Trefwoord

Organisatie

  • Raad van State

Pagina's

Resultaten 1 - 10 van totaal 70 resultaten
  1. Taal Nederlands 1 Raad van State De Raad van State heeft op 13 maart 2019 uitspraak gedaan in vier zaken omtrent de aanvraag van schadevergoedingen bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven. In de uitspraken van de Raad van State wordt nadrukkel ...

    De Raad van State heeft op 13 maart 2019 uitspraak gedaan in vier zaken omtrent de aanvraag van schadevergoedingen bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven. In de uitspraken van de Raad van State wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan de rol van medisch steunbewijs voor slachtoffers van mensenhandel. Dit medisch steunbewijs kan worden aangeleverd in de vorm van verklaringen van medische behandelaren dan wel in de vorm van een rapport opgesteld door instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (een ‘iMMO-rapportage’). De vier aanvragers waren slachtoffers van mensenhandel en seksuele uitbuiting, wat ernstig geestelijk letsel als gevolg had. Zo had een van de slachtoffers te maken met PTSS-klachten en een depressieve stoornis. Ter ondersteuning van hun aanvraag hadden de slachtoffers verklaringen van hun medisch behandelaren bijgevoegd. In sommige gevallen werd er in een later stadium ook een iMMO-rapportage opgesteld.De Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees de aanvragen af. Volgens de CSG was er in deze zaken onvoldoende informatie om aannemelijk te achten dat de aanvragers slachtoffer van mensenhandel waren. Verder stelde het CSG dat er in sommige gevallen geen uitsluitsel kon worden gegeven over de oorzaken van het gediagnosticeerde trauma, aangezien de aanvragers zowel in Nederland als in het land van herkomst traumatische ervaringen hadden.De Raad van State oordeelde dat de aanvragen moeten worden toegekend. De Raad stelde dat de CSG deugdelijk dient te motiveren waarom de gestelde contra-indicaties zo zwaarwegend zijn, dat de bevindingen van de medische specialisten met ervaring met klachten van slachtoffers van mensenhandel geen rol zouden kunnen spelen in de aannemelijkheid van het gestelde misdrijf. Daarnaast maakt het volgens de Raad van State in deze zaken niet uit in welke mate het letsel is veroorzaakt door gebeurtenissen in Nederland dan wel in het land van herkomst van het slachtoffer.De uitspraken van de Raad van State in de vier zaken zijn hier te vinden:ECLI:NL:RVS:2019:781 https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@114303/201707029-1-a2/#highlight=mensenhandelECLI:NL:RVS:2019:784 https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@114308/201705715-1-a2/#highlight=mensenhandelECLI:NL:RVS:2019:785 https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@114309/201705834-1-a2/#highlight=mensenhandelECLI:NL:RVS:2019:786 https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@114310/201706989-1-a2/#highlight=mensenhandel

    Jurisprudentie

    • Jurisprudentie Nederland
    • Nederland
    • Raad van State
    • Steunbewijs
    • IMMO
    • Raad van State
    • Seksuele uitbuiting
    • Nederlands
  2. Raad van State Taal Nederlands Op 19 december 2016 heeft de Afdeling advisering van de Raad van State een voorstel ingediend hoe de rijkswet kan worden veranderd. Dit voorstel gaat om de goedkeuring van het Protocol bij het Verdrag betreffe ...

    Op 19 december 2016 heeft de Afdeling advisering van de Raad van State een voorstel ingediend hoe de rijkswet kan worden veranderd. Dit voorstel gaat om de goedkeuring van het Protocol bij het Verdrag betreffende de gedwongen of verplichte arbeid. De Raad van State vindt onder andere dat de memorie van toelichting aangepast dient te worden. 

    Wetgeving

    • Staatscourant
    • Nederland
    • Raad van State
    • Arbeidsuitbuiting
    • Arbeidsuitbuiting
    • Wetgeving
    • Nederlands
  3. Taal Nederlands Raad van State De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond. Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de V ...

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond.Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen. Bij uitspraak van 14 januari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.Volgens paragraaf A3/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals ten tijde van belang luidend en voor zover thans van belang, dient een vreemdeling aan te tonen dat in het land van herkomst geen gezins- of familieleden zijn die in staat moeten worden geacht de medisch noodzakelijke mantelzorg te verlenen. De mantelzorg moet een essentieel onderdeel zijn van de medische behandeling.De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris ten onrechte zonder nadere motivering is voorbijgegaan aan de stelling van de vreemdeling dat van haar niet kan worden gevergd om voor mantelzorg een beroep te doen op haar in Albanië aanwezige familieleden, nu de onwil van de vreemdeling in verband lijkt te staan met de aard van haar stoornis en wordt onderbouwd door gebeurtenissen uit haar verleden en de brief van 30 juli 2015 van haar sociaal psychiatrisch verpleegkundige. In dit verband heeft de rechtbank erop gewezen dat de vreemdeling heeft gesteld in het verleden door haar stiefvader seksueel te zijn misbruikt en mishandeld en door haar moeder in de prostitutie te zijn geraakt en dat zij meent dat haar familie - in elk geval deels - de oorzaak is van haar psychische stoornissen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat in de brief van 30 juli 2015 wordt bevestigd dat de vreemdeling geen vertrouwen heeft in haar moeder en zus en is aangegeven dat dit een contra-indicatie is voor het verlenen van geslaagde mantelzorg.De Raad van State overweegt het volgende:De vreemdeling heeft met ingang van 28 september 2000 tot 28 september 2003 beschikt over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking slachtoffer-aangever van mensenhandel. De door de rechtbank genoemde door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen uit haar verleden zijn kennelijk afkomstig uit het proces-verbaal (nummer 2000044925-2) van de aangifte mensenhandel. Uit het dossier blijkt dat de aangifte niet tot een arrestatie of veroordeling heeft geleid en het beklag als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering over het stopzetten van het strafrechtelijk onderzoek, ongegrond is verklaard. De staatssecretaris heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het verkrijgen van voormelde verblijfsvergunning niet betekent dat die verklaringen van de vreemdeling daarmee vaststaan en gestaafd zijn (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4301).Daargelaten dat de brief van 30 juli 2015 niet is opgesteld door een arts, doet deze aan het vorenstaande niet af reeds omdat de sociaal psychiatrisch verpleegkundige daarin beroepshalve is uitgegaan van de juistheid van de verklaringen van de vreemdeling over haar verleden. Voorts heeft de vreemdeling, mede gezien voormeld beleid, niet aannemelijk gemaakt dat de in de brief van 30 juli 2015 genoemde wantrouwende houding van de vreemdeling tegenover haar moeder en zus, in de weg staat aan het verlenen van de mantelzorg zoals weergeven onder 4.1. De staatssecretaris heeft zich derhalve in het besluit terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling in dit kader geen concrete stukken heeft overgelegd. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het besluit ten onrechte heeft vernietigd en verklaart het hoger beroep gegrond. 

    Jurisprudentie

    • Jurisprudentie
    • Raad van State
    • Medische omstandigheden
    • Mensenhandel
    • Uitzetting
    • Vreemdelingenrecht
    • Nederlands
  4. Taal Nederlands Raad van State De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond. Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de V ...

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond.Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen. Bij uitspraak van 14 januari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.Volgens paragraaf A3/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals ten tijde van belang luidend en voor zover thans van belang, dient een vreemdeling aan te tonen dat in het land van herkomst geen gezins- of familieleden zijn die in staat moeten worden geacht de medisch noodzakelijke mantelzorg te verlenen. De mantelzorg moet een essentieel onderdeel zijn van de medische behandeling.De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris ten onrechte zonder nadere motivering is voorbijgegaan aan de stelling van de vreemdeling dat van haar niet kan worden gevergd om voor mantelzorg een beroep te doen op haar in Albanië aanwezige familieleden, nu de onwil van de vreemdeling in verband lijkt te staan met de aard van haar stoornis en wordt onderbouwd door gebeurtenissen uit haar verleden en de brief van 30 juli 2015 van haar sociaal psychiatrisch verpleegkundige. In dit verband heeft de rechtbank erop gewezen dat de vreemdeling heeft gesteld in het verleden door haar stiefvader seksueel te zijn misbruikt en mishandeld en door haar moeder in de prostitutie te zijn geraakt en dat zij meent dat haar familie - in elk geval deels - de oorzaak is van haar psychische stoornissen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat in de brief van 30 juli 2015 wordt bevestigd dat de vreemdeling geen vertrouwen heeft in haar moeder en zus en is aangegeven dat dit een contra-indicatie is voor het verlenen van geslaagde mantelzorg.De Raad van State overweegt het volgende:De vreemdeling heeft met ingang van 28 september 2000 tot 28 september 2003 beschikt over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking slachtoffer-aangever van mensenhandel. De door de rechtbank genoemde door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen uit haar verleden zijn kennelijk afkomstig uit het proces-verbaal (nummer 2000044925-2) van de aangifte mensenhandel. Uit het dossier blijkt dat de aangifte niet tot een arrestatie of veroordeling heeft geleid en het beklag als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering over het stopzetten van het strafrechtelijk onderzoek, ongegrond is verklaard. De staatssecretaris heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het verkrijgen van voormelde verblijfsvergunning niet betekent dat die verklaringen van de vreemdeling daarmee vaststaan en gestaafd zijn (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4301).Daargelaten dat de brief van 30 juli 2015 niet is opgesteld door een arts, doet deze aan het vorenstaande niet af reeds omdat de sociaal psychiatrisch verpleegkundige daarin beroepshalve is uitgegaan van de juistheid van de verklaringen van de vreemdeling over haar verleden. Voorts heeft de vreemdeling, mede gezien voormeld beleid, niet aannemelijk gemaakt dat de in de brief van 30 juli 2015 genoemde wantrouwende houding van de vreemdeling tegenover haar moeder en zus, in de weg staat aan het verlenen van de mantelzorg zoals weergeven onder 4.1. De staatssecretaris heeft zich derhalve in het besluit terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling in dit kader geen concrete stukken heeft overgelegd. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het besluit ten onrechte heeft vernietigd en verklaart het hoger beroep gegrond. 

    Jurisprudentie

    • Jurisprudentie
    • Raad van State
    • Medische omstandigheden
    • Mensenhandel
    • Uitzetting
    • Vreemdelingenrecht
    • Nederlands
  5. Taal Nederlands Raad van State De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond. Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de V ...

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond.Bij besluit van 21 juli 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen. Bij uitspraak van 14 januari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.Volgens paragraaf A3/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals ten tijde van belang luidend en voor zover thans van belang, dient een vreemdeling aan te tonen dat in het land van herkomst geen gezins- of familieleden zijn die in staat moeten worden geacht de medisch noodzakelijke mantelzorg te verlenen. De mantelzorg moet een essentieel onderdeel zijn van de medische behandeling.De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris ten onrechte zonder nadere motivering is voorbijgegaan aan de stelling van de vreemdeling dat van haar niet kan worden gevergd om voor mantelzorg een beroep te doen op haar in Albanië aanwezige familieleden, nu de onwil van de vreemdeling in verband lijkt te staan met de aard van haar stoornis en wordt onderbouwd door gebeurtenissen uit haar verleden en de brief van 30 juli 2015 van haar sociaal psychiatrisch verpleegkundige. In dit verband heeft de rechtbank erop gewezen dat de vreemdeling heeft gesteld in het verleden door haar stiefvader seksueel te zijn misbruikt en mishandeld en door haar moeder in de prostitutie te zijn geraakt en dat zij meent dat haar familie - in elk geval deels - de oorzaak is van haar psychische stoornissen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat in de brief van 30 juli 2015 wordt bevestigd dat de vreemdeling geen vertrouwen heeft in haar moeder en zus en is aangegeven dat dit een contra-indicatie is voor het verlenen van geslaagde mantelzorg.De Raad van State overweegt het volgende:De vreemdeling heeft met ingang van 28 september 2000 tot 28 september 2003 beschikt over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking slachtoffer-aangever van mensenhandel. De door de rechtbank genoemde door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen uit haar verleden zijn kennelijk afkomstig uit het proces-verbaal (nummer 2000044925-2) van de aangifte mensenhandel. Uit het dossier blijkt dat de aangifte niet tot een arrestatie of veroordeling heeft geleid en het beklag als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering over het stopzetten van het strafrechtelijk onderzoek, ongegrond is verklaard. De staatssecretaris heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het verkrijgen van voormelde verblijfsvergunning niet betekent dat die verklaringen van de vreemdeling daarmee vaststaan en gestaafd zijn (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4301).Daargelaten dat de brief van 30 juli 2015 niet is opgesteld door een arts, doet deze aan het vorenstaande niet af reeds omdat de sociaal psychiatrisch verpleegkundige daarin beroepshalve is uitgegaan van de juistheid van de verklaringen van de vreemdeling over haar verleden. Voorts heeft de vreemdeling, mede gezien voormeld beleid, niet aannemelijk gemaakt dat de in de brief van 30 juli 2015 genoemde wantrouwende houding van de vreemdeling tegenover haar moeder en zus, in de weg staat aan het verlenen van de mantelzorg zoals weergeven onder 4.1. De staatssecretaris heeft zich derhalve in het besluit terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling in dit kader geen concrete stukken heeft overgelegd. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het besluit ten onrechte heeft vernietigd en verklaart het hoger beroep gegrond. 

    Jurisprudentie

    • Jurisprudentie
    • Raad van State
    • Medische omstandigheden
    • Mensenhandel
    • Uitzetting
    • Vreemdelingenrecht
    • Nederlands
  6. Taal Nederlands Raad van State De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt de aangevallen uitspraak en overweegt daarbij het volgende: Bij besluit van 4 juli 2014 heeft de burgemeester van Den Haag de sluiting bevolen va ...

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt de aangevallen uitspraak en overweegt daarbij het volgende:Bij besluit van 4 juli 2014 heeft de burgemeester van Den Haag de sluiting bevolen van de door [appellante] geëxploiteerde massagesalon voor de duur van zes maanden.De burgemeester heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 4 juli 2014 ten grondslag gelegd dat er in de gemeente Den Haag sinds enige jaren een enorme toename is van het aantal Chinese massagesalons en er signalen zijn dat in deze branche illegale prostitutie plaatsvindt. Dit leidt onder meer tot mensenhandel en uitbuiting van en gedwongen prostitutie door masseuses. In de gemeente Den Haag wordt met het oog hierop een streng gereguleerd prostitutiebeleid gevoerd, aldus de burgemeester. Hij heeft de massagesalon voor de duur van zes maanden gesloten, omdat aannemelijk is dat in de salon seksuele diensten tegen betaling worden verleend en derhalve feitelijk illegaal een seksinrichting wordt geëxploiteerd.De Raad van State overweegt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de burgemeester op grond van de in het in bezwaar gehandhaafde besluit van 4 juli 2014 vermelde feiten en omstandigheden terecht aannemelijk heeft geacht dat [appellante] zonder de daartoe benodigde vergunning een seksinrichting in de zin van artikel 3:4, eerste lid, van de APV exploiteerde.Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 

    Jurisprudentie

    • Jurisprudentie
    • Raad van State
    • Bestuurlijke handhaving
    • Massagesalon
    • Bestuursrecht
    • Exploitatievergunning
    • Nederlands
  7. Taal Nederlands 1 Raad van State De Raad van State heeft op 27 januari 2016 het hoger beroep van exploitant ongegrond verklaard. De burgemeester heeft de verzochte exploitatievergunningen voor twee raambordelen terecht geweigerd aan exploita ...

    De Raad van State heeft op 27 januari 2016 het hoger beroep van exploitant ongegrond verklaard. De burgemeester heeft de verzochte exploitatievergunningen voor twee raambordelen terecht geweigerd aan exploitant.De Raad van State oordeelt als volgt: “De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat minder beperkende maatregelen bestaan waarmee het beoogde doel kan worden bereikt. Zij betrekt daarbij dat het gebruik maken van personen die vertalen, zoals door [appellant] voorgesteld, rekening houdend met de bijzonderheden van het betrokken type activiteit, het risico met zich brengt dat door de aanwezigheid van deze derden de beoogde signaalfunctie van het intakegesprek wordt beïnvloed. [..]De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de burgemeester de in de rapportage van 1 april 2011 omschreven bevindingen wat de verhuur van kamers betreft niet heeft mogen betrekken in zijn beoordeling van de aanvragen van [appellant]. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat hoewel een prostituee ook een kamer zou kunnen huren bij een andere exploitant, dit niet betekent dat deze maatregel in elk geval wat betreft de huur van kamers bij dezelfde exploitant, niet het beoogde effect zou kunnen ressorteren en daarmee illusoir is. Daar komt bij dat de burgemeester zich in dit verband tevens op het standpunt heeft mogen stellen dat ook dient te worden gewaakt voor uitbuiting door de exploitant in het kader van de verhuur van kamers. [..]Gelet op het voorgaande heeft de burgemeester zich, zoals de rechtbank heeft overwogen, op het standpunt mogen stellen dat [appellant] de bedrijfsadministratie, noodzakelijk voor het toezicht op de naleving van de voorschriften, niet heeft kunnen tonen. Dat de toezichthouders niettemin een deel van de administratie hebben kunnen controleren, vindt, gelet op hetgeen [appellant] blijkens de rapportage aan de toezichthouders heeft verklaard, geen grondslag in de rapportage van 24 juni 2011[..] Met de rechtbank is de Afdeling verder van oordeel dat de burgemeester deze gebeurtenissen mocht betrekken bij zijn beoordeling of hij voldoende aannemelijk acht dat de exploitant de in artikel 3.32 van de Apv neergelegde verplichtingen zal naleven, als bedoeld in artikel 3.30, tweede lid, van de Apv. De burgemeester heeft in dit verband gemotiveerd dat deze gebeurtenissen hem sterken in zijn standpunt dat de bedrijfsvoering van [appellant] geen zodanige waarborgen biedt dat aan de in artikel 3.32 van de Apv neergelegde verplichtingen wordt voldaan. De burgemeester heeft [appellant] in dit verband niet tegengeworpen dat hij betrokken is bij mensenhandel. [..]De rechtbank heeft voorts terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de burgemeester niet in redelijkheid de verzochte vergunningen heeft kunnen weigeren. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de burgemeester in redelijkheid het belang dat is gediend met de weigering van de verzochte vergunningen zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van [appellant] bij afgifte van die vergunningen. De burgemeester heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat [appellant] met de exploitatie van het prostitutiebedrijf aan de [locatie 3] alsnog in de gelegenheid is om aannemelijk te maken dat hij zijn bedrijfsvoering op orde heeft en kan houden en dat voldoende waarborgen bestaan dat de in de Apv neergelegde verplichtingen worden nageleefd, gegeven de kwetsbare positie waarin de prostituees zich bevinden.” 

    Jurisprudentie

    • Bestuursrecht
    • Nederland
    • Raad van State
    • Exploitant
    • Raamprostitutie
    • Taalvereiste
    • Exploitatievergunning
    • Nederlands
  8. Taal Nederlands Raad van State De Raad van State heeft op 2 december 2015 het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard. De vreemdeling komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De Raad v ...

    De Raad van State heeft op 2 december 2015 het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard. De vreemdeling komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De Raad van State oordeelt als volgt.“Nu, gelet op het onder 2.5. overwogene, de vreemdeling haar relaas over de gestelde mensenhandel niet aannemelijk heeft gemaakt, kan zij reeds daarom niet op grond van paragraaf B9/12 van de Vc 2000 in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd krachtens artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder k, van het Vb 2000. Hetgeen zij in beroep overigens heeft aangevoerd met betrekking tot bijzondere individuele omstandigheden die haars inziens meebrengen dat van haar niet kan worden gevergd dat zij Nederland verlaat, behoeft in dit verband geen bespreking (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2014 in zaak nr. 201404330/1/V1).” 

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Verblijfsrecht
    • Mensenhandel
    • Vreemdeling
    • Angst bij PTSS
    • PTSS
    • Verblijfsvergunning regulier
    • Nederlands
  9. Taal Nederlands Raad van State Het door de staatssecretaris ingesteld hoger beroep is gegrond verklaard. De staatssecretaris heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor vrijstel ...

    Het door de staatssecretaris ingesteld hoger beroep is gegrond verklaard. De staatssecretaris heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. De Afdeling oordeelt als volgt.“Gelet op het voorgaande klaagt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich onvoldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat hij aan de vreemdeling heeft kunnen tegenwerpen dat hij zijn nationaliteit en identiteit en slachtofferschap van mensenhandel niet aannemelijk heeft gemaakt. Gelet daarop heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste.”

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Raad van State
    • Artikel 8 EVRM
    • Verblijfsrecht
    • Hardheidsclausule
    • Mensenhandel
    • Vreemdeling
    • Art. 8 EVRM
    • Nederlands
  10. Language Dutch 55 reads States Council (Dutch) Het verzoek om Nederlanderschap is afgewezen. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris, in afwijking van de Handleiding, aan verzoeker het Nederlanderschap had moeten verlenen. De Af ...

    Het verzoek om Nederlanderschap is afgewezen. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris, in afwijking van de Handleiding, aan verzoeker het Nederlanderschap had moeten verlenen. De Afdeling overweegt als volgt: ‘Bij de toepassing van het beleid bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN, kunnen zich omstandigheden voordoen op grond waarvan slechts tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen indien van dat beleid wordt afgeweken. Een dergelijke omstandigheid doet zich voor indien de periode tussen het gepleegde strafbare feit en de tenuitvoerlegging van de opgelegde sanctie bijzonder lang is en aannemelijk is dat de late tenuitvoerlegging is te wijten aan nalaten van de justitiële autoriteiten. De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat voormelde omstandigheid zich in dit geval voordoet. Daartoe wordt ten eerste in aanmerking genomen dat het tijdsverloop tussen het door [verzoeker] gepleegde strafbare feit en het verzoek van [verzoeker] in 2008 om haar straf in Nederland te ondergaan (hierna: het overnameverzoek), aan [verzoeker] is te wijten. Zij heeft er immers voor gekozen om, in plaats van de haar opgelegde straf in Roemenië te ondergaan, naar Nederland te reizen, hetgeen tot dit tijdsverloop heeft geleid. Hierbij is van belang dat uit hetgeen [verzoeker] ter zitting van de rechtbank heeft verklaard, volgt dat zij in ieder geval sinds eind 2004 op de hoogte was van haar strafrechtelijke veroordeling. Gelet hierop betoogt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank ten onrechte betekenis heeft toegekend aan de gestelde bereidheid van [verzoeker] om de haar opgelegde straf in Nederland te ondergaan. Ten tweede wordt in aanmerking genomen dat, daargelaten of het tijdsverloop tussen het overnameverzoek en de tenuitvoerlegging van de aan [verzoeker] opgelegde straf bijzonder lang is, [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit tijdsverloop is te wijten aan nalaten van de Nederlandse justitiële autoriteiten. In dit verband is van belang dat de officier van justitie kort na indiening van het overnameverzoek bij brief van 22 januari 2009 aan [verzoeker] heeft meegedeeld dat hij in onderhandeling zou treden met de Roemeense autoriteiten. Dat dergelijke onderhandelingen noodzakelijk waren is aannemelijk, nu de Roemeense autoriteiten de tenuitvoerlegging van de aan [verzoeker] opgelegde straf zelf ter hand wilden nemen en om die reden om uitlevering van [verzoeker] hadden verzocht. [verzoeker] heeft niet gemotiveerd het standpunt van de staatssecretaris bestreden dat de officier van justitie hierbij voortvarend heeft gehandeld.’  

    Jurisprudentie

    • Vreemdelingenrecht
    • Nederland
    • Raad van State
    • Nederlanderschap
    • Nederlands

Pagina's