• Raad van State
  • Aangifte
Resultaten 1 - 2 van totaal 2 resultaten
  1. Language Dutch 46 reads States Council (Dutch) Zowel staatssecretaris als de vreemdeling gaan in beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris heeft zowel de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel als een verblijfsvergunning regulier ...

    Zowel staatssecretaris als de vreemdeling gaan in beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris heeft zowel de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel als een verblijfsvergunning regulier afgewezen. De staatssecretaris oordeelde dat haar asielrelaas een positieve overtuigingskracht mist. De Raad van State gaat hierin mee. Met betrekking tot de verblijfsvergunning regulier oordeelt de Raad van State:'Het betoog van de vreemdeling dat de staatssecretaris ten onrechte heeft geweigerd haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'vervolging van mensenhandel' te verlenen, kan niet worden gevolgd. Nu de vreemdeling geen aangifte heeft gedaan, voldoet zij reeds daarom niet aan de in paragraaf B9/2 van de Vc 2000 gestelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor verlening van deze verblijfsvergunning.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Verblijfsrecht
    • Asielprocedure
    • Medische omstandigheden
    • Positieve overtuigingskracht
    • Aangifte
    • B8/3
    • Psychologisch onderzoek
    • Nederlands
  2. Language Dutch 47 reads States Council (Dutch) De Raad van State oordeelt: 'Uit de op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt niet dat de vreemdeling tijdens de bewaring eerder dan op 18 december 2012 is gewezen op de mogelijkheid van het doen van ...

    De Raad van State oordeelt:'Uit de op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt niet dat de vreemdeling tijdens de bewaring eerder dan op 18 december 2012 is gewezen op de mogelijkheid van het doen van aangifte dan wel het op andere wijze medewerken aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar mensenhandel. Aangezien de staatssecretaris niet heeft betwist dat de KMar reeds op 5 december 2012 de bedoeling had de vreemdeling te horen en in de gelegenheid te stellen aangifte van mensenhandel te doen, valt zonder nadere toelichting niet in te zien waarom dit eerst op 18 december 2012 kon plaatsvinden. Uit vorenbedoelde stukken blijkt voorts evenmin dat tijdens de bewaring, in aanvulling op de enkele reeds voordien in dat opzicht verrichte handelingen, nog nadere handelingen zijn verricht ter verwezenlijking van de met die maatregel beoogde uitzetting van de vreemdeling.Onder de hiervoor weergegeven omstandigheden heeft de staatssecretaris niet de ter voorkoming van een onevenredig lange voortduring van de bewaring vereiste mate van voortvarendheid aan de dag gelegd. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geen aanleiding gezien een voortvarendheidsgebrek aan te nemen. De bewaring is van meet af aan onrechtmatig.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • B8/3
    • Aangifte
    • Vreemdelingendetentie/vreemdelingenbewaring
    • Nederlands