgeen vreemdeling heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden ex art. 3.52 Vb 2000. Het feit dat vreemdeling één jaar en twee maanden van de vier jaar en vier maanden dat hij in Nederland is, rechtmatig in Nederland is, vormt volgens de rechtbank geen klemmende reden op grond waarvan de minister voortgezet verblijf had moeten toestaan.De rechtbank overweegt verder dat, nog daargelaten dat uit ministers beleid volgt dat medische en psychische omstandigheden op zichzelf onvoldoende zijn om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning voortgezet verblijf, vreemdeling deze medische en psychische omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt. Tot slot overweegt de rechtbank dat een beroep op art. 8 EVRM niet kan slagen omdat vreemdeling niet heeft aangetoond dat er sprake is van gezinsleven. Beroep vreemdeling ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Rotterdam
    • Voortgezet verblijf
    • Artikel 8 EVRM
    • Voortgezet verblijf
    • Klemmende redenen van humanitaire aard
    • Nederlands
  3. 64 reads Court of Noord-Holland Language Dutch Beroep vreemdeling en verzoek vovo. Vbt-regulier voor het doel “voortgezet verblijf” afgewezen en de verblijfsvergunning op grond van de B9-regeling met terugwerkende kracht ingetrokken. De voorzieningenrecht ...

    Beroep vreemdeling en verzoek vovo. Vbt-regulier voor het doel “voortgezet verblijf” afgewezen en de verblijfsvergunning op grond van de B9-regeling met terugwerkende kracht ingetrokken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder heeft kunnen concluderen dat niet gebleken is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard.Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de geschetste situatie in het ambtsbericht over soweh's niet overeenkomst met de situatie van verzoekster. Op grond hiervan heeft verweerder kunnen concluderen dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een risico loopt op represailles van de Bondo gemeenschap.Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij van de zijde van de mensenhandelaren een risico loopt op represaille. Daarbij is primair van belang dat niet vast is komen te staan dat verzoekster een slachtoffer is van mensenhandel, gelet op het sepot van de strafzaak en de omstandigheid dat verzoekster onvoldoende verklaren heeft kunnen afleggen over de gestelde mensenhandel.Voorts volgt de voorzieningenrechter het standpunt van eiser niet dat als justitie de aangifte van verzoekster in behandeling neemt, verweerder er dan van uit moet gaan dat verzoekster slachtoffer is van mensenhandel.Met betrekking tot de mogelijkheden voor verzoekster tot sociale en maatschappelijke herintegratie in Sierra Leone heeft verweerder in de eerste plaats kunnen overwegen dat niet is gebleken dat verzoekster zich niet staande zou kunnen houden in Sierra Leone. Geen beroep art. 8 EVRM. Vovo afgewezen. Beroep vreemdeling ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Sierra Leone
    • Rechtbank Noord-Holland
    • Voortgezet verblijf
    • Voortgezet verblijf
    • Klemmende redenen van humanitaire aard
    • Represailles
    • Herintegratie
    • Nederlands
  4. 82 reads Court of Noord-Holland Language Dutch Aanvraag vbt-regulier voor het doel “voortgezet verblijf” afgewezen en voorts de vbt-regulier op grond van de B9-regeling met terugwerkende kracht ingetrokken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verwe ...

    Aanvraag vbt-regulier voor het doel “voortgezet verblijf” afgewezen en voorts de vbt-regulier op grond van de B9-regeling met terugwerkende kracht ingetrokken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder heeft kunnen concluderen dat niet gebleken is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de geschetste situatie in het ambtsbericht over soweh's niet overeenkomt met de situatie van verzoekster. Op grond hiervan heeft verweerder kunnen concluderen dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een risico loopt op represailles van de Bondo gemeenschap.Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij van de zijde van de mensenhandelaar een risico loopt op represaille. In het geval van verzoekster is niet onomstotelijk vast komen te staan dat zij een slachtoffer van mensenhandel is, aangezien de aangifte niet heeft geleid tot het vaststellen van verdachten.Bij zijn standpunt over de vrees van van verzoeksters voor represailles van de mensenhandelaar heeft verweerder kunnen betrekken dat zij alleen een vaag signalement en een voornaam heeft kunnen geven, over de woning waarin hij haar zou hebben opgesloten niet kan verklaren en de eenvoudige wijze waarop verzoekster na vier weken uit de woning zou zijn gevlucht zeer onwaarschijnlijk overkomst.Voorts is niet gebleken dat de mensenhandelaar op de hoogte is van de woonplaats in Sierra Leone aangezien verzoekster heeft verklaard dat zij hem niet heeft leren kennen in de woonplaats waar zij woonachtig was.Met betrekking tot de mogelijkheden voor verzoekster tot sociale en maatschappelijke herintegratie in Sierra Leone heeft verweerder in de eerste plaats kunnen overwegen dat niet is gebleken dat verzoekster zich niet staande zou kunnen houden in Sierra Leone. Beroep vreemdeling ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Sierra Leone
    • Rechtbank Noord-Holland
    • Voortgezet verblijf
    • Voortgezet verblijf
    • Klemmende redenen van humanitaire aard
    • Represailles
    • Herintegratie
    • Nederlands
  5. 42 reads Court of Noord-Holland Language Dutch De rechtbank beoordeelt dat, nu de minister ter zitting heeft toegelicht dat niet wordt getwijfeld aan de besnijdenis van de vreemdeling, minister niet zonder nadere motivering staande kan houden dat de vreem ...

    De rechtbank beoordeelt dat, nu de minister ter zitting heeft toegelicht dat niet wordt getwijfeld aan de besnijdenis van de vreemdeling, minister niet zonder nadere motivering staande kan houden dat de vreemdeling niet heeft aangetoond dat zij tot een bevolkingsgroep behoort waarbij vrouwenbesnijdenis de praktijk is.Gezien het betoog van de vreemdeling dat zij niet de bescherming van een mannelijk familielid geniet en dat er geen sprake is van een sociaal netwerk, welk betoog door minister niet is betwist, heeft minister zich, mede in het licht uit het ambtsbericht, pagina 54, niet zonder nader motivering op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar dochter niet zal kunnen onttrekken aan vrouwenbesnijdenis en zij bij terugkeer derhalve geen reëel risico loopt te worden besneden. De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid de gebreken van het besluit te herstellen in de zin van artikel 8:51b lid Awb. 

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nigeria
    • Rechtbank Noord-Holland
    • Voortgezet verblijf
    • Voortgezet verblijf
    • Besnijdenis
    • Nederlands
  6. 73 reads Court of Noord-Holland Language Dutch Beroep vreemdeling tegen de afwijzing van een aanvraag om voortgezet verblijf na een B9-vergunning. Verweerder heeft deze aanvraag als een aanvraag om eerste toelating beoordeeld, nu eiseres de aanvraag meer ...

    Beroep vreemdeling tegen de afwijzing van een aanvraag om voortgezet verblijf na een B9-vergunning. Verweerder heeft deze aanvraag als een aanvraag om eerste toelating beoordeeld, nu eiseres de aanvraag meer dan drie jaar nadat de geldigheid van de aan haar verleende B9-vergunning was geëindigd, heeft ingediend. De aanvraag is vervolgens afgewezen wegens het ontbreken van een mvv.Ten aanzien van het beroep van eiseres op art. 8 EVRM is de rechtbank van oordeel dat verweerder de opgebouwde banden van de dochter van eiseres met Nederland, mede gelet op de duur van de periode waarop de opgebouwde banden zien, alsmede gelet op het feit dat de banden zijn opgebouwd tijdens onrechtmatig verblijf, ontoereikend heeft kunnen achten om bij tegenwerping van het mvv-vereiste aan eiseres een schending van art. 8 EVRM aan te nemen.Ten aanzien van het beroep van eiseres op de hardheidsclausule overweegt de rechtbank als volgt. Niet aannemelijk is geworden dat eiseres te vrezen heeft van mensenhandelaren in Nigeria. Daarnaast kan eiseres zich ter bescherming en opvang wenden tot NAPTIP, opgericht door de Nigeriaanse overheid om (potentiële) slachtoffers van mensenhandel op te vangen, te beschermen tegen mensenhandelaren en hen (indien nodig) te helpen met re-integratie in de samenleving. Ook is niet aannemelijk geworden dat eiseres te vrezen heeft voor de gedwongen besnijdenis van haar dochter. Beroep ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nigeria
    • Rechtbank Noord-Holland
    • Voortgezet verblijf
    • Artikel 8 EVRM
    • Voortgezet verblijf
    • Nederlands
  7. 81 reads Court of Noord-Holland Language Dutch Verweerder heeft de aanvraag van eiseres tot wijziging van de beperking van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier van ‘beperking als genoemd in hoofdstuk B9 Vc’ in de beperking ‘voortgezet verbli ...

    Verweerder heeft de aanvraag van eiseres tot wijziging van de beperking van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier van ‘beperking als genoemd in hoofdstuk B9 Vc’ in de beperking ‘voortgezet verblijf’ op grond van art. 3.52 Vb afgewezen.De rechtbank stelt vast dat verweerder in onderhavige zaak eerst heeft beoordeeld of voldaan is aan de voorwaarden van art. 3.52 Vb, te weten of er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden waardoor van eiseres niet gevergd kan worden dat zij Nederland verlaat. Verweerder is tot de conclusie gekomen dat van bijzondere individuele omstandigheden geen sprake is, getoetst aan art. 16, lid 1, aanhef en onder b,Vw.De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hetgeen eiseres met betrekking tot het risico van represailles en vervolging, alsmede met betrekking tot de mogelijkheden van sociale en maatschappelijk herintegratie als slachtoffer van mensenhandel en alleenstaande vrouw in China heeft aangevoerd, geen bijzondere individuele omstandigheden betreffen waardoor van haar niet gevergd kan worden dat zij Nederland verlaat.Ten aanzien van hetgeen eiseres omtrent haar medische situatie in de bestuurlijke fase heeft aangevoerd, heeft verweerder - vanwege het ontbreken van overige bijzondere individuele omstandigheden - derhalve in redelijkheid kunnen concluderen dat deze omstandigheden evenmin tot vergunningverlening op grond van art. 3.52 Vw leiden, nu geen sprake is van een bijzonder samenstel van omstandigheden. Beroep ongegrond; vovo afgewezen.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • China
    • Rechtbank Noord-Holland
    • Voortgezet verblijf
    • Voortgezet verblijf
    • Bijzondere individuele omstandigheden
    • Nederlands
  8. Language Dutch 62 reads Court of Noord-Nederland Verweerder heeft de aan eisers, twee echtelieden en hun dochter, verleende verblijfsvergunningen ingetrokken en heeft de aanvragen van eisers om wijziging van de beperking van de vergunning in voortgezet ve ...

    Verweerder heeft de aan eisers, twee echtelieden en hun dochter, verleende verblijfsvergunningen ingetrokken en heeft de aanvragen van eisers om wijziging van de beperking van de vergunning in voortgezet verblijf en om verlenging van de geldigheidsduur van hun verblijfsvergunningen afgewezen.Nadat eisers waren uitgeprocedeerd in hun eerste asielprocedure, zijn zij illegaal hier te lande verbleven. Nadat zij waren uitgeprocedeerd in hun tweede asielprocedure, hebben zij aangifte van mensenhandel/uitbuiting gedaan. In verband met deze aangiften zijn eisers in het bezit gesteld van verblijfsvergunningen.Eisers doen onder meer een beroep op artikel 8 EVRM. Verweerder is ervan uitgegaan dat de weigering om voortgezet verblijf te verlenen een inmenging in het familie- en gezinsleven van eisers oplevert. Verweerder heeft deze inmenging gerechtvaardigd geacht, gelet op het feit dat eisers hier te lande hebben verbleven op basis van verblijfsvergunningen die als doel hadden te voorzien in een tijdelijk verblijfsrecht op grond van hoofdstuk B9 van de Vc 2000.Voorts heeft verweerder daarbij betrokken dat niet wordt voldaan aan het beleid om voor voortgezet verblijf in aanmerking te komen. De weigering van voortgezet verblijf betekent niet dat zij van elkaar worden gescheiden, nu zij alle drie Nederland dienen te verlaten. De rechtbank overweegt dat de enkele verwijzing van eisers in de gronden van het beroep naar hun lange verblijf in Nederland geen grond biedt voor het oordeel dat verweerder ten onrechte voornoemd standpunt heeft ingenomen.Met betrekking tot de lange duur van het verblijf in Nederland van eisers geldt dat deze goeddeels een gevolg is van de verschillende aanvragen om toelating die eisers, sinds hun binnenkomst in 2004 hier te lande hebben ingediend en van de diverse procedures van rechtsbescherming die door eisers zijn aangewend. De omstandigheid dat eisers rechtmatig hier te lande hebben verbleven op grond van de verblijfsvergunningen verband houdend met mensenhandel/uitbuiting, biedt evenmin grond voor het oordeel dat verweerder, bij afweging van de betrokken belangen, zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers aan artikel 8 van het EVRM geen aanspraak op voortgezet verblijf kunnen ontlenen.Deze periode van rechtmatig verblijf is relatief kort, afgezet tegen de duur van de onderscheiden perioden waarin eisers hebben gepoogd om toelating op asielgerelateerde gronden te verkrijgen en, daarbij opgeteld, de duur van het tussengelegen illegaal verblijf hier te lande. Daarnaast geldt dat eisers van meet af aan hebben geweten dat de aan verleende verblijfsvergunningen naar hun aard tijdelijk waren. Niet kan worden gezegd dat het lange verblijf van eisers hier te lande en hun integratie in de Nederlandse samenleving als gevolg daarvan – waarbij vooral de integratie van de dochter in het oog springt, die op tienjarige leeftijd Nederland is binnengekomen en nu achttien jaar is -, is toe te rekenen aan verweerder waardoor artikel 8 van het EVRM thans (om die reden) tot het toestaan van voortgezet verblijf zou nopen. Het beroep is ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Noord-Nederland
    • Voortgezet verblijf
    • Voortgezet verblijf
    • Artikel 8 EVRM
    • Nederlands
  9. Language Dutch 56 reads Court of Rotterdam Afwijzing wijziging beperking vbt-r onder beperking “B9 Vc” in ‘voortgezet verblijf’. Verweerder heeft terecht overwogen dat de aanvraag van eiseres o.b.v. art. 3.52 Vb slechts voor inwilliging vatbaar is, indien ...

    Afwijzing wijziging beperking vbt-r onder beperking “B9 Vc” in ‘voortgezet verblijf’. Verweerder heeft terecht overwogen dat de aanvraag van eiseres o.b.v. art. 3.52 Vb slechts voor inwilliging vatbaar is, indien naar zijn oordeel van eiseres wegens bijzondere omstandigheden individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat zij Nederland verlaat.De rechtbank oordeelt dat er geen bijzondere individuele omstandigheden zijn. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiseres niet behoort tot B16/7 onder a of b Vc genoemde categorieën vreemdelingen; eiseres heeft niet aangetoond dat haar broer is vermoord; gesteld noch gebleken is dat eiseres daadwerkelijk is bedreigd door haar souteneur of zijn baas; dat de autoriteiten geen bescherming kunnen bieden is niet onderbouwd; de familie in het land van herkomst is blijkbaar niet op de hoogte van het prostitutieverleden van eiseres, daarmee is niet op voorhand aannemelijk dat dit verleden in het land van herkomst in brede kring bekend is; ook de omstandigheden van het sepot en de gestelde omstandigheid dat eiseres is geïntegreerd in de Nederlandse samenleving zijn geen bijzondere omstandigheden.De voorwaarde met betrekking tot de aanwezigheid van bijzondere individuele omstandigheden is vastgelegd in een avv, zodat art. 4:84 Awb niet van toepassing is. Beroep op art. 4:84 Awb faalt. Beroep ongegrond. NB. Hoger beroep is kennelijk ongegrond verklaard (18 maart 2009, 200809393/1/V1)

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Rotterdam
    • Voortgezet verblijf
    • Bijzondere individuele omstandigheden
    • Nederlands
  10. Taal Nederlands Rechtbank Den Haag Eiseres is slachtoffer van mensenhandel en heeft een B8 verblijfsvergunning gehad. Aanvraag voor een verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden (voortgezet verblijf) is afgewezen. Eiseres voer ...

    Eiseres is slachtoffer van mensenhandel en heeft een B8 verblijfsvergunning gehad. Aanvraag voor een verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden (voortgezet verblijf) is afgewezen. Eiseres voert onder andere aan dat zij op basis van de IND-werkinstructie gehoord had moeten worden. Verweerder stelt dat het een interne werkinstructie uit 2009 is die in de praktijk niet meer wordt gevolgd. De rechtbank oordeelt:' Nu verweerder betwist dat vermelde werkinstructie uit 2009 nog gehanteerd wordt in de beslispraktijk en eiseres, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder, anders dan betoogd, nog immer toepassing geeft aan deze werkinstructie, volgt de rechtbank eiseres niet in het betoog dat verweerder niet van horen had kunnen afzien op grond van de werkinstructie.' Verder oordeelt de rechtbank:'De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de opgenomen overwegingen, de aangevoerde factoren, ook in onderlinge samenhang bezien, voldoende heeft beoordeeld. Verweerder kan aldus gevolgd worden in zijn standpunt dat van risico’s op represailles niet gebleken is, nu gesteld noch gebleken is dat eiseres ooit nog door de mensenhandelaren is benaderd dan wel bedreigd, dat zij met behulp van derden in staat moet worden geacht te herintegreren in Gambia en dat de medische omstandigheden en overige factoren, op zichzelf, noch in onderlinge samenhang bezien, zijn aan te merken als bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan eiseres blijvend op Nederland zou zijn aangewezen. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd, heeft verweerder onvoldoende kunnen achten voor een ander standpunt. De beroepsgrond slaagt niet.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Rechtbank Den Haag
    • Voortgezet verblijf
    • Hoorplicht
    • IND-werkinstructie
    • Nader gehoor
    • Voortgezet verblijf
    • Nederlands

Pagina's