• Raad van State
  • Artikel 8 EVRM
Resultaten 1 - 4 van totaal 4 resultaten
  1. 104 reads States Council (Dutch) Language Dutch Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Uit de weergegeven passages van het ambtsbericht volgt dat een grote meerderheid van de vrouwen in Nigeria niet wordt besneden, dat het percentage vrouwen dat wordt bes ...

    Het hoger beroep is kennelijk gegrond.Uit de weergegeven passages van het ambtsbericht volgt dat een grote meerderheid van de vrouwen in Nigeria niet wordt besneden, dat het percentage vrouwen dat wordt besneden in de stedelijke gebieden afneemt en dat in enkele grote steden opvangmogelijkheden door ngo's worden geboden aan vrouwen die zich willen onttrekken aan besnijdenis. Onder verwijzing naar het ambtsbericht en voormelde uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2011 heeft de staatssecretaris zich in het besluit terecht op het standpunt gesteld dat, voor zover de vreemdeling betoogt dat binnen haar etnische bevolkingsgroep meisjes worden besneden, zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen opvang kan verkrijgen in een stad buiten haar herkomstgebied in Nigeria om haar dochter aan het risico van besnijdenis te onttrekken. Tevens heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat uit het ambtsbericht volgt dat NAPTIP over opvangmogelijkheden voor slachtoffers vanmensenhandel beschikt waar de vreemdelingen terecht kunnen. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar twee kinderen door NAPTIP niet zullen worden toegelaten tot de opvang. Het door de vreemdelingen aangevoerde Trafficking in Persons Report van het U.S. Department of State van 19 juni 2012 leidt niet tot een ander oordeel nu daaruit volgt dat de overheid van Nigeria zich inzet om te voldoen aan de minimumnormen voor de strijd tegen mensenhandel en dat NAPTIP weliswaar ondersteuning van de regering nodig heeft, maar opvang en bescherming biedt aan slachtoffers van mensenhandel. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde opvangproblemen geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die met zich brengen dat van de vreemdelingen niet gevergd kan worden dat zij Nederland verlaten.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nigeria
    • Raad van State
    • Voortgezet verblijf
    • Artikel 8 EVRM
    • Artikel 8 EVRM
    • Vestigingsalternatief
    • Voortgezet verblijf
    • Vrouwenbesnijdenis/Vrouwelijke genitale verminking
    • Besnijdenis
    • Nederlands
  2. 121 reads States Council (Dutch) Language Dutch De Raad van State overweegt: ' Voor zover de vreemdeling in beroep heeft betoogd dat zij zich bij terugkeer in Nigeria niet staande kan houden mede gelet op de zorg voor haar twee minderjarige kinderen ...

    De Raad van State overweegt:'Voor zover de vreemdeling in beroep heeft betoogd dat zij zich bij terugkeer in Nigeria niet staande kan houden mede gelet op de zorg voor haar twee minderjarige kinderen en de maatschappelijke positie van vrouwen in dat land, faalt dat betoog. De staatssecretaris heeft zich, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2014 in zaak nr. 201300723/1/V3, onder verwijzing naar het ambtsbericht en het ambtsbericht inzake Nigeria van 5 april 2011 in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zij een beroep kan doen op NAPTIP, de Internationale Organisatie voor Migratie en de Stichting Maatwerk bij Terugkeer, die haar kunnen helpen bij de sociale en maatschappelijke herintegratie in haar land van herkomst.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nigeria
    • Raad van State
    • Voortgezet verblijf
    • Artikel 8 EVRM
    • Artikel 8 EVRM
    • Vrouwenbesnijdenis/Vrouwelijke genitale verminking
    • Besnijdenis
    • Nederlands
  3. Language Dutch 96 reads States Council (Dutch) Hoger beroep staatssecretaris tegen uitspraak van 27 maart 2012 (nr. 11/25344). Aanvraag vreemdelingen vbt-r in het kader van verruimde gezinshereniging voor verblijf bij meerderjarig kind afgewezen, b.o.b. o ...

    Hoger beroep staatssecretaris tegen uitspraak van 27 maart 2012 (nr. 11/25344). Aanvraag vreemdelingen vbt-r in het kader van verruimde gezinshereniging voor verblijf bij meerderjarig kind afgewezen, b.o.b. ongegrond, beroep gegrond.Meerderjarige dochter is slachtoffer van mensenhandel. De vreemdelingen hebben in aanvullend beroepschrift aangevoerd dat niet in te zien is waarom de aanvraag voor verblijf bij hun dochter niet valt onder een artikel 3.4 derde lid Vb beperking, nu hun situatie raakvlakken heeft met verschillende beperkingen. Vreemdelingen vinden het dan ook niet begrijpelijk waarom de staatssecretaris vasthoudt aan de formalistische wijze van beperkingen.In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de brief die de vreemdelingen bij hun aanvraag hebben overlegd, afgeleid kon worden dat het een aanvraag vbt-r in het kader van verruimde gezinshereniging met hun meerderjarige dochter betrof, en de aanvraag derhalve volgens de rechtbank ten onrechte was beoordeeld in het kader van de beperking als in artikel 3.4 derde lid Vb. Volgens de staatssecretaris heeft de rb buiten het geschil om beslist, nu in beroep de vreemdelingen juist hebben bevestigd zij gevraagd hebben de aanvraag te beoordelen in het licht van de beperking van artikel 3.4 derde lid Vb.Afdeling overweegt als volgt. Rechtbank is buiten het geschil getreden, de grief slaagt. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de situatie van de vreemdelingen een verblijfsdoel als artikel 3.4 eerste lid Vb betreft. Bovendien hebben vreemdelingen niet aannemelijk gemaakt dat zij 'more than the normal emotional ties' (naar arrest EHRM Onur) hebben met hun 35 jarige dochter, een beroep op artikel 8 EVRM gaat derhalve niet op. Hoger beroep gegrond, beroep ongegrond.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Verblijf bij kind
    • Artikel 8 EVRM
    • Nederlands
  4. 74 reads States Council (Dutch) Language Dutch De Raad van State acht het hoger beroep kennelijk ongegrond. De rechtbank oordeelde: 'Uit de door eiseres overgelegde  documentatie en getuigenverklaringen kan niet worden opgemaakt of zij om een dergeli ...

    De Raad van State acht het hoger beroep kennelijk ongegrond. De rechtbank oordeelde:'Uit de door eiseres overgelegde documentatie en getuigenverklaringen kan niet worden opgemaakt of zij om een dergelijk aanvraagformulier heeft verzocht. Evenmin vult daaruit op te maken dat de Chinese autoriteiten hebben geweigerd haar een dergelijk aanvraagformulier ie verstrekken. Dat eiseres niet over een (kopie van een) paspoort of identiteitskaart beschikt of kan beschikken, is blijkens het bestreden besluit geen punt van geschil. Uit de door eiseres overgelegde informatie en getuigenverklaringen blijkt echter evenmin dat zij haar hukou-registratie heeft aangeboden teneinde de Chinese autoriteiten te bewegen het door haar gewenste onderzoek te verrichten. Ook blijkt uit het voorgaande niet dat de Chinese autoriteiten slechts bereid waren actie te ondernemen als eiseres een (kopie van) een identiteitsdocument zou overleggen. De stelling dat eiseres niet meer over een (kopie van) een Chinees paspoort of een identiteitskaart kan beschikken, noch haar hukou-registratie over zou kunnen leggen dan wel (op een daartoe bestemd aanvraagformulier) zou kunnen noteren, heeft verweerder er niet toe hoeven leiden het beroep van eiseres op artikel 3.72, artikel 3.102, derde lid, van het Vb 2000 en paragraaf B 1/4.2 van de Vc 2000 te honoreren.'  De rechtbank vindt dat er geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • China
    • Raad van State
    • Voortgezet verblijf
    • Artikel 8 EVRM
    • Paspoortvereiste
    • Represailles
    • Bijzondere individuele omstandigheden
    • Nederlands