Trefwoord

Organisatie

  • Raad van State
  • Jurisprudentie Nederland

Pagina's

Resultaten 1 - 10 van totaal 62 resultaten
  1. Taal Nederlands 1 Raad van State De Raad van State heeft op 13 maart 2019 uitspraak gedaan in vier zaken omtrent de aanvraag van schadevergoedingen bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven. In de uitspraken van de Raad van State wordt nadrukkel ...

    De Raad van State heeft op 13 maart 2019 uitspraak gedaan in vier zaken omtrent de aanvraag van schadevergoedingen bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven. In de uitspraken van de Raad van State wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan de rol van medisch steunbewijs voor slachtoffers van mensenhandel. Dit medisch steunbewijs kan worden aangeleverd in de vorm van verklaringen van medische behandelaren dan wel in de vorm van een rapport opgesteld door instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (een ‘iMMO-rapportage’). De vier aanvragers waren slachtoffers van mensenhandel en seksuele uitbuiting, wat ernstig geestelijk letsel als gevolg had. Zo had een van de slachtoffers te maken met PTSS-klachten en een depressieve stoornis. Ter ondersteuning van hun aanvraag hadden de slachtoffers verklaringen van hun medisch behandelaren bijgevoegd. In sommige gevallen werd er in een later stadium ook een iMMO-rapportage opgesteld.De Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees de aanvragen af. Volgens de CSG was er in deze zaken onvoldoende informatie om aannemelijk te achten dat de aanvragers slachtoffer van mensenhandel waren. Verder stelde het CSG dat er in sommige gevallen geen uitsluitsel kon worden gegeven over de oorzaken van het gediagnosticeerde trauma, aangezien de aanvragers zowel in Nederland als in het land van herkomst traumatische ervaringen hadden.De Raad van State oordeelde dat de aanvragen moeten worden toegekend. De Raad stelde dat de CSG deugdelijk dient te motiveren waarom de gestelde contra-indicaties zo zwaarwegend zijn, dat de bevindingen van de medische specialisten met ervaring met klachten van slachtoffers van mensenhandel geen rol zouden kunnen spelen in de aannemelijkheid van het gestelde misdrijf. Daarnaast maakt het volgens de Raad van State in deze zaken niet uit in welke mate het letsel is veroorzaakt door gebeurtenissen in Nederland dan wel in het land van herkomst van het slachtoffer.De uitspraken van de Raad van State in de vier zaken zijn hier te vinden:ECLI:NL:RVS:2019:781 https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@114303/201707029-1-a2/#highlight=mensenhandelECLI:NL:RVS:2019:784 https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@114308/201705715-1-a2/#highlight=mensenhandelECLI:NL:RVS:2019:785 https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@114309/201705834-1-a2/#highlight=mensenhandelECLI:NL:RVS:2019:786 https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@114310/201706989-1-a2/#highlight=mensenhandel

    Jurisprudentie

    • Jurisprudentie Nederland
    • Nederland
    • Raad van State
    • Steunbewijs
    • IMMO
    • Raad van State
    • Seksuele uitbuiting
    • Nederlands
  2. Taal Nederlands 1 Raad van State De Raad van State heeft op 27 januari 2016 het hoger beroep van exploitant ongegrond verklaard. De burgemeester heeft de verzochte exploitatievergunningen voor twee raambordelen terecht geweigerd aan exploita ...

    De Raad van State heeft op 27 januari 2016 het hoger beroep van exploitant ongegrond verklaard. De burgemeester heeft de verzochte exploitatievergunningen voor twee raambordelen terecht geweigerd aan exploitant.De Raad van State oordeelt als volgt: “De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat minder beperkende maatregelen bestaan waarmee het beoogde doel kan worden bereikt. Zij betrekt daarbij dat het gebruik maken van personen die vertalen, zoals door [appellant] voorgesteld, rekening houdend met de bijzonderheden van het betrokken type activiteit, het risico met zich brengt dat door de aanwezigheid van deze derden de beoogde signaalfunctie van het intakegesprek wordt beïnvloed. [..]De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de burgemeester de in de rapportage van 1 april 2011 omschreven bevindingen wat de verhuur van kamers betreft niet heeft mogen betrekken in zijn beoordeling van de aanvragen van [appellant]. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat hoewel een prostituee ook een kamer zou kunnen huren bij een andere exploitant, dit niet betekent dat deze maatregel in elk geval wat betreft de huur van kamers bij dezelfde exploitant, niet het beoogde effect zou kunnen ressorteren en daarmee illusoir is. Daar komt bij dat de burgemeester zich in dit verband tevens op het standpunt heeft mogen stellen dat ook dient te worden gewaakt voor uitbuiting door de exploitant in het kader van de verhuur van kamers. [..]Gelet op het voorgaande heeft de burgemeester zich, zoals de rechtbank heeft overwogen, op het standpunt mogen stellen dat [appellant] de bedrijfsadministratie, noodzakelijk voor het toezicht op de naleving van de voorschriften, niet heeft kunnen tonen. Dat de toezichthouders niettemin een deel van de administratie hebben kunnen controleren, vindt, gelet op hetgeen [appellant] blijkens de rapportage aan de toezichthouders heeft verklaard, geen grondslag in de rapportage van 24 juni 2011[..] Met de rechtbank is de Afdeling verder van oordeel dat de burgemeester deze gebeurtenissen mocht betrekken bij zijn beoordeling of hij voldoende aannemelijk acht dat de exploitant de in artikel 3.32 van de Apv neergelegde verplichtingen zal naleven, als bedoeld in artikel 3.30, tweede lid, van de Apv. De burgemeester heeft in dit verband gemotiveerd dat deze gebeurtenissen hem sterken in zijn standpunt dat de bedrijfsvoering van [appellant] geen zodanige waarborgen biedt dat aan de in artikel 3.32 van de Apv neergelegde verplichtingen wordt voldaan. De burgemeester heeft [appellant] in dit verband niet tegengeworpen dat hij betrokken is bij mensenhandel. [..]De rechtbank heeft voorts terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de burgemeester niet in redelijkheid de verzochte vergunningen heeft kunnen weigeren. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de burgemeester in redelijkheid het belang dat is gediend met de weigering van de verzochte vergunningen zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van [appellant] bij afgifte van die vergunningen. De burgemeester heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat [appellant] met de exploitatie van het prostitutiebedrijf aan de [locatie 3] alsnog in de gelegenheid is om aannemelijk te maken dat hij zijn bedrijfsvoering op orde heeft en kan houden en dat voldoende waarborgen bestaan dat de in de Apv neergelegde verplichtingen worden nageleefd, gegeven de kwetsbare positie waarin de prostituees zich bevinden.” 

    Jurisprudentie

    • Bestuursrecht
    • Nederland
    • Raad van State
    • Exploitant
    • Raamprostitutie
    • Taalvereiste
    • Exploitatievergunning
    • Nederlands
  3. Taal Nederlands Raad van State De Raad van State heeft op 2 december 2015 het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard. De vreemdeling komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De Raad v ...

    De Raad van State heeft op 2 december 2015 het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard. De vreemdeling komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De Raad van State oordeelt als volgt.“Nu, gelet op het onder 2.5. overwogene, de vreemdeling haar relaas over de gestelde mensenhandel niet aannemelijk heeft gemaakt, kan zij reeds daarom niet op grond van paragraaf B9/12 van de Vc 2000 in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd krachtens artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder k, van het Vb 2000. Hetgeen zij in beroep overigens heeft aangevoerd met betrekking tot bijzondere individuele omstandigheden die haars inziens meebrengen dat van haar niet kan worden gevergd dat zij Nederland verlaat, behoeft in dit verband geen bespreking (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2014 in zaak nr. 201404330/1/V1).” 

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Verblijfsrecht
    • Mensenhandel
    • Vreemdeling
    • Angst bij PTSS
    • PTSS
    • Verblijfsvergunning regulier
    • Nederlands
  4. Taal Nederlands Raad van State Het door de staatssecretaris ingesteld hoger beroep is gegrond verklaard. De staatssecretaris heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor vrijstel ...

    Het door de staatssecretaris ingesteld hoger beroep is gegrond verklaard. De staatssecretaris heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. De Afdeling oordeelt als volgt.“Gelet op het voorgaande klaagt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich onvoldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat hij aan de vreemdeling heeft kunnen tegenwerpen dat hij zijn nationaliteit en identiteit en slachtofferschap van mensenhandel niet aannemelijk heeft gemaakt. Gelet daarop heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste.”

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Artikel 8 EVRM
    • Verblijfsrecht
    • Hardheidsclausule
    • Mensenhandel
    • Vreemdeling
    • Art. 8 EVRM
    • Nederlands
  5. Language Dutch 55 reads States Council (Dutch) Het verzoek om Nederlanderschap is afgewezen. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris, in afwijking van de Handleiding, aan verzoeker het Nederlanderschap had moeten verlenen. De Af ...

    Het verzoek om Nederlanderschap is afgewezen. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris, in afwijking van de Handleiding, aan verzoeker het Nederlanderschap had moeten verlenen. De Afdeling overweegt als volgt: ‘Bij de toepassing van het beleid bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN, kunnen zich omstandigheden voordoen op grond waarvan slechts tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen indien van dat beleid wordt afgeweken. Een dergelijke omstandigheid doet zich voor indien de periode tussen het gepleegde strafbare feit en de tenuitvoerlegging van de opgelegde sanctie bijzonder lang is en aannemelijk is dat de late tenuitvoerlegging is te wijten aan nalaten van de justitiële autoriteiten. De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat voormelde omstandigheid zich in dit geval voordoet. Daartoe wordt ten eerste in aanmerking genomen dat het tijdsverloop tussen het door [verzoeker] gepleegde strafbare feit en het verzoek van [verzoeker] in 2008 om haar straf in Nederland te ondergaan (hierna: het overnameverzoek), aan [verzoeker] is te wijten. Zij heeft er immers voor gekozen om, in plaats van de haar opgelegde straf in Roemenië te ondergaan, naar Nederland te reizen, hetgeen tot dit tijdsverloop heeft geleid. Hierbij is van belang dat uit hetgeen [verzoeker] ter zitting van de rechtbank heeft verklaard, volgt dat zij in ieder geval sinds eind 2004 op de hoogte was van haar strafrechtelijke veroordeling. Gelet hierop betoogt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank ten onrechte betekenis heeft toegekend aan de gestelde bereidheid van [verzoeker] om de haar opgelegde straf in Nederland te ondergaan. Ten tweede wordt in aanmerking genomen dat, daargelaten of het tijdsverloop tussen het overnameverzoek en de tenuitvoerlegging van de aan [verzoeker] opgelegde straf bijzonder lang is, [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit tijdsverloop is te wijten aan nalaten van de Nederlandse justitiële autoriteiten. In dit verband is van belang dat de officier van justitie kort na indiening van het overnameverzoek bij brief van 22 januari 2009 aan [verzoeker] heeft meegedeeld dat hij in onderhandeling zou treden met de Roemeense autoriteiten. Dat dergelijke onderhandelingen noodzakelijk waren is aannemelijk, nu de Roemeense autoriteiten de tenuitvoerlegging van de aan [verzoeker] opgelegde straf zelf ter hand wilden nemen en om die reden om uitlevering van [verzoeker] hadden verzocht. [verzoeker] heeft niet gemotiveerd het standpunt van de staatssecretaris bestreden dat de officier van justitie hierbij voortvarend heeft gehandeld.’  

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nederland
    • Raad van State
    • Nederlanderschap
    • Nederlands
  6. 67 reads States Council (Dutch) Language Dutch ''In het besluit van 11 oktober 2013 heeft dat de staatssecretaris zich naar aanleiding van de verklaringen van de vreemdeling tijdens de hoorzitting op het standpunt gesteld dat niet is gebleken da ...

    ''In het besluit van 11 oktober 2013 heeft dat de staatssecretaris zich naar aanleiding van de verklaringen van de vreemdeling tijdens de hoorzitting op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de vreemdeling zich niet elders in Sierra Leone kan vestigen. De staatssecretaris heeft met betrekking tot de stelling van de vreemdeling, dat de mensenhandelaar er meteen van op de hoogte is als hij terugkeert omdat de mensenhandelaar veel mensen in Sierra Leone kent, opgemerkt dat dit slechts een vermoeden is. Uit de gestelde omstandigheid dat de mensenhandelaar veel mensen in Sierra Leone kent, volgt niet op voorhand dat de vreemdeling zich niet elders in Sierra Leone kan vestigen, aldus de staatssecretaris. Met de verklaring van de vreemdeling dat hij het liefst wil terugkeren naar zijn moeder, heeft de vreemdeling volgens de staatssecretaris evenmin aannemelijk gemaakt dat vestiging elders in Sierra Leone niet mogelijk is, nu dit hem er ook niet van heeft weerhouden zich in Nederland te vestigen. Tevens kan de vreemdeling zich volgens de staatssecretaris bij terugkeer wenden tot de Internationale Organisatie voor Migratie, om via lokale hulporganisaties terugkeer en herintegratie te laten faciliteren.''Het hoger beroep wordt gegrond verklaard. 

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nederland
    • Raad van State
    • Voortgezet verblijf
    • Hoger beroep
    • Mensenhandel
    • Terugkeer
    • Herintegratie
    • Nederlands
  7. 80 reads States Council (Dutch) Language Dutch De Raad van State vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie: 'De vreemdelingen hebben in de bestuurlijke fase aangevoerd dat zi ...

    De Raad van State vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie:'De vreemdelingen hebben in de bestuurlijke fase aangevoerd dat zij geen aangifte hebben gedaan van mensenhandel, omdat dit voor hen gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos is. Zij hebben daartoe gewezen op het thematisch ambtsbericht mensenhandel inzake Albanië van de minister van Buitenlandse Zaken van mei 2007, dat vermeldt dat, wanneer slachtoffers van mensenhandelmedewerking verlenen aan een strafrechtelijk onderzoek, represailles vrijwel altijd verwacht kunnen worden indien de desbetreffende criminele organisatie niet in haar geheel onschadelijk is gemaakt. Ook hebben de vreemdelingen aangevoerd dat het doen van aangifte om culturele redenen geen reële optie is. Zij hebben daartoe verwezen naar voormeld ambtsbericht, waarin staat dat een vrouw die bekend komt te staan als prostituee, in het minst erge geval geen normaal sociaal leven op kan bouwen, waarbij er enkele gevallen bekend zijn van teruggekeerde slachtoffers van mensenhandel die door hun eigen familieleden zijn vermoord in een poging de geschonden familie-eer te zuiveren. Voorts hebben zij erop gewezen dat in het rapport van het US Department of State 'Trafficking in Persons Report 2013' inzake Albanië staat dat de Albanese overheid de pogingen om mensenhandel tegen te gaan gedurende de verslagperiode heeft verminderd en dat het aantal verdachten dat door de Albanese autoriteiten werd onderzocht, vervolgd en schuldig bevonden, ten opzichte van de vorige verslagperiode is afgenomen. Ook hebben de vreemdelingen erop gewezen dat in dit rapport staat dat de Albanese autoriteiten slachtoffers van mensenhandel nog steeds behandelen als verdachten van prostitutie en dat slachtoffers daarvoor soms ook zijn veroordeeld. De staatssecretaris is in het besluit van 14 maart 2014 niet op deze informatie ingegaan en heeft zich beperkt tot de vaststelling dat de vreemdelingen geen enkele poging hebben ondernomen om de bescherming van de Albanese autoriteiten in te roepen. Voorts heeft hij zich niet uitgelaten over de vraag hoe de informatie uit voormeld rapport van het US Department of State zich verhoudt met de informatie uit voormeld ambtsbericht.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Albanië
    • Raad van State
    • Asiel
    • Vrees voor vervolging
    • Represailles
    • Nederlands
  8. 69 reads States Council (Dutch) Language Dutch 'Over het onderscheid tussen vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend en vreemdelingen die een procedure voor vergunningverlening in het kader van mensenhandel hebben doorlopen, heeft de rech ...

    'Over het onderscheid tussen vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend en vreemdelingen die een procedure voor vergunningverlening in het kader van mensenhandel hebben doorlopen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de procedure voor vergunningverlening in het kader van mensenhandel op zichzelf, daargelaten eventuele vervolgprocedures, kort en snel van aard is. Vergunningverlening is in dat geval gekoppeld aan aangifte van mensenhandel en de bijbehorende strafrechtelijke procedure, waarbij opvang niet in asielzoekerscentra geschiedt. Als de aangifte niet leidt tot vervolging, wordt het verblijf bovendien beëindigd. Bedoelde procedure kent derhalve een specifiek karakter en is toegesneden op een bijzondere categorie vreemdelingen, zodat ook de positie van vreemdelingen die die procedure hebben doorlopen niet vergelijkbaar is met die van vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend. Dat, zoals de vreemdelingen betogen, de Staat ook bijzondere internationale verplichtingen heeft ten aanzien van vreemdelingen die vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel zijn geworden maar geen asielaanvraag hebben ingediend, kan gelet op het voorgaande aan voormeld verschil niet afdoen, hetgeen de rechtbank heeft onderkend.'Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nederland
    • Raad van State
    • Kinderpardon
    • Overgangsregeling
    • Kinderpardon
    • Nederlands
  9. Language Dutch 74 reads States Council (Dutch) De Raad van State overweegt: 'De staatssecretaris voert terecht aan dat hij deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden geen aanleiding heeft gezien de du ...

    De Raad van State overweegt:'De staatssecretaris voert terecht aan dat hij deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden geen aanleiding heeft gezien de duur van het inreisverbod te verkorten. De staatssecretaris heeft in het besluit een afweging gemaakt tussen het belang van de bescherming van de openbare orde en de door de vreemdeling aangevoerde individuele belangen. De staatssecretaris heeft groot gewicht toegekend aan de aard van de door de vreemdeling gepleegde geweldsdelicten waarvoor hij op voormelde wijze is veroordeeld. Verder heeft de staatssecretaris bij zijn afweging betrokken dat de door de vreemdeling gedane aangifte in het kader van mensenhandel is geseponeerd en zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking als genoemd in hoofdstuk B9 (oud) van de Vreemdelingencirculaire 2000 is ingetrokken met ingang van 1 december 2010, alsmede dat niet is gebleken dat de vreemdeling heeft te vrezen voor represailles. Voorts heeft de staatssecretaris bij zijn afweging betrokken dat, nu de vreemdeling stelt sinds 2003 in Nederland te verblijven, hij het belangrijkste vormende deel van zijn leven in China heeft doorgebracht en gelet daarop zijn wortels buiten Nederland liggen. Wat betreft het beroep van de vreemdeling op het recht op eerbiediging van het gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende is aangetoond dat sprake is van gezinsleven tussen de vreemdeling en zijn gestelde vriendin en haar kinderen, nu onduidelijkheid bestaat over de duur van de relatie tussen de vreemdeling en zijn gestelde vriendin en niet is gebleken dat de vreemdeling op hetzelfde adres staat ingeschreven als zijn gestelde vriendin en haar kinderen. Voorts is volgens de staatssecretaris niet aangetoond dat de vreemdeling een financiële bijdrage levert aan het gezin en zijn evenmin stukken overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van een feitelijke invulling van het gezinsleven. Verder maakt de omstandigheid dat de vreemdeling, naar hij stelt, hoger beroep heeft ingesteld tegen zijn strafrechtelijke veroordeling van 22 november 2011 het vorenstaande niet anders. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2014 in zaak nr. 201308944/1/V1 stelt de Vreemdelingenwet 2000 noch het Vb 2000 de onherroepelijkheid van de veroordeling als voorwaarde. De grief slaagt.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Inreisverbod
    • Nederlands
  10. Language Dutch 73 reads States Council (Dutch) In het bedrijfsplan van exploitant is omschreven dat bij het intakegesprek de prostituee zich verstaanbaar moet kunnen maken in een voor de exploitant begrijpelijke taal. De burgemeester weigert exploitatieve ...

    In het bedrijfsplan van exploitant is omschreven dat bij het intakegesprek de prostituee zich verstaanbaar moet kunnen maken in een voor de exploitant begrijpelijke taal. De burgemeester weigert exploitatievergunningen af te geven omdat uit rapportages blijk dat de exploitant kamers heeft verhuurd aan prostituees die zich niet verstaanbaar konden maken. De exploitant voert aan dat dit hem ten onrechte wordt tegengeworpen omdat het strijdig is met artikel 10 van de Dienstenrichtlijn. Daardoor wordt hij belemmerd in de verhuur van kamers aan prostituees. De Raad van State ziet hierin aanleiding om prejudiciële vragen te stellen. De laatste vraag luidt:'Voor zover de dienstverrichter een beroep toekomt op de bepalingen in Hoofdstuk III van de richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB 2006, L 376/36), verzet artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van deze richtlijn zich tegen een maatregel als thans in geding, waarbij het een exploitant van raamprostitutiebedrijven slechts is toegestaan kamers in dagdelen te verhuren aan prostituees die zich aan de exploitant verstaanbaar kunnen maken in een voor hem begrijpelijke taal?'

    Jurisprudentie

    • Bestuursrecht
    • Raad van State
    • Prostitutie
    • Prostitutie
    • Prejudiciële vragen
    • Nederlands

Pagina's