Trefwoord

Organisatie

  • Raad van State
  • Vreemdelingenrecht

Pagina's

Resultaten 1 - 10 van totaal 56 resultaten
  1. Taal Nederlands Raad van State De Raad van State heeft op 2 december 2015 het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard. De vreemdeling komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De Raad v ...

    De Raad van State heeft op 2 december 2015 het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard. De vreemdeling komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De Raad van State oordeelt als volgt.“Nu, gelet op het onder 2.5. overwogene, de vreemdeling haar relaas over de gestelde mensenhandel niet aannemelijk heeft gemaakt, kan zij reeds daarom niet op grond van paragraaf B9/12 van de Vc 2000 in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd krachtens artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder k, van het Vb 2000. Hetgeen zij in beroep overigens heeft aangevoerd met betrekking tot bijzondere individuele omstandigheden die haars inziens meebrengen dat van haar niet kan worden gevergd dat zij Nederland verlaat, behoeft in dit verband geen bespreking (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2014 in zaak nr. 201404330/1/V1).” 

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Verblijfsrecht
    • Mensenhandel
    • Vreemdeling
    • Angst bij PTSS
    • PTSS
    • Verblijfsvergunning regulier
    • Nederlands
  2. Taal Nederlands Raad van State Het door de staatssecretaris ingesteld hoger beroep is gegrond verklaard. De staatssecretaris heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor vrijstel ...

    Het door de staatssecretaris ingesteld hoger beroep is gegrond verklaard. De staatssecretaris heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. De Afdeling oordeelt als volgt.“Gelet op het voorgaande klaagt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich onvoldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat hij aan de vreemdeling heeft kunnen tegenwerpen dat hij zijn nationaliteit en identiteit en slachtofferschap van mensenhandel niet aannemelijk heeft gemaakt. Gelet daarop heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste.”

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Artikel 8 EVRM
    • Verblijfsrecht
    • Hardheidsclausule
    • Mensenhandel
    • Vreemdeling
    • Art. 8 EVRM
    • Nederlands
  3. Language Dutch 55 reads States Council (Dutch) Het verzoek om Nederlanderschap is afgewezen. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris, in afwijking van de Handleiding, aan verzoeker het Nederlanderschap had moeten verlenen. De Af ...

    Het verzoek om Nederlanderschap is afgewezen. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris, in afwijking van de Handleiding, aan verzoeker het Nederlanderschap had moeten verlenen. De Afdeling overweegt als volgt: ‘Bij de toepassing van het beleid bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN, kunnen zich omstandigheden voordoen op grond waarvan slechts tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen indien van dat beleid wordt afgeweken. Een dergelijke omstandigheid doet zich voor indien de periode tussen het gepleegde strafbare feit en de tenuitvoerlegging van de opgelegde sanctie bijzonder lang is en aannemelijk is dat de late tenuitvoerlegging is te wijten aan nalaten van de justitiële autoriteiten. De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat voormelde omstandigheid zich in dit geval voordoet. Daartoe wordt ten eerste in aanmerking genomen dat het tijdsverloop tussen het door [verzoeker] gepleegde strafbare feit en het verzoek van [verzoeker] in 2008 om haar straf in Nederland te ondergaan (hierna: het overnameverzoek), aan [verzoeker] is te wijten. Zij heeft er immers voor gekozen om, in plaats van de haar opgelegde straf in Roemenië te ondergaan, naar Nederland te reizen, hetgeen tot dit tijdsverloop heeft geleid. Hierbij is van belang dat uit hetgeen [verzoeker] ter zitting van de rechtbank heeft verklaard, volgt dat zij in ieder geval sinds eind 2004 op de hoogte was van haar strafrechtelijke veroordeling. Gelet hierop betoogt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank ten onrechte betekenis heeft toegekend aan de gestelde bereidheid van [verzoeker] om de haar opgelegde straf in Nederland te ondergaan. Ten tweede wordt in aanmerking genomen dat, daargelaten of het tijdsverloop tussen het overnameverzoek en de tenuitvoerlegging van de aan [verzoeker] opgelegde straf bijzonder lang is, [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit tijdsverloop is te wijten aan nalaten van de Nederlandse justitiële autoriteiten. In dit verband is van belang dat de officier van justitie kort na indiening van het overnameverzoek bij brief van 22 januari 2009 aan [verzoeker] heeft meegedeeld dat hij in onderhandeling zou treden met de Roemeense autoriteiten. Dat dergelijke onderhandelingen noodzakelijk waren is aannemelijk, nu de Roemeense autoriteiten de tenuitvoerlegging van de aan [verzoeker] opgelegde straf zelf ter hand wilden nemen en om die reden om uitlevering van [verzoeker] hadden verzocht. [verzoeker] heeft niet gemotiveerd het standpunt van de staatssecretaris bestreden dat de officier van justitie hierbij voortvarend heeft gehandeld.’  

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nederland
    • Raad van State
    • Nederlanderschap
    • Nederlands
  4. 67 reads States Council (Dutch) Language Dutch ''In het besluit van 11 oktober 2013 heeft dat de staatssecretaris zich naar aanleiding van de verklaringen van de vreemdeling tijdens de hoorzitting op het standpunt gesteld dat niet is gebleken da ...

    ''In het besluit van 11 oktober 2013 heeft dat de staatssecretaris zich naar aanleiding van de verklaringen van de vreemdeling tijdens de hoorzitting op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de vreemdeling zich niet elders in Sierra Leone kan vestigen. De staatssecretaris heeft met betrekking tot de stelling van de vreemdeling, dat de mensenhandelaar er meteen van op de hoogte is als hij terugkeert omdat de mensenhandelaar veel mensen in Sierra Leone kent, opgemerkt dat dit slechts een vermoeden is. Uit de gestelde omstandigheid dat de mensenhandelaar veel mensen in Sierra Leone kent, volgt niet op voorhand dat de vreemdeling zich niet elders in Sierra Leone kan vestigen, aldus de staatssecretaris. Met de verklaring van de vreemdeling dat hij het liefst wil terugkeren naar zijn moeder, heeft de vreemdeling volgens de staatssecretaris evenmin aannemelijk gemaakt dat vestiging elders in Sierra Leone niet mogelijk is, nu dit hem er ook niet van heeft weerhouden zich in Nederland te vestigen. Tevens kan de vreemdeling zich volgens de staatssecretaris bij terugkeer wenden tot de Internationale Organisatie voor Migratie, om via lokale hulporganisaties terugkeer en herintegratie te laten faciliteren.''Het hoger beroep wordt gegrond verklaard. 

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nederland
    • Raad van State
    • Voortgezet verblijf
    • Hoger beroep
    • Mensenhandel
    • Terugkeer
    • Herintegratie
    • Nederlands
  5. 80 reads States Council (Dutch) Language Dutch De Raad van State vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie: 'De vreemdelingen hebben in de bestuurlijke fase aangevoerd dat zi ...

    De Raad van State vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie:'De vreemdelingen hebben in de bestuurlijke fase aangevoerd dat zij geen aangifte hebben gedaan van mensenhandel, omdat dit voor hen gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos is. Zij hebben daartoe gewezen op het thematisch ambtsbericht mensenhandel inzake Albanië van de minister van Buitenlandse Zaken van mei 2007, dat vermeldt dat, wanneer slachtoffers van mensenhandelmedewerking verlenen aan een strafrechtelijk onderzoek, represailles vrijwel altijd verwacht kunnen worden indien de desbetreffende criminele organisatie niet in haar geheel onschadelijk is gemaakt. Ook hebben de vreemdelingen aangevoerd dat het doen van aangifte om culturele redenen geen reële optie is. Zij hebben daartoe verwezen naar voormeld ambtsbericht, waarin staat dat een vrouw die bekend komt te staan als prostituee, in het minst erge geval geen normaal sociaal leven op kan bouwen, waarbij er enkele gevallen bekend zijn van teruggekeerde slachtoffers van mensenhandel die door hun eigen familieleden zijn vermoord in een poging de geschonden familie-eer te zuiveren. Voorts hebben zij erop gewezen dat in het rapport van het US Department of State 'Trafficking in Persons Report 2013' inzake Albanië staat dat de Albanese overheid de pogingen om mensenhandel tegen te gaan gedurende de verslagperiode heeft verminderd en dat het aantal verdachten dat door de Albanese autoriteiten werd onderzocht, vervolgd en schuldig bevonden, ten opzichte van de vorige verslagperiode is afgenomen. Ook hebben de vreemdelingen erop gewezen dat in dit rapport staat dat de Albanese autoriteiten slachtoffers van mensenhandel nog steeds behandelen als verdachten van prostitutie en dat slachtoffers daarvoor soms ook zijn veroordeeld. De staatssecretaris is in het besluit van 14 maart 2014 niet op deze informatie ingegaan en heeft zich beperkt tot de vaststelling dat de vreemdelingen geen enkele poging hebben ondernomen om de bescherming van de Albanese autoriteiten in te roepen. Voorts heeft hij zich niet uitgelaten over de vraag hoe de informatie uit voormeld rapport van het US Department of State zich verhoudt met de informatie uit voormeld ambtsbericht.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Albanië
    • Raad van State
    • Asiel
    • Vrees voor vervolging
    • Represailles
    • Nederlands
  6. 69 reads States Council (Dutch) Language Dutch 'Over het onderscheid tussen vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend en vreemdelingen die een procedure voor vergunningverlening in het kader van mensenhandel hebben doorlopen, heeft de rech ...

    'Over het onderscheid tussen vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend en vreemdelingen die een procedure voor vergunningverlening in het kader van mensenhandel hebben doorlopen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de procedure voor vergunningverlening in het kader van mensenhandel op zichzelf, daargelaten eventuele vervolgprocedures, kort en snel van aard is. Vergunningverlening is in dat geval gekoppeld aan aangifte van mensenhandel en de bijbehorende strafrechtelijke procedure, waarbij opvang niet in asielzoekerscentra geschiedt. Als de aangifte niet leidt tot vervolging, wordt het verblijf bovendien beëindigd. Bedoelde procedure kent derhalve een specifiek karakter en is toegesneden op een bijzondere categorie vreemdelingen, zodat ook de positie van vreemdelingen die die procedure hebben doorlopen niet vergelijkbaar is met die van vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend. Dat, zoals de vreemdelingen betogen, de Staat ook bijzondere internationale verplichtingen heeft ten aanzien van vreemdelingen die vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel zijn geworden maar geen asielaanvraag hebben ingediend, kan gelet op het voorgaande aan voormeld verschil niet afdoen, hetgeen de rechtbank heeft onderkend.'Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nederland
    • Raad van State
    • Kinderpardon
    • Overgangsregeling
    • Kinderpardon
    • Nederlands
  7. Language Dutch 74 reads States Council (Dutch) De Raad van State overweegt: 'De staatssecretaris voert terecht aan dat hij deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden geen aanleiding heeft gezien de du ...

    De Raad van State overweegt:'De staatssecretaris voert terecht aan dat hij deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden geen aanleiding heeft gezien de duur van het inreisverbod te verkorten. De staatssecretaris heeft in het besluit een afweging gemaakt tussen het belang van de bescherming van de openbare orde en de door de vreemdeling aangevoerde individuele belangen. De staatssecretaris heeft groot gewicht toegekend aan de aard van de door de vreemdeling gepleegde geweldsdelicten waarvoor hij op voormelde wijze is veroordeeld. Verder heeft de staatssecretaris bij zijn afweging betrokken dat de door de vreemdeling gedane aangifte in het kader van mensenhandel is geseponeerd en zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking als genoemd in hoofdstuk B9 (oud) van de Vreemdelingencirculaire 2000 is ingetrokken met ingang van 1 december 2010, alsmede dat niet is gebleken dat de vreemdeling heeft te vrezen voor represailles. Voorts heeft de staatssecretaris bij zijn afweging betrokken dat, nu de vreemdeling stelt sinds 2003 in Nederland te verblijven, hij het belangrijkste vormende deel van zijn leven in China heeft doorgebracht en gelet daarop zijn wortels buiten Nederland liggen. Wat betreft het beroep van de vreemdeling op het recht op eerbiediging van het gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende is aangetoond dat sprake is van gezinsleven tussen de vreemdeling en zijn gestelde vriendin en haar kinderen, nu onduidelijkheid bestaat over de duur van de relatie tussen de vreemdeling en zijn gestelde vriendin en niet is gebleken dat de vreemdeling op hetzelfde adres staat ingeschreven als zijn gestelde vriendin en haar kinderen. Voorts is volgens de staatssecretaris niet aangetoond dat de vreemdeling een financiële bijdrage levert aan het gezin en zijn evenmin stukken overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van een feitelijke invulling van het gezinsleven. Verder maakt de omstandigheid dat de vreemdeling, naar hij stelt, hoger beroep heeft ingesteld tegen zijn strafrechtelijke veroordeling van 22 november 2011 het vorenstaande niet anders. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2014 in zaak nr. 201308944/1/V1 stelt de Vreemdelingenwet 2000 noch het Vb 2000 de onherroepelijkheid van de veroordeling als voorwaarde. De grief slaagt.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Inreisverbod
    • Nederlands
  8. 104 reads States Council (Dutch) Language Dutch Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Uit de weergegeven passages van het ambtsbericht volgt dat een grote meerderheid van de vrouwen in Nigeria niet wordt besneden, dat het percentage vrouwen dat wordt bes ...

    Het hoger beroep is kennelijk gegrond.Uit de weergegeven passages van het ambtsbericht volgt dat een grote meerderheid van de vrouwen in Nigeria niet wordt besneden, dat het percentage vrouwen dat wordt besneden in de stedelijke gebieden afneemt en dat in enkele grote steden opvangmogelijkheden door ngo's worden geboden aan vrouwen die zich willen onttrekken aan besnijdenis. Onder verwijzing naar het ambtsbericht en voormelde uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2011 heeft de staatssecretaris zich in het besluit terecht op het standpunt gesteld dat, voor zover de vreemdeling betoogt dat binnen haar etnische bevolkingsgroep meisjes worden besneden, zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen opvang kan verkrijgen in een stad buiten haar herkomstgebied in Nigeria om haar dochter aan het risico van besnijdenis te onttrekken. Tevens heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat uit het ambtsbericht volgt dat NAPTIP over opvangmogelijkheden voor slachtoffers vanmensenhandel beschikt waar de vreemdelingen terecht kunnen. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar twee kinderen door NAPTIP niet zullen worden toegelaten tot de opvang. Het door de vreemdelingen aangevoerde Trafficking in Persons Report van het U.S. Department of State van 19 juni 2012 leidt niet tot een ander oordeel nu daaruit volgt dat de overheid van Nigeria zich inzet om te voldoen aan de minimumnormen voor de strijd tegen mensenhandel en dat NAPTIP weliswaar ondersteuning van de regering nodig heeft, maar opvang en bescherming biedt aan slachtoffers van mensenhandel. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde opvangproblemen geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die met zich brengen dat van de vreemdelingen niet gevergd kan worden dat zij Nederland verlaten.

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nigeria
    • Raad van State
    • Voortgezet verblijf
    • Artikel 8 EVRM
    • Artikel 8 EVRM
    • Vestigingsalternatief
    • Voortgezet verblijf
    • Vrouwenbesnijdenis/Vrouwelijke genitale verminking
    • Besnijdenis
    • Nederlands
  9. Language Dutch 78 reads States Council (Dutch) De rechtbank overweegt: 'De rechtbank is evenzeer terecht ervan uitgegaan dat ten tijde van de uitvaardiging van het inreisverbod, toen de vreemdeling niet langer legaal in Nederland verbleef, de Terugke ...

    De rechtbank overweegt:'De rechtbank is evenzeer terecht ervan uitgegaan dat ten tijde van de uitvaardiging van het inreisverbod, toen de vreemdeling niet langer legaal in Nederland verbleef, de Terugkeerrichtlijn op haar van toepassing was. Hoewel niet in geschil is dat de vreemdeling op dat moment geen bedreiging vormde voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid als bedoeld in artikel 11, derde lid, tweede alinea, van de Terugkeerrichtlijn en derhalve aan die voorwaarde was voldaan, heeft de rechtbank niet onderkend dat uit het bepaalde in dat artikelonderdeel volgt dat de in het daarin omschreven geval geldende verplichting geen inreisverbod uit te vaardigen niet van toepassing is, indien de desbetreffende vreemdeling niet aan de terugkeerverplichting heeft voldaan. Vaststaat dat de vreemdeling ten tijde van de uitvaardiging van het inreisverbod geen gevolg had gegeven aan de haar laatstelijk in het besluit van 23 april 2013 opgelegde terugkeerverplichting. De staatssecretaris heeft gelet op het bepaalde in artikel 11, derde lid, tweede alinea, gelezen in verbinding met artikel 11, eerste lid, eerste alinea, aanhef en onder b, van de Terugkeerrichtlijn reeds om die reden terecht op 4 juni 2013 een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Artikel 6.5, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 behelst geen onjuiste omzetting daarvan.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Terugkeerrichtlijn
    • Inreisverbod
    • Terugkeer
    • Nederlands
  10. 103 reads States Council (Dutch) Language Dutch Hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard: ' Gelet op hetgeen de vreemdeling in dit verband heeft aangevoerd, heeft de staatssecretaris de omstandigheid dat de vreemdeling de zorg hee ...

    Hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard:'Gelet op hetgeen de vreemdeling in dit verband heeft aangevoerd, heeft de staatssecretaris de omstandigheid dat de vreemdeling de zorg heeft voor haar in Nederland geboren zoon, met de vaststelling dat het thans goed gaat met diens gezondheid, voldoende kenbaar in de besluitvorming betrokken. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat het besluit in zoverre ondeugdelijk is gemotiveerd.'en:'De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris geen besluit op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar mocht nemen, zonder voorafgaand medisch advies van het BMA in te winnen.'Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard:'Gelet op de hiervoor in 7.1 weergegeven motivering en de grote mate van beoordelingsvrijheid die artikel 3.52 van het Vb 2000 de staatssecretaris biedt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door de vreemdeling aangevoerde individuele omstandigheden niet dusdanig bijzonder zijn dat van haar niet kan worden gevergd dat zij Nederland verlaat. De verwijzing naar voormeld rapport van BLinN ten aanzien van de door NAPTIP geboden bescherming, leidt niet tot een ander oordeel. De staatssecretaris heeft zijn standpunt dat de vreemdeling zich voor bescherming tot NAPTIP kan wenden op het ambtsbericht gebaseerd, dat van na voormeld rapport dateert, en de vreemdeling heeft haar stelling dat de in dat rapport geschetste situatie recent niet is verbeterd, niet met bewijsstukken gestaafd. De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank van 21 december 2012 leidt evenmin tot een ander oordeel, nu de Afdeling het door de staatssecretaris tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep bij uitspraak van 13 maart 2014 (in zaak nr. 201300723/1/V3) gegrond heeft verklaard, die uitspraak heeft vernietigd en het door de desbetreffende vreemdeling ingestelde beroep ongegrond heeft verklaard. Ook de stelling van de vreemdeling dat uit voormeld rapport van BLinN volgt dat in de opvanglocaties van NAPTIP weinig psychosociale ondersteuning is, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat zij hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij van NAPTIP geen psychosociale ondersteuning zal krijgen.'

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nigeria
    • Raad van State
    • Voortgezet verblijf
    • BMA-advies
    • In Nederland geboren kind
    • Medisch advies
    • Represailles
    • Nederlands

Pagina's