Taal document

Datum

07 jul 2014

Documentsoort

Bestuursrecht

Thema

Trefwoord

Prostitutie

Rechtbank Midden-Nederland, ECLI:NL:RBMNE:2014:2736, 7 juli 2014

Datum

07 jul 2014

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De gemeente Utrecht heeft de exploitatievergunning voor de prostitutieboten aan het Zandpad en de ramen aan de Hardebollenstraat mogen intrekken en nieuwe aanvragen mogen weigeren. De rechtbank overweegt onder andere:

'Het standpunt van eiseres dat verweerder de belangen van de bij haar werkzame prostituees onvoldoende in acht heeft genomen en dat de maatregel niet proportioneel is, onderschrijft de rechtbank niet. Hierbij is van belang dat het hier gaat om aanwijzingen van mensenhandel en om gevaar voor de openbare orde. Zowel uit de APV als uit de Handhavingsstrategie blijkt dat mensenhandel in de prostitutie onder verscherpte aandacht van verweerder staat. Verweerder heeft het belang van het tegengaan van mensenhandel en de rol die eiseres daarin had zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiseres om werkruimte te verhuren voor raamprostitutie. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat de belangen van vrouwen om de prostitutie als een vrij en veilig vak in haar gemeente te kunnen uitoefenen moeten worden beschermd. Dat de intrekking van de exploitatievergunningen grote nadelige gevolgen heeft voor eiseres, haar werknemers en voor de prostituees die bij haar huren, maakt niet dat sprake is van een punitieve sanctie als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS, bijvoorbeeld de uitspraak van 2 februari 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP2763), is de intrekking van de exploitatievergunning een reparatoire sanctie, gericht op bescherming van de openbare orde en is deze niet (mede) gericht op geïndividualiseerd concreet nadeel. Voor de conclusie dat de besluitvorming in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en/of met de waarborgen van artikel 6 van het EVRM ziet de rechtbank dan ook geen grond.'