• Raad van State
  • Mensenhandel
Resultaten 1 - 6 van totaal 6 resultaten
  1. Taal Nederlands Raad van State De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond. Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de V ...

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond.Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen. Bij uitspraak van 14 januari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.Volgens paragraaf A3/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals ten tijde van belang luidend en voor zover thans van belang, dient een vreemdeling aan te tonen dat in het land van herkomst geen gezins- of familieleden zijn die in staat moeten worden geacht de medisch noodzakelijke mantelzorg te verlenen. De mantelzorg moet een essentieel onderdeel zijn van de medische behandeling.De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris ten onrechte zonder nadere motivering is voorbijgegaan aan de stelling van de vreemdeling dat van haar niet kan worden gevergd om voor mantelzorg een beroep te doen op haar in Albanië aanwezige familieleden, nu de onwil van de vreemdeling in verband lijkt te staan met de aard van haar stoornis en wordt onderbouwd door gebeurtenissen uit haar verleden en de brief van 30 juli 2015 van haar sociaal psychiatrisch verpleegkundige. In dit verband heeft de rechtbank erop gewezen dat de vreemdeling heeft gesteld in het verleden door haar stiefvader seksueel te zijn misbruikt en mishandeld en door haar moeder in de prostitutie te zijn geraakt en dat zij meent dat haar familie - in elk geval deels - de oorzaak is van haar psychische stoornissen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat in de brief van 30 juli 2015 wordt bevestigd dat de vreemdeling geen vertrouwen heeft in haar moeder en zus en is aangegeven dat dit een contra-indicatie is voor het verlenen van geslaagde mantelzorg.De Raad van State overweegt het volgende:De vreemdeling heeft met ingang van 28 september 2000 tot 28 september 2003 beschikt over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking slachtoffer-aangever van mensenhandel. De door de rechtbank genoemde door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen uit haar verleden zijn kennelijk afkomstig uit het proces-verbaal (nummer 2000044925-2) van de aangifte mensenhandel. Uit het dossier blijkt dat de aangifte niet tot een arrestatie of veroordeling heeft geleid en het beklag als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering over het stopzetten van het strafrechtelijk onderzoek, ongegrond is verklaard. De staatssecretaris heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het verkrijgen van voormelde verblijfsvergunning niet betekent dat die verklaringen van de vreemdeling daarmee vaststaan en gestaafd zijn (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4301).Daargelaten dat de brief van 30 juli 2015 niet is opgesteld door een arts, doet deze aan het vorenstaande niet af reeds omdat de sociaal psychiatrisch verpleegkundige daarin beroepshalve is uitgegaan van de juistheid van de verklaringen van de vreemdeling over haar verleden. Voorts heeft de vreemdeling, mede gezien voormeld beleid, niet aannemelijk gemaakt dat de in de brief van 30 juli 2015 genoemde wantrouwende houding van de vreemdeling tegenover haar moeder en zus, in de weg staat aan het verlenen van de mantelzorg zoals weergeven onder 4.1. De staatssecretaris heeft zich derhalve in het besluit terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling in dit kader geen concrete stukken heeft overgelegd. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het besluit ten onrechte heeft vernietigd en verklaart het hoger beroep gegrond. 

    Jurisprudentie

    • Jurisprudentie
    • Raad van State
    • Medische omstandigheden
    • Mensenhandel
    • Uitzetting
    • Vreemdelingenrecht
    • Nederlands
  2. Taal Nederlands Raad van State De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond. Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de V ...

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond.Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen. Bij uitspraak van 14 januari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.Volgens paragraaf A3/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals ten tijde van belang luidend en voor zover thans van belang, dient een vreemdeling aan te tonen dat in het land van herkomst geen gezins- of familieleden zijn die in staat moeten worden geacht de medisch noodzakelijke mantelzorg te verlenen. De mantelzorg moet een essentieel onderdeel zijn van de medische behandeling.De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris ten onrechte zonder nadere motivering is voorbijgegaan aan de stelling van de vreemdeling dat van haar niet kan worden gevergd om voor mantelzorg een beroep te doen op haar in Albanië aanwezige familieleden, nu de onwil van de vreemdeling in verband lijkt te staan met de aard van haar stoornis en wordt onderbouwd door gebeurtenissen uit haar verleden en de brief van 30 juli 2015 van haar sociaal psychiatrisch verpleegkundige. In dit verband heeft de rechtbank erop gewezen dat de vreemdeling heeft gesteld in het verleden door haar stiefvader seksueel te zijn misbruikt en mishandeld en door haar moeder in de prostitutie te zijn geraakt en dat zij meent dat haar familie - in elk geval deels - de oorzaak is van haar psychische stoornissen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat in de brief van 30 juli 2015 wordt bevestigd dat de vreemdeling geen vertrouwen heeft in haar moeder en zus en is aangegeven dat dit een contra-indicatie is voor het verlenen van geslaagde mantelzorg.De Raad van State overweegt het volgende:De vreemdeling heeft met ingang van 28 september 2000 tot 28 september 2003 beschikt over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking slachtoffer-aangever van mensenhandel. De door de rechtbank genoemde door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen uit haar verleden zijn kennelijk afkomstig uit het proces-verbaal (nummer 2000044925-2) van de aangifte mensenhandel. Uit het dossier blijkt dat de aangifte niet tot een arrestatie of veroordeling heeft geleid en het beklag als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering over het stopzetten van het strafrechtelijk onderzoek, ongegrond is verklaard. De staatssecretaris heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het verkrijgen van voormelde verblijfsvergunning niet betekent dat die verklaringen van de vreemdeling daarmee vaststaan en gestaafd zijn (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4301).Daargelaten dat de brief van 30 juli 2015 niet is opgesteld door een arts, doet deze aan het vorenstaande niet af reeds omdat de sociaal psychiatrisch verpleegkundige daarin beroepshalve is uitgegaan van de juistheid van de verklaringen van de vreemdeling over haar verleden. Voorts heeft de vreemdeling, mede gezien voormeld beleid, niet aannemelijk gemaakt dat de in de brief van 30 juli 2015 genoemde wantrouwende houding van de vreemdeling tegenover haar moeder en zus, in de weg staat aan het verlenen van de mantelzorg zoals weergeven onder 4.1. De staatssecretaris heeft zich derhalve in het besluit terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling in dit kader geen concrete stukken heeft overgelegd. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het besluit ten onrechte heeft vernietigd en verklaart het hoger beroep gegrond. 

    Jurisprudentie

    • Jurisprudentie
    • Raad van State
    • Medische omstandigheden
    • Mensenhandel
    • Uitzetting
    • Vreemdelingenrecht
    • Nederlands
  3. Taal Nederlands Raad van State De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond. Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de V ...

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond.Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen. Bij uitspraak van 14 januari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.Volgens paragraaf A3/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals ten tijde van belang luidend en voor zover thans van belang, dient een vreemdeling aan te tonen dat in het land van herkomst geen gezins- of familieleden zijn die in staat moeten worden geacht de medisch noodzakelijke mantelzorg te verlenen. De mantelzorg moet een essentieel onderdeel zijn van de medische behandeling.De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris ten onrechte zonder nadere motivering is voorbijgegaan aan de stelling van de vreemdeling dat van haar niet kan worden gevergd om voor mantelzorg een beroep te doen op haar in Albanië aanwezige familieleden, nu de onwil van de vreemdeling in verband lijkt te staan met de aard van haar stoornis en wordt onderbouwd door gebeurtenissen uit haar verleden en de brief van 30 juli 2015 van haar sociaal psychiatrisch verpleegkundige. In dit verband heeft de rechtbank erop gewezen dat de vreemdeling heeft gesteld in het verleden door haar stiefvader seksueel te zijn misbruikt en mishandeld en door haar moeder in de prostitutie te zijn geraakt en dat zij meent dat haar familie - in elk geval deels - de oorzaak is van haar psychische stoornissen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat in de brief van 30 juli 2015 wordt bevestigd dat de vreemdeling geen vertrouwen heeft in haar moeder en zus en is aangegeven dat dit een contra-indicatie is voor het verlenen van geslaagde mantelzorg.De Raad van State overweegt het volgende:De vreemdeling heeft met ingang van 28 september 2000 tot 28 september 2003 beschikt over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking slachtoffer-aangever van mensenhandel. De door de rechtbank genoemde door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen uit haar verleden zijn kennelijk afkomstig uit het proces-verbaal (nummer 2000044925-2) van de aangifte mensenhandel. Uit het dossier blijkt dat de aangifte niet tot een arrestatie of veroordeling heeft geleid en het beklag als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering over het stopzetten van het strafrechtelijk onderzoek, ongegrond is verklaard. De staatssecretaris heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het verkrijgen van voormelde verblijfsvergunning niet betekent dat die verklaringen van de vreemdeling daarmee vaststaan en gestaafd zijn (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4301).Daargelaten dat de brief van 30 juli 2015 niet is opgesteld door een arts, doet deze aan het vorenstaande niet af reeds omdat de sociaal psychiatrisch verpleegkundige daarin beroepshalve is uitgegaan van de juistheid van de verklaringen van de vreemdeling over haar verleden. Voorts heeft de vreemdeling, mede gezien voormeld beleid, niet aannemelijk gemaakt dat de in de brief van 30 juli 2015 genoemde wantrouwende houding van de vreemdeling tegenover haar moeder en zus, in de weg staat aan het verlenen van de mantelzorg zoals weergeven onder 4.1. De staatssecretaris heeft zich derhalve in het besluit terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling in dit kader geen concrete stukken heeft overgelegd. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het besluit ten onrechte heeft vernietigd en verklaart het hoger beroep gegrond. 

    Jurisprudentie

    • Jurisprudentie
    • Raad van State
    • Medische omstandigheden
    • Mensenhandel
    • Uitzetting
    • Vreemdelingenrecht
    • Nederlands
  4. Taal Nederlands Raad van State De Raad van State heeft op 2 december 2015 het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard. De vreemdeling komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De Raad v ...

    De Raad van State heeft op 2 december 2015 het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard. De vreemdeling komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De Raad van State oordeelt als volgt.“Nu, gelet op het onder 2.5. overwogene, de vreemdeling haar relaas over de gestelde mensenhandel niet aannemelijk heeft gemaakt, kan zij reeds daarom niet op grond van paragraaf B9/12 van de Vc 2000 in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd krachtens artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder k, van het Vb 2000. Hetgeen zij in beroep overigens heeft aangevoerd met betrekking tot bijzondere individuele omstandigheden die haars inziens meebrengen dat van haar niet kan worden gevergd dat zij Nederland verlaat, behoeft in dit verband geen bespreking (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2014 in zaak nr. 201404330/1/V1).” 

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Verblijfsrecht
    • Mensenhandel
    • Vreemdeling
    • Angst bij PTSS
    • PTSS
    • Verblijfsvergunning regulier
    • Nederlands
  5. Taal Nederlands Raad van State Het door de staatssecretaris ingesteld hoger beroep is gegrond verklaard. De staatssecretaris heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor vrijstel ...

    Het door de staatssecretaris ingesteld hoger beroep is gegrond verklaard. De staatssecretaris heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. De Afdeling oordeelt als volgt.“Gelet op het voorgaande klaagt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich onvoldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat hij aan de vreemdeling heeft kunnen tegenwerpen dat hij zijn nationaliteit en identiteit en slachtofferschap van mensenhandel niet aannemelijk heeft gemaakt. Gelet daarop heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste.”

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Artikel 8 EVRM
    • Verblijfsrecht
    • Hardheidsclausule
    • Mensenhandel
    • Vreemdeling
    • Art. 8 EVRM
    • Nederlands
  6. 67 reads States Council (Dutch) Language Dutch ''In het besluit van 11 oktober 2013 heeft dat de staatssecretaris zich naar aanleiding van de verklaringen van de vreemdeling tijdens de hoorzitting op het standpunt gesteld dat niet is gebleken da ...

    ''In het besluit van 11 oktober 2013 heeft dat de staatssecretaris zich naar aanleiding van de verklaringen van de vreemdeling tijdens de hoorzitting op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de vreemdeling zich niet elders in Sierra Leone kan vestigen. De staatssecretaris heeft met betrekking tot de stelling van de vreemdeling, dat de mensenhandelaar er meteen van op de hoogte is als hij terugkeert omdat de mensenhandelaar veel mensen in Sierra Leone kent, opgemerkt dat dit slechts een vermoeden is. Uit de gestelde omstandigheid dat de mensenhandelaar veel mensen in Sierra Leone kent, volgt niet op voorhand dat de vreemdeling zich niet elders in Sierra Leone kan vestigen, aldus de staatssecretaris. Met de verklaring van de vreemdeling dat hij het liefst wil terugkeren naar zijn moeder, heeft de vreemdeling volgens de staatssecretaris evenmin aannemelijk gemaakt dat vestiging elders in Sierra Leone niet mogelijk is, nu dit hem er ook niet van heeft weerhouden zich in Nederland te vestigen. Tevens kan de vreemdeling zich volgens de staatssecretaris bij terugkeer wenden tot de Internationale Organisatie voor Migratie, om via lokale hulporganisaties terugkeer en herintegratie te laten faciliteren.''Het hoger beroep wordt gegrond verklaard. 

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nederland
    • Raad van State
    • Voortgezet verblijf
    • Hoger beroep
    • Mensenhandel
    • Terugkeer
    • Herintegratie
    • Nederlands