Taal document

Datum

16 jul 2015

Documentsoort

Vreemdelingenrecht

Land

Trefwoord

Traumatabeleid
Boko Haram
Besnijdenis
Vrouwenbesnijdenis/Vrouwelijke genitale verminking
Geloofwaardigheid
Integrale toetsing van de geloofwaardigheid van het asielrelaas
Vestigingsalternatief
Asielprocedure
Afwijzing asielaanvraag
Paspoortvereiste
Reisdocumenten

Organisatie

Rechtbank Den Haag

Rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2015:8194, 16 juli 2015

Datum

16 jul 2015

Op 10 januari 2014 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zij heeft aan haar aanvraag ten grondslag gelegd dat zij is gevlucht omdat haar vader, pastor, en haar broer bij een overval door Boko Haram tijdens een kerkdienst gedood zijn in januari 2012 en dat haar moeder daarbij gewond is geraakt. Tevens vreest eiseres voor besnijdenis.

De rechtbank overweegt:

'Voorts is niet in geschil dat eiseres te vrezen heeft voor besnijdenis. Verweerder heeft eiseres echter een vlucht- of vestigingsalternatief in het zuiden van, of elders in, Nigeria tegengeworpen, waar zij niet te vrezen heeft voor besnijdenis en waar zij zich eveneens aan de invloed van Boko Haram kan onttrekken, aldus verweerder. Eiseres heeft zich in dit verband beroepen op de UNHCR Guidelines on International Protection, punten 25 en 26, waarin onder meer gesteld wordt: ‘The personal circumstances of an individual should always be given due weight in assessing whether it would be unduly harsh and therefore unreasonable for the person to relocate in the proposed area. ’ Daarnaast wordt gesteld: ‘Psychological trauma arising out of past persecution may be relevant in determining whether it is reasonable to expect the claimant to relocate in the proposed area.’ Naar het oordeel van de rechtbank vloeit ook uit het bepaalde in artikel 3.37d, tweede lid, van het VV 2000 voort dat verweerder moet onderzoeken of de algemene omstandigheden en de persoonlijke omstandigheden zodanig zijn dat verblijf in het beoogde vlucht- of vestigingsalternatief van de vreemdeling gevergd kan worden. De rechtbank overweegt dienaangaande dat verweerder zich niet op het standpunt kan stellen dat eiseres terug kan vallen op de bescherming van haar ouders en broer, nu verweerder zelf beaamt dat hun lot ongewis is en verweerder onvoldoende deugdelijk gemotiveerd heeft dat het overlijden van de vader en de broer van eiseres niet geloofwaardig is. Eiseres kan evenmin terugvallen op familie die nog woonachtig is in het zuiden, want zij hangen het Arose geloof aan en zijn voorstander van besnijdenis. Eiseres kan evenmin ondersteuning vragen aan de gemeenschap van de [naam kerk] waartoe zij behoorde, aangezien deze in het noorden gevestigd is en daar de overval door Boko Haram heeft plaatsgevonden. Verder overweegt de rechtbank dat het BMA-advies van 7 juli 2014 uitgaat van de diagnose PTSS bij eiseres en dat het uitblijven van behandeling een reële kans op toename van klachten betekent. In het BMA-advies kon bij de beoordeling bovendien nog niet worden betrokken dat eiseres de zorg draagt voor een jong kindje, geboren in augustus 2014, dat met ernstige gezondheidsproblemen te maken heeft.'

 

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt.