Taal document

Datum

22 mei 2013

Documentsoort

Vreemdelingenrecht

Thema

Land

Trefwoord

Asielprocedure
Artikel 3 EVRM
Ongewenstverklaring
Geloofwaardigheid
Artikel 4 EVRM

Organisatie

Rechtbank Oost-Brabant

Rechtbank Den Bosch, 10-33676, 22 mei 2013

Datum

22 mei 2013

Beroep ongegrond. De vreemdeling voert aan dat zij in Nederland huishoudelijke werkzaamheden heeft verricht voor mevrouw 1. In het huis is na mishandelingen een kind overleden. De vreemdeling stelt niet terug te kunnen keren naar India, nu mevrouw 1 aldaar vele contacten heeft.

De rechtbank overweegt dat de algemene veiligheids- en mensenrechtensituatie in India niet zodanig is dat iedere asielzoeker afkomstig uit India zonder meer als vluchteling dient te worden aangemerkt. Voort is niet gebleken dat de vreemdeling afkomstig is uit een land waarin zich de in art. 29 onder b Vw bedoelde uitzonderlijke situatie voordoet.

De rechtbank overweegt voorts dat de verklaringen van de vreemdeling over de te verwachten problemen in India te onduidelijk en summier zijn. De gestelde invloedrijkheid van de familie van mevrouw 1 is niet geconcretiseerd. Nu de door de vreemdeling gestelde uitbuitingssituatie zich in Nederland heeft voorgedaan, kan het beroep op art. 4 EVRM de vreemdeling niet baten.

Daarnaast heeft de ongewenstverklaring van de vreemdeling tot gevolg dat zij ingevolge art. 67 lid 3 Vw geen rechtmatig verblijf kan hebben en dat een toetsing van de aanspraak op een verblijfsvergunning in het kader van paragraaf B9 Vc eerst aan de orde is als het besluit tot ongewenstverklaring wordt vernietigd of ingetrokken. De staatssecretaris hoefde bij de besluitvorming daarom geen kennis te nemen van de stukken in de strafzaak van mevrouw 1.