• Raad van State
  • 2016
Resultaten 1 - 5 van totaal 5 resultaten
  1. Taal Nederlands Raad van State De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond. Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de V ...

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond.Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen. Bij uitspraak van 14 januari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.Volgens paragraaf A3/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals ten tijde van belang luidend en voor zover thans van belang, dient een vreemdeling aan te tonen dat in het land van herkomst geen gezins- of familieleden zijn die in staat moeten worden geacht de medisch noodzakelijke mantelzorg te verlenen. De mantelzorg moet een essentieel onderdeel zijn van de medische behandeling.De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris ten onrechte zonder nadere motivering is voorbijgegaan aan de stelling van de vreemdeling dat van haar niet kan worden gevergd om voor mantelzorg een beroep te doen op haar in Albanië aanwezige familieleden, nu de onwil van de vreemdeling in verband lijkt te staan met de aard van haar stoornis en wordt onderbouwd door gebeurtenissen uit haar verleden en de brief van 30 juli 2015 van haar sociaal psychiatrisch verpleegkundige. In dit verband heeft de rechtbank erop gewezen dat de vreemdeling heeft gesteld in het verleden door haar stiefvader seksueel te zijn misbruikt en mishandeld en door haar moeder in de prostitutie te zijn geraakt en dat zij meent dat haar familie - in elk geval deels - de oorzaak is van haar psychische stoornissen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat in de brief van 30 juli 2015 wordt bevestigd dat de vreemdeling geen vertrouwen heeft in haar moeder en zus en is aangegeven dat dit een contra-indicatie is voor het verlenen van geslaagde mantelzorg.De Raad van State overweegt het volgende:De vreemdeling heeft met ingang van 28 september 2000 tot 28 september 2003 beschikt over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking slachtoffer-aangever van mensenhandel. De door de rechtbank genoemde door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen uit haar verleden zijn kennelijk afkomstig uit het proces-verbaal (nummer 2000044925-2) van de aangifte mensenhandel. Uit het dossier blijkt dat de aangifte niet tot een arrestatie of veroordeling heeft geleid en het beklag als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering over het stopzetten van het strafrechtelijk onderzoek, ongegrond is verklaard. De staatssecretaris heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het verkrijgen van voormelde verblijfsvergunning niet betekent dat die verklaringen van de vreemdeling daarmee vaststaan en gestaafd zijn (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4301).Daargelaten dat de brief van 30 juli 2015 niet is opgesteld door een arts, doet deze aan het vorenstaande niet af reeds omdat de sociaal psychiatrisch verpleegkundige daarin beroepshalve is uitgegaan van de juistheid van de verklaringen van de vreemdeling over haar verleden. Voorts heeft de vreemdeling, mede gezien voormeld beleid, niet aannemelijk gemaakt dat de in de brief van 30 juli 2015 genoemde wantrouwende houding van de vreemdeling tegenover haar moeder en zus, in de weg staat aan het verlenen van de mantelzorg zoals weergeven onder 4.1. De staatssecretaris heeft zich derhalve in het besluit terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling in dit kader geen concrete stukken heeft overgelegd. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het besluit ten onrechte heeft vernietigd en verklaart het hoger beroep gegrond. 

    Jurisprudentie

    • Jurisprudentie
    • Raad van State
    • Medische omstandigheden
    • Mensenhandel
    • Uitzetting
    • Vreemdelingenrecht
    • Nederlands
  2. Taal Nederlands Raad van State De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond. Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de V ...

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond.Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen. Bij uitspraak van 14 januari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.Volgens paragraaf A3/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals ten tijde van belang luidend en voor zover thans van belang, dient een vreemdeling aan te tonen dat in het land van herkomst geen gezins- of familieleden zijn die in staat moeten worden geacht de medisch noodzakelijke mantelzorg te verlenen. De mantelzorg moet een essentieel onderdeel zijn van de medische behandeling.De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris ten onrechte zonder nadere motivering is voorbijgegaan aan de stelling van de vreemdeling dat van haar niet kan worden gevergd om voor mantelzorg een beroep te doen op haar in Albanië aanwezige familieleden, nu de onwil van de vreemdeling in verband lijkt te staan met de aard van haar stoornis en wordt onderbouwd door gebeurtenissen uit haar verleden en de brief van 30 juli 2015 van haar sociaal psychiatrisch verpleegkundige. In dit verband heeft de rechtbank erop gewezen dat de vreemdeling heeft gesteld in het verleden door haar stiefvader seksueel te zijn misbruikt en mishandeld en door haar moeder in de prostitutie te zijn geraakt en dat zij meent dat haar familie - in elk geval deels - de oorzaak is van haar psychische stoornissen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat in de brief van 30 juli 2015 wordt bevestigd dat de vreemdeling geen vertrouwen heeft in haar moeder en zus en is aangegeven dat dit een contra-indicatie is voor het verlenen van geslaagde mantelzorg.De Raad van State overweegt het volgende:De vreemdeling heeft met ingang van 28 september 2000 tot 28 september 2003 beschikt over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking slachtoffer-aangever van mensenhandel. De door de rechtbank genoemde door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen uit haar verleden zijn kennelijk afkomstig uit het proces-verbaal (nummer 2000044925-2) van de aangifte mensenhandel. Uit het dossier blijkt dat de aangifte niet tot een arrestatie of veroordeling heeft geleid en het beklag als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering over het stopzetten van het strafrechtelijk onderzoek, ongegrond is verklaard. De staatssecretaris heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het verkrijgen van voormelde verblijfsvergunning niet betekent dat die verklaringen van de vreemdeling daarmee vaststaan en gestaafd zijn (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4301).Daargelaten dat de brief van 30 juli 2015 niet is opgesteld door een arts, doet deze aan het vorenstaande niet af reeds omdat de sociaal psychiatrisch verpleegkundige daarin beroepshalve is uitgegaan van de juistheid van de verklaringen van de vreemdeling over haar verleden. Voorts heeft de vreemdeling, mede gezien voormeld beleid, niet aannemelijk gemaakt dat de in de brief van 30 juli 2015 genoemde wantrouwende houding van de vreemdeling tegenover haar moeder en zus, in de weg staat aan het verlenen van de mantelzorg zoals weergeven onder 4.1. De staatssecretaris heeft zich derhalve in het besluit terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling in dit kader geen concrete stukken heeft overgelegd. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het besluit ten onrechte heeft vernietigd en verklaart het hoger beroep gegrond. 

    Jurisprudentie

    • Jurisprudentie
    • Raad van State
    • Medische omstandigheden
    • Mensenhandel
    • Uitzetting
    • Vreemdelingenrecht
    • Nederlands
  3. Taal Nederlands Raad van State De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond. Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de V ...

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond.Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen. Bij uitspraak van 14 januari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.Volgens paragraaf A3/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals ten tijde van belang luidend en voor zover thans van belang, dient een vreemdeling aan te tonen dat in het land van herkomst geen gezins- of familieleden zijn die in staat moeten worden geacht de medisch noodzakelijke mantelzorg te verlenen. De mantelzorg moet een essentieel onderdeel zijn van de medische behandeling.De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris ten onrechte zonder nadere motivering is voorbijgegaan aan de stelling van de vreemdeling dat van haar niet kan worden gevergd om voor mantelzorg een beroep te doen op haar in Albanië aanwezige familieleden, nu de onwil van de vreemdeling in verband lijkt te staan met de aard van haar stoornis en wordt onderbouwd door gebeurtenissen uit haar verleden en de brief van 30 juli 2015 van haar sociaal psychiatrisch verpleegkundige. In dit verband heeft de rechtbank erop gewezen dat de vreemdeling heeft gesteld in het verleden door haar stiefvader seksueel te zijn misbruikt en mishandeld en door haar moeder in de prostitutie te zijn geraakt en dat zij meent dat haar familie - in elk geval deels - de oorzaak is van haar psychische stoornissen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat in de brief van 30 juli 2015 wordt bevestigd dat de vreemdeling geen vertrouwen heeft in haar moeder en zus en is aangegeven dat dit een contra-indicatie is voor het verlenen van geslaagde mantelzorg.De Raad van State overweegt het volgende:De vreemdeling heeft met ingang van 28 september 2000 tot 28 september 2003 beschikt over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking slachtoffer-aangever van mensenhandel. De door de rechtbank genoemde door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen uit haar verleden zijn kennelijk afkomstig uit het proces-verbaal (nummer 2000044925-2) van de aangifte mensenhandel. Uit het dossier blijkt dat de aangifte niet tot een arrestatie of veroordeling heeft geleid en het beklag als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering over het stopzetten van het strafrechtelijk onderzoek, ongegrond is verklaard. De staatssecretaris heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het verkrijgen van voormelde verblijfsvergunning niet betekent dat die verklaringen van de vreemdeling daarmee vaststaan en gestaafd zijn (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4301).Daargelaten dat de brief van 30 juli 2015 niet is opgesteld door een arts, doet deze aan het vorenstaande niet af reeds omdat de sociaal psychiatrisch verpleegkundige daarin beroepshalve is uitgegaan van de juistheid van de verklaringen van de vreemdeling over haar verleden. Voorts heeft de vreemdeling, mede gezien voormeld beleid, niet aannemelijk gemaakt dat de in de brief van 30 juli 2015 genoemde wantrouwende houding van de vreemdeling tegenover haar moeder en zus, in de weg staat aan het verlenen van de mantelzorg zoals weergeven onder 4.1. De staatssecretaris heeft zich derhalve in het besluit terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling in dit kader geen concrete stukken heeft overgelegd. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het besluit ten onrechte heeft vernietigd en verklaart het hoger beroep gegrond. 

    Jurisprudentie

    • Jurisprudentie
    • Raad van State
    • Medische omstandigheden
    • Mensenhandel
    • Uitzetting
    • Vreemdelingenrecht
    • Nederlands
  4. Taal Nederlands Raad van State De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt de aangevallen uitspraak en overweegt daarbij het volgende: Bij besluit van 4 juli 2014 heeft de burgemeester van Den Haag de sluiting bevolen va ...

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt de aangevallen uitspraak en overweegt daarbij het volgende:Bij besluit van 4 juli 2014 heeft de burgemeester van Den Haag de sluiting bevolen van de door [appellante] geëxploiteerde massagesalon voor de duur van zes maanden.De burgemeester heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 4 juli 2014 ten grondslag gelegd dat er in de gemeente Den Haag sinds enige jaren een enorme toename is van het aantal Chinese massagesalons en er signalen zijn dat in deze branche illegale prostitutie plaatsvindt. Dit leidt onder meer tot mensenhandel en uitbuiting van en gedwongen prostitutie door masseuses. In de gemeente Den Haag wordt met het oog hierop een streng gereguleerd prostitutiebeleid gevoerd, aldus de burgemeester. Hij heeft de massagesalon voor de duur van zes maanden gesloten, omdat aannemelijk is dat in de salon seksuele diensten tegen betaling worden verleend en derhalve feitelijk illegaal een seksinrichting wordt geëxploiteerd.De Raad van State overweegt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de burgemeester op grond van de in het in bezwaar gehandhaafde besluit van 4 juli 2014 vermelde feiten en omstandigheden terecht aannemelijk heeft geacht dat [appellante] zonder de daartoe benodigde vergunning een seksinrichting in de zin van artikel 3:4, eerste lid, van de APV exploiteerde.Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 

    Jurisprudentie

    • Jurisprudentie
    • Raad van State
    • Bestuurlijke handhaving
    • Massagesalon
    • Bestuursrecht
    • Exploitatievergunning
    • Nederlands
  5. Taal Nederlands 1 Raad van State De Raad van State heeft op 27 januari 2016 het hoger beroep van exploitant ongegrond verklaard. De burgemeester heeft de verzochte exploitatievergunningen voor twee raambordelen terecht geweigerd aan exploita ...

    De Raad van State heeft op 27 januari 2016 het hoger beroep van exploitant ongegrond verklaard. De burgemeester heeft de verzochte exploitatievergunningen voor twee raambordelen terecht geweigerd aan exploitant.De Raad van State oordeelt als volgt: “De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat minder beperkende maatregelen bestaan waarmee het beoogde doel kan worden bereikt. Zij betrekt daarbij dat het gebruik maken van personen die vertalen, zoals door [appellant] voorgesteld, rekening houdend met de bijzonderheden van het betrokken type activiteit, het risico met zich brengt dat door de aanwezigheid van deze derden de beoogde signaalfunctie van het intakegesprek wordt beïnvloed. [..]De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de burgemeester de in de rapportage van 1 april 2011 omschreven bevindingen wat de verhuur van kamers betreft niet heeft mogen betrekken in zijn beoordeling van de aanvragen van [appellant]. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat hoewel een prostituee ook een kamer zou kunnen huren bij een andere exploitant, dit niet betekent dat deze maatregel in elk geval wat betreft de huur van kamers bij dezelfde exploitant, niet het beoogde effect zou kunnen ressorteren en daarmee illusoir is. Daar komt bij dat de burgemeester zich in dit verband tevens op het standpunt heeft mogen stellen dat ook dient te worden gewaakt voor uitbuiting door de exploitant in het kader van de verhuur van kamers. [..]Gelet op het voorgaande heeft de burgemeester zich, zoals de rechtbank heeft overwogen, op het standpunt mogen stellen dat [appellant] de bedrijfsadministratie, noodzakelijk voor het toezicht op de naleving van de voorschriften, niet heeft kunnen tonen. Dat de toezichthouders niettemin een deel van de administratie hebben kunnen controleren, vindt, gelet op hetgeen [appellant] blijkens de rapportage aan de toezichthouders heeft verklaard, geen grondslag in de rapportage van 24 juni 2011[..] Met de rechtbank is de Afdeling verder van oordeel dat de burgemeester deze gebeurtenissen mocht betrekken bij zijn beoordeling of hij voldoende aannemelijk acht dat de exploitant de in artikel 3.32 van de Apv neergelegde verplichtingen zal naleven, als bedoeld in artikel 3.30, tweede lid, van de Apv. De burgemeester heeft in dit verband gemotiveerd dat deze gebeurtenissen hem sterken in zijn standpunt dat de bedrijfsvoering van [appellant] geen zodanige waarborgen biedt dat aan de in artikel 3.32 van de Apv neergelegde verplichtingen wordt voldaan. De burgemeester heeft [appellant] in dit verband niet tegengeworpen dat hij betrokken is bij mensenhandel. [..]De rechtbank heeft voorts terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de burgemeester niet in redelijkheid de verzochte vergunningen heeft kunnen weigeren. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de burgemeester in redelijkheid het belang dat is gediend met de weigering van de verzochte vergunningen zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van [appellant] bij afgifte van die vergunningen. De burgemeester heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat [appellant] met de exploitatie van het prostitutiebedrijf aan de [locatie 3] alsnog in de gelegenheid is om aannemelijk te maken dat hij zijn bedrijfsvoering op orde heeft en kan houden en dat voldoende waarborgen bestaan dat de in de Apv neergelegde verplichtingen worden nageleefd, gegeven de kwetsbare positie waarin de prostituees zich bevinden.” 

    Jurisprudentie

    • Bestuursrecht
    • Nederland
    • Raad van State
    • Exploitant
    • Raamprostitutie
    • Taalvereiste
    • Exploitatievergunning
    • Nederlands