Taal document

Datum

25 okt 2011

Documentsoort

Sociaal zekerheidsrecht

Trefwoord

Wet Werk en Bijstand (WWB)
Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
Artikel 8 EVRM

Organisatie

Rechtbank Noord-Nederland

Rechtbank Assen, 10-846 en 11-370 en 11-545, 25 oktober 2011

Datum

25 okt 2011

Beroep vreemdeling tegen intrekking (AWB 10/846) en afwijzing (AWB 11/370) van de aanvraag van een uitkering ingevolge de Wwb. En beroep tegen het besluit van verweerder dat eiseres niet in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang o.g.v. de Wmo (AWB 11/545).

Verweerder heeft het recht van eiseres op een bijstandsuitkering met ingang van 1 juli 2010 ingetrokken. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de feitelijke grondslag van het bestreden besluit onjuist is. De uitkering van eiseres had met ingang van 25 november 2010 ingetrokken moeten worden. Reeds om die reden is het beroep (10/846) gegrond.

De rechtbank concludeert uit de uitspraak van de CRvB van 19 april 2010 dat ook in dit geval niet de Wwb maar de Wmo het primaire wettelijk kader is om de hulpvraag van eiseres te beoordelen. Het vorenstaande leidt er in de procedure met nummer 10/846 toe dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen waarin de datum van intrekking van de bijstandsuitkering wordt herzien. Het beroep in de procedure met nr. 11/370 wordt ongegrond verklaard.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het zoontje van eiseres, gelet op zijn leeftijd, tot de categorie van kwetsbare personen behoort die gezien art. 8 EVRM i.h.b. recht hebben op bescherming van hun privé- en gezinsleven. Als hij dakloos zou worden zou dat naar het oordeel van de rb tot gevolg hebben dat de normale ontwikkelen van zijn privé- en gezinsleven onmogelijk wordt gemaakt en is er sprake van een zodanige aantasting van de “very essence” van art. 8 EVRM dat er een positieve verplichting op de Staat rust om te voorzien in een voor eiseres en haar zoontje – gezien zijn leeftijd is hij immers onbetwist afhankelijk van zijn moeder – adequate opvang. Dat eiseres en haar zoontje thans geen rechtmatig verblijf hebben doet aan het vorenstaande niet af.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van adequate opvang voor eiseres en haar zoontje in de VBL. Dat een dergelijke maatregel aan eiseres zal worden opgelegd is naar het oordeel van de rb echter onvoldoende vast komen te staan, de enkele mondelinge toezegging van de regievoerder van de DT&V aan verweerder dat dat zal gebeuren zodra eiseres in de VBL geplaatst wordt acht de rechtbank onvoldoende. Dientengevolge is ook onvoldoende duidelijk of eiseres in de VBL dan wel een gezinslocatie geplaatst kan worden, zodat de rechtbank aan de vraag of opvang daar adequaat is en kan gelden als een vovo niet toekomt.

Beroep(11/545) is gegrond. Verweerder dient een besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Vovo getroffen zodat eiseres en haar zoontje toegelaten worden tot de maatschappelijk opvang vanaf 6 december 2011 tot zes weken na de datum waarop verweerder een besluit op bezwaar aan eiseres zal hebben bekendgemaakt. N.B. vovo in hoger beroep toegewezen (14 maart 2012 – 12/983 WWB+VV).